← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 9 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 9 van 32

De kortste weg

Van bovenaf zag de lage doorgang eruit als een tunnel onder een tuin. Er stond een rand omheen en daarachter begon het glas van Het Binnenplein. Ik zag een paar groene toppen door de onderste ruiten.

‘Waarom niet?’ vroeg ik.

Mare liep naar de trap. Ik bleef staan. Ze kwam terug toen ze merkte dat ik niet volgde.

‘Omdat de kas erop zit,’ zei ze. ‘Die vouw staat dicht. Als je hem openmaakt, vouwt de kamer erboven mee.’

Ik keek naar de knoop. De band was dik en op een paar plaatsen bijna zwart geworden. Hij liep door een ring in de muur en hield een brede rand tegen de gevel. Het leek niet op iets wat je nodig had om een hele glazen kamer op zijn plek te houden.

‘Bedoel je dat hij dan naar de andere kant gaat?’

‘Dat hij platgaat. Op die plek komt dan een straat. Niet de kas.’

Roos ging naast me staan. Ze keek omhoog naar het glas. We konden de tafel niet zien, maar ik wist ongeveer waar hij stond. Mijn vingers waren gisteren langs de uitgesleten rand gegleden. Ise had er haar stoel bij geschoven.

‘We nemen die andere weg wel,’ zei Roos.

‘Hoe lang is die?’

Mare wees de galerij langs. ‘Achter die huizen om. Dan naar beneden en bij het hoge afdak oversteken.’

‘En dan nog terug naar De Rand?’

Ze knikte.

Ik dacht aan de koffer in de hal. Aan Lea die tegen vijven terug zou zijn en de pijpen onder haar arm mee naar buiten zou nemen. Het centrum ging daarna dicht. Morgen kon ik weer bij de boog komen staan, maar dan was er niets meer om aan Pek te laten zien.

Pek was binnen aan zijn stoel begonnen. Ik hoorde de schaaf door het hout gaan. Een lange haal. Even ophouden. Nog een haal.

‘Die spullen worden straks weggehaald,’ zei ik.

‘Dat heb je verteld,’ zei Mare.

‘Dan zijn ze weg.’

Ze wees nog een keer naar de galerij. ‘Kom.’

Ze pakte de band van haar tas vast en liep een paar passen. Roos bleef naast me staan. Ik keek naar de smalle kier onder de dichte vouw. Er stond een streep licht in. Aan de andere kant moest de straat naar de boog liggen. Geen omweg, geen hele trap naar beneden en weer omhoog.

‘Die bakken kunnen toch ergens anders staan?’ zei ik.

Mare draaide zich om.

‘Het zijn niet alleen bakken.’

‘Dat weet ik.’

Ik wist het. Er stonden stoelen, een tafel, potten. Het glas was op een paar plekken al vervangen. De mensen hier maakten voortdurend dingen heel. Ze droegen een bed over een trap alsof het een veel te grote boodschappentas was. Pek kon onder een stoel een poot zetten die net zo goed werkte als de oude. Als er ergens weer iets opgebouwd kon worden, was het toch hier.

‘De kamer komt niet terug als je die band weer vastmaakt,’ zei Mare.

Ik zag dat ze serieus was. Dat maakte het niet makkelijker om haar gelijk te geven. In mijn hoofd was er al een volgende stap: ik zou de pijpen halen, Pek zou er iets mee kunnen en daarna hoefden ze niet meer bang te zijn voor het vertrek van het orgel. Dan zouden we tijd hebben voor die kas.

Roos raakte mijn mouw aan.

‘We gaan met Mare mee.’

‘Jullie kunnen toch alvast lopen? Ik ben er zo weer.’

‘Idris.’

Ze zei mijn naam heel gewoon. Niet waarschuwend genoeg om er een groot moment van te maken. Dat maakte het voor mij makkelijker om te doen alsof het ook niet groot was.

Ik stapte van de galerij af, op de twee lage treden naast de knoop.

De band voelde stroef. Hij had een platte lus die dwars onder een tweede strook doorging. Ik pakte hem tussen duim en vingers. Er kwam stof uit toen ik eraan trok.

‘Niet doen,’ zei Mare.

Ik keek omhoog. Ze was op weg naar me toe. Ik had kunnen loslaten en mijn handen op de leuning zetten. Dan waren we de lange route gaan lopen. Misschien had ik het nog steeds kunnen halen.

Ik trok de lus verder uit de knoop.

De rand kwam los van de muur. Niet met een geweldige klap. Er schoof iets zwaars langs de steen. Ik moest een stap opzij doen om mijn schoen weg te krijgen. De band bleef in mijn hand hangen.

Boven me rinkelde glas.

Het was geen brekend glas. Het was het geluid van veel ruiten die tegelijk langs elkaar schoven. De lichte streep in de doorgang werd breed. De grond onder mijn voorste schoen zakte een beetje. Ik zette mijn voet op de trede achter me en greep de leuning.

Roos stond bovenaan. Haar gezicht was heel bleek geworden. Mare pakte mijn arm en trok hem naar de muur. Ik ging mee. De brede rand draaide vóór mijn knieën langs en streek over de trap alsof iemand er een zwaar stuk stof tegenaan liet vallen.

Ik zag het dak.

Een hele rij gebogen ruiten schoof omlaag. De ruiten leken even boven elkaar te hangen, allemaal in hetzelfde licht. Toen keerden ze weg. Groen verdween tussen de stenen. Iets donkers kantelde achter het glas. Ik hoorde iemand roepen, ver van ons vandaan.

Mare trekt Idris naar de muur terwijl het glazen kasdak langs de vouw zakt.

‘Er staat iemand!’ zei ik.

Mare antwoordde niet. Ze duwde haar schouder tegen de muur en trok mijn arm mee. Ik merkte pas toen hoe dicht ik bij de bewegende rand stond. De band was nog steeds om mijn vingers geslagen.

Ik liet hem los.

De doorgang trok recht.

Onder de boog lagen nu stenen die er eerst niet hadden gelegen. Aan de overkant zag ik een stukje van het blauwe huis. Daarvoor lag nog de losse overgang naar De Rand. De nieuwe straat sneed de lange bocht door De Hoge Rij af. Als de wind bij die overgang nog goed zat, was ik zo bij de zaal.

Ik keek naar boven.

De glazen kamer was weg. Waar het dak had gestaan, lag een vlakke strook, bleek van kleur. Er stak een tak uit naast een opstaande steen. Hij boog onder zijn eigen gewicht terug.

Roos kwam de twee treden af en ging naast Mare staan. Ze keek niet naar de nieuwe doorgang. Ze keek naar de lege plek erboven.

‘We moeten naar het plein,’ zei Mare.

‘Ik kan de pijpen eerst—’

Ze draaide haar hoofd naar mij. Ik maakte de zin niet af.

We gingen terug over de galerij. Ik wilde vragen of er iemand onder het glas had gestaan. Ik durfde het niet. Mare liep sneller dan ik haar tot dan toe had zien lopen. Roos volgde haar. Ik ging achter hen aan.

Bij de eerste bocht stootte ik met mijn heup tegen de leuning. Er zat een pijnlijk stukje steen in de rand van mijn schoen. Ik kon blijven staan om het eruit te halen. Dan waren zij zonder mij doorgelopen.

Ik liep verder.

Langs de buitenste trap was de wind nog te voelen. We namen het hoge afdak. Ik zag de vrije strook liggen, de bocht in het pad en de overkant die we gewoon hadden kunnen bereiken. Mare stapte eroverheen zonder zich naar me om te draaien.

Aan de andere kant moesten we nog een straat uit. Er stonden mensen bij de ingang van Het Binnenplein. Iemand hield een grote plant vast, met de bladeren tegen zijn gezicht. Een vrouw droeg een pot waar aarde over de rand viel.

De deur van de kas stond er niet meer.

Ik herkende de plek aan het licht op de muur ernaast. Het was dezelfde kleur die gisteren door de groene ruiten op de grond had gelegen. Nu viel het nergens meer doorheen.

Mare begon te rennen.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.