Hoofdstuk 7 van 32
Roos past er ook door
De volgende dag kreeg ik mijn klarinet niet uit mijn hoofd. Dat gebeurde normaal alleen als ik een toon verkeerd had ingestudeerd en hem 's avonds nog steeds hoorde.
Nu dacht ik aan de lege plek tussen twee huizen. Aan de strook steen die omlaag was gekomen. Op mijn schrift tekende ik de boog, maar hij leek op een deur die mijn kleine neef had kunnen tekenen. Ik zette er een bank naast. Dat hielp niet.
Roos schoof aan het eind van de les haar etui dicht.
‘Vandaag ga ik mee,’ zei ze.
‘Naar binnen?’
‘Nee, naar die man om mijn rok te laten wassen.’
Ik had haar gisteren het hele verhaal verteld. Ze was vooral bij de rok gebleven. Ik had gevonden dat ze meer aandacht aan het vouwende pad had mogen besteden.
We gingen allebei eerst naar huis. Ik zei tegen mijn moeder dat ik weer in het centrum ging oefenen. Daarna zei ik dat ik er ook nog iets anders had gevonden. Ze luisterde, maar haar laptop gaf een geluidje terwijl ik over de huizen begon. Ze vroeg of Nora er zou zijn en hoe laat ik terugkwam.
Ik knikte en zei dat ik er bij het eten was.
Mijn moeder keek me langer aan. ‘Dat was geen antwoord op de eerste vraag.’
‘Nora is er.’
‘Mooi. Dan zie ik je straks.’
Ik wilde nog iets over de boog zeggen. Ze hield een hand omhoog en nam het gesprek aan. Ik pakte mijn koffer. Dit was ongeveer waarom ik ingewikkelde dingen liever eerst aan Roos vertelde. Die deed tenminste alsof ze me niet geloofde op het goede moment.
Bij de balie van het centrum stond Lea. Ze had dezelfde blauwe werkkleren aan als gisteren. In een open koffer lagen de houten pijpen die ik in de zaal had gezien. Er stak een opgevouwen doek tussen.
‘Ik kom tegen vijven even terug,’ zei ze tegen Nora. ‘Dan neem ik die demonstratiespullen mee. Ze staan je hier maar in de weg.’
‘Alles staat me hier in de weg,’ zei Nora. Ze schoof de koffer met haar voet dichter tegen de wand. ‘Maar dit kan nog wel even.’
Lea zette een tas op haar schouder en hield de deur voor ons open. Ik liet haar voorgaan. In de hal was het ineens stiller.
Nora keek van mijn koffer naar Roos.
‘Ik heb vanochtend nog achter die bank gekeken,’ zei ze.
‘En?’
‘Een muur. Een boog. Geen huizen.’
Ik merkte dat ik mijn koffer steviger vasthield. Natuurlijk kon het anders zijn dan gisteren. Misschien had ik iets moeten onthouden wat ik niet had begrepen.
Roos deed de tussendeur open. De zaal was leeg. Zelfs de losse stoelen die naast mijn lessenaar hadden gestaan, waren opgestapeld.
Ik zette de koffer op de grond en maakte mijn klarinet klaar. Het riet schoof eerst scheef. Ik zette het rechter en draaide de schroefjes voorzichtig vast. Nora wachtte bij de deur. Roos bleef naast de bank staan.
De lage toon kwam meteen. De hogere niet. Er kwam een scherp piepje uit dat tegen het plafond leek te stuiten. Ik haalde het mondstuk uit mijn mond en keek naar het riet.
‘Rustig,’ zei Nora.
Ik knikte. Het was vervelend dat gewoon oefenen nog steeds gewoon oefenen was, zelfs nu ik een goede reden had om het te laten lukken.
Ik ademde opnieuw in en speelde de tonen. Los van elkaar. Er zat lucht tussen, en deze keer kwam de tweede zoals ik hem bedoelde.
Achter de bank werd het lichter.
Mare stond aan de andere kant van de boog. Ze had haar jas dichtgeknoopt en een lege tas onder haar arm. Toen ze Roos zag, glimlachte ze.
‘Je komt toch.’
Roos keek naar de opening. Ze streek met haar handen langs haar jas.
‘Mag ik gewoon lopen?’
Mare deed een stap achteruit. ‘Er ligt een losse steen vlak na de rand.’
Roos zette haar voet eroverheen. Ze hield een hand tegen het koper. Toen ging haar hele lichaam naar de andere kant. Ik volgde met mijn klarinet in mijn hand. Voor ons lag dezelfde straat. Ik zag Roos naar haar schoenen kijken. Ze draaide zich om en keek recht naar mij.
‘O,’ zei ze.
Meer zei ze niet.
Nora stond aan de zaalkant. Ik vertelde dat we gisteren naar de wasserij en naar Het Binnenplein waren gelopen. Mare wees waar dat was, al kon je het vanaf hier niet zien.
‘We blijven bij elkaar,’ zei ik.
Nora keek naar de straat. ‘Kom straks even terug bij de boog, goed? Dan ben ik hier.’
Ze vroeg aan Mare hoe ze terug moest naar haar eigen huis. Mare vertelde dat er nu wind door de stad trok en dat ze naar De Hoge Rij ging. Ze had de avond ervoor net de laatste vrije oversteek kunnen nemen. Haar vader had al brood gesneden toen ze thuiskwam.
Ik keek op. Daar had ik gisteren niet meer naar gevraagd.
Nora knikte langzaam. Ze zei dat ze met Lea wilde praten over de boog en het orgel. Daarna liep ze naar de bar. Ik legde mijn klarinet onder hetzelfde afdak als gisteren. Roos hield het plankje vast terwijl ik controleerde hoe hij lag.
‘Hij blijft wel liggen,’ zei ze.
‘Dat hoop ik.’
Mare wachtte tot we klaar waren. Toen nam ze ons mee langs het blauwe huis. De kat was weg. In de kom lagen een paar haren die aan de rand vastzaten.
Roos bleef bij de brievenbus staan. Hij hing zo scheef dat ze haar hoofd mee kantelde om erin te kijken. Mare vroeg of ze iets kwijt was.
‘Ik probeer te begrijpen hoe hier post in komt.’
‘Van boven.’ Mare tikte de klep open. ‘Maar meestal bezorgen mensen het gewoon aan de deur.’
Roos deed de klep dicht en liep verder. Ze keek naar de huizen, de ramen, de doorgang waar ik gisteren de natte schalen had gedragen. Bij de vastgezette straat bleef ze staan.
Ik stapte zonder nadenken over de richel. Pas toen ik aan de overkant stond, merkte ik het. Gisteren had ik gewacht tot Mare eroverheen was. Nu keek ik of Roos het durfde.
Ze knielde bij de haak. Ze raakte hem niet aan, maar keek hoe de punt door de ring zat. Mare ging naast haar zitten.
‘Als die los is, kan de wind de rand verplaatsen,’ zei ze. ‘Deze zit vast.’
‘Wie heeft hem vastgemaakt?’ vroeg Roos.
Mare haalde haar schouders op. ‘Iemand voordat mijn vader hier woonde.’
Roos kwam overeind. We liepen verder. Mijn benen kenden de straat al beter dan mijn hoofd.
Bij een klein raam kreeg Mare een prop draad aangereikt. Ze stopte hem in haar tas en schreef met een stomp potlood een naam op de binnenkant van de band. Roos wilde weten waar de draad voor was. Mare vertelde over een jas die bleef haken aan een spijker naast een trap, hoe vaak hij ook gerepareerd werd.
‘Dan moet die spijker toch weg?’ zei Roos.
‘Dat zegt Ise ook.’
Ze begonnen samen te lachen. Ik wist nog niet waarom. Ik hoorde alleen dat Mare ineens niet meer in de eerste plaats met mij meeliep.
Bij de volgende hoek zagen we de hoge huizen. Er stak een galerij uit tussen twee gevels. Bovenaan hing een rij rode doeken in de wind.
‘Pek woont daar,’ zei Mare. ‘Ik heb hem gevraagd of we langs mochten komen.’
Ze had het gevraagd voordat ik erom had kunnen vragen.