Hoofdstuk 5 van 32
De glazen kamer
De lange weg begon met een poort waar geen deur in zat.
Mare ging erdoor en verdween naar beneden. Toen ik volgde, zag ik pas de trap aan de andere kant. Hij liep langs een rij achterramen. Op één vensterbank stond een pan met een deksel erop, om af te koelen. Ernaast lag een potlood. Verderop zat een vrouw bij een open raam haar haar vast te maken. Ze keek niet op toen we langsliepen.
Ik had verwacht dat iedereen wel even zou willen zien wie er uit een andere wereld kwam. Dat bleek niet zo te zijn. Het was ergens prettig. Ik moest nog uitzoeken hoe ik zelf naar alles keek.
Onderaan hield Mare stil. Ze zette de lege schalen tegen een muur en pakte mijn kleine kom over.
‘Hier moet je je handen vrij hebben.’
We stonden voor een leuning die eindigde voordat het pad naar de overkant begon. De vrije rand lag nog tegen de muur, omhooggevouwen. Daarachter zag ik alleen de zijwand van een ander huis. In de verte bewoog een strook geel licht langs de gevels.
‘Die komt hierheen,’ zei Mare.
Ik zag geen wind. Ik zag de dingen die hij meenam: een koord dat werd opgetild, een handdoek die van de muur af kwam, de bovenkant van een kleine boom die ruiste voordat ik zelf iets voelde.
Mare hurkte en legde haar hand op de rand. Ze drukte niet. Ze wachtte tot het gele licht langs ons heen trok.
Onder ons klonk een lage toon. Ik voelde hem meer in de leuning dan in mijn oren. Daarboven kwam een tweede, dunner geluid. De opgevouwen strook schoof naar buiten. Een stuk steen dat ik voor een muur had gehouden, kantelde langzaam totdat het als een pad vóór ons lag.
Ik pakte de leuning vast. Mare legde haar kom midden op de eerste brede trede, ging terug voor de lege schalen en bracht ze naar dezelfde plek. Daarna nam ze alles weer op.
‘Niet te lang blijven kijken,’ zei ze.
Ik liep achter haar aan. Het pad daalde halverwege een beetje. Mijn schoenzool schuurde langs de steen. Ik had mijn handen vrij, maar aan de kant waar ik keek was geen leuning. Ik hield mijn blik bij Mares rug.
Aan de overkant kwam er een warme geur naar ons toe. Vochtige aarde. Geen regen, maar grond die net water had gekregen.
We liepen een smalle straat uit en stonden op Het Binnenplein.
De kas was groter dan hij van beneden had geleken. De ruiten bogen boven ons samen in een hoog dak. Sommige waren helder, andere een beetje groen uitgeslagen. Een paar zaten met brede stroken metaal aan elkaar. Daar waar een ruit ooit vervangen was, viel een andere kleur licht op de grond.
Binnen stonden planten tot boven mijn hoofd. Er groeiden dunne takken langs draden omhoog. In bakken bij de wand lagen kleine blaadjes naast elkaar in zwarte aarde. Een vrouw in een groene schort zat aan een lange tafel. Ze haalde dode bladeren van een plant en schoof ze op een hoopje naast haar elleboog.
Mare vertraagde.
Dat viel me meer op dan het glas. Ze had de hele tijd vóór me gelopen, alsof ze ergens nog een bocht moest halen. Nu trok ze de deur open en hield hem vast zodat ik er ook door kon.
‘Dat is weinig,’ zei de vrouw, met haar blik op de kom.
‘Er was iets met de kar.’
‘Ik heb hem geduwd,’ zei ik.
Mare keek even naar me. Ik had het beter kunnen uitleggen. Ik had ook niets kunnen zeggen. Het eerste leek me nog steeds moeilijker dan het tweede.
De vrouw veegde haar handen af en nam de kom aan. ‘Er is nog brood.’
Ze schoof een stoel naar achteren. Mare zette de lege schalen aan het eind van de tafel, precies op een grote donkere kring in het hout. Ik bleef naast de stoel staan. Er zat aarde onder de poten. In het tafelblad was een smalle geul uitgesleten waar veel mensen met hun vingers langs moesten zijn gegaan.
‘Dit is Vina,’ zei Mare. ‘Ze denkt dat alle planten hier dorst hebben.’

‘Dat is meestal ook zo,’ zei Vina. Ze wees met haar vuile vingers naar een deur aan de overkant. ‘Je moeder is thuis.’
Mare nam het brood en de kom van haar over. We gingen weer naar buiten, het plein over. Er stonden deuren onder een galerij. Naast één ervan hing een rood stuk stof met een paar spelden erin. Mare tikte op het hout en duwde de deur open zonder op antwoord te wachten.
‘Het is gelukt,’ zei een stem van binnen.
‘Niet helemaal.’
‘Ik bedoel de mouw.’
In de kamer zat een vrouw bij het raam met een half uit elkaar gehaalde jas op haar knieën. Ze stond op en legde hem op tafel. Het ene stuk hing eroverheen, met de voering naar buiten.
Mare ging op een stoel zitten en trok haar eigen natte jas uit.
‘Niet op dat kussen,’ zei haar moeder.
Mare ving de jas op voordat hij erop lag. Haar moeder pakte hem van haar aan en hing hem over een haak bij de deur. Ze streek een vouw uit de stof. Toen legde ze haar hand heel even op Mares wang, alsof ze controleerde of de rest ook nat was.
Ik keek naar de jas op tafel.
‘Ik ben Idris,’ zei ik.
‘Ise.’ Ze gaf me een hand. Er zat een witte draad aan haar mouw, die met mijn pols meeging. Ze maakte hem los. ‘Jij ziet eruit alsof je bij de wasserij bent geweest.’
Ik wees naar de kom.
We kregen allebei een stukje brood. Ise schonk de soep in drie kleine kommen. Mijn kom was meer een kopje. Ik hield hem met twee handen vast en dronk voorzichtig. Er zat iets groens in dat ik niet kende. Ik vroeg niet wat het was. Ik wilde eerst weten of ik het lekker vond.
Mare zat onderuitgezakt op haar stoel. Ze vertelde over de wasserij. Ze maakte het niet erger dan het was, maar ook niet veel beter. Haar moeder luisterde en legde de jas met de voering naar boven weer op haar schoot.
‘Je had kunnen vragen of iemand met lege handen meeliep,’ zei ze.
‘Dat was hij.’
Ik keek naar mijn vingers. Er stond nog een heel licht rood streepje op.
Na het eten liepen we samen naar de kas. Ise nam een zakje met kleine stukjes stof mee. Onderweg kwam er een meisje naast Mare lopen dat naar haar natte mouw wees. Mare rolde met haar ogen, maar liep niet sneller. Ze wilde blijkbaar dat ik niet merkte dat ze het meisje kende. Dat was inmiddels mislukt.
In de kas was het warmer geworden. Ise gaf Vina het zakje. Er zaten zachte repen in waarmee ze een nieuwe tak tegen de draad kon vastbinden zonder hem te beschadigen. Mare pakte vanzelf een uiteinde aan.
Ik ging op de lange bank zitten. Op het hout naast mijn knie stond een afdruk van een mok. Ik schoof er met mijn vinger overheen, maar je voelde hem niet. Alleen de groef bij de rand was echt diep.
Twee kinderen zaten verderop onder de tafel. Ze keken tussen de stoelen door naar mijn schoenen. Het kleinste zei mijn naam verkeerd. De andere verbeterde hem en deed het nog verkeerder.
Ik zei hem nog een keer.
Ze probeerden allebei tegelijk. Dat hielp niet. Mare schudde haar hoofd zonder zich om te draaien. Het meisje bij haar begon te lachen.
Ise schoof een stoel naast me en vroeg waar mijn moeder woonde. Ik zei dat ze thuis was, boven een winkel, waarschijnlijk nog aan het bellen. Ze vroeg niet of ik over de boog durfde. Ze vroeg of ik dan niet te laat thuis zou komen.
Ik keek naar Mare.
‘We gaan zo,’ zei ze.
Ze liep naar de kasdeur en bleef op de drempel staan. Ise ging naar haar toe. Ze spraken zacht. Ik hoorde iets over morgen en een jas die ergens anders moest blijven. Toen legde Mare haar armen om haar moeder heen, kort en stevig, alsof ze haar op haar plek wilde houden.
Ik wachtte aan de tafel.
De koperen boog lag in een andere wijk. Mijn klarinet lag erbij. Voor het eerst sinds ik door de muur was gestapt, dacht ik eraan hoe vreemd het was dat ik gewoon weer naar huis kon, waar mijn moeder niet eens wist dat ik ergens anders had gegeten.