Hoofdstuk 4 van 32
De man zonder soep
De wasserij begon niet bij een deur. De straat werd gewoon steeds voller.
Eerst hingen er een paar handdoeken boven ons. Daarna moest ik mijn hoofd opzij houden om onder een mouw door te komen. Aan weerszijden stonden open bakken. Er lag een borstel dwars over een rand en er drupte water uit een hoop blauw wasgoed op de stenen. Ik trok mijn schalen dichter tegen me aan.
Mare liep vooruit. Ze hield haar hand een ogenblik boven haar stapel om een deksel tegen te houden. Er streek een laken langs haar gezicht. Toen verdween ze achter het wit.
‘Hierlangs,’ hoorde ik.
Ik zag haar jas nog tussen twee lijnen bewegen en liep erachteraan. Een nat hemd raakte mijn voorhoofd. Ik duwde het met mijn schouder opzij. Toen ik weer kon kijken, hing er vóór me nog een stuk blauwgrijs. Het bewoog naar links. Ik ging ook naar links.
De straat kwam uit op een smalle trap.
Ik keek omhoog. Het blauwgrijze ding verdween achter een balkonleuning. Ik wilde roepen dat Mare even moest wachten, maar ik had niet graag dat de mensen in de ramen hoorden hoe weinig ik van de weg wist.
Ik begon aan de trap. Het was een slecht plan om niet naar mijn voeten te kijken. Het was ook een slecht plan om van de schalen weg te kijken. Ik deed het om de beurt.
Bovenaan stond een man zijn overhemd dicht te knopen. Er zat een open raam achter hem. Aan de leuning hing een rok, precies in de kleur van Mares jas. Hij bewoog heen en weer, zonder ergens naartoe te gaan.
De man keek naar de schalen.
‘Ik had brood,’ zei hij.
‘O.’
‘Dat heb ik al.’
Ik keek langs hem. Er was geen volgende trap, geen deur naar een gang waar Mare al in verdwenen kon zijn. Er was een balkon met één man en een rok.
‘Ik moet bij de wasserij zijn,’ zei ik.
Hij ging op zijn tenen staan en keek over mijn schouder naar beneden. ‘Die is daar.’
Ik draaide me voorzichtig om. Op de andere kant van de binnenplaats kwam Mare achter een laken vandaan. Ze had haar schalen al op een tafel gezet. Nu stond ze met lege handen naar me te kijken.
Ik wilde mijn vrije hand opsteken. Ik had geen vrije hand.
‘Ik kom,’ riep ik.
Bij het afdalen ging het deksel van de bovenste schaal een stukje schuiven. Ik stopte. Met mijn kin hield ik het op zijn plek, wat niet prettig rook omdat de soep zo dicht bij mijn neus kwam. De man zei dat ik met mijn knieën wat moest buigen. Dat deed ik. Ik bleef daardoor in één keer midden op de trap staan.
Mare kwam naar de onderste trede. ‘Geef de bovenste maar.’
Ik zakte nog een beetje door mijn knieën. Ze pakte de schaal. Het verschil in gewicht voelde meteen alsof ik iets kwijt was. Ik kwam overeind en liep de rest naar beneden.
‘Dat was een rok,’ zei ik.
‘Ik zag het.’
Ze zette de schaal weer op mijn stapel. Nu waren we tenminste op de grond.
Een vrouw met opgestroopte mouwen schoof een lage waskar langs ons heen. Hij was leeg, op twee natte knijpers na. Ze trok hem naast de muur en bukte om een doek uit een bak te vissen.
Mare liep naar de tafel met haar andere schalen. Ik ging achter haar aan. Het laken tussen ons en de tafel sloeg ineens bol. Er kwam wind onder, hard genoeg om de onderkant op te tillen. Ik kreeg de witte stof tegen mijn borst en zag alleen nog de vorm van mijn eigen handen erdoorheen.
‘Blijf even staan,’ zei Mare.
Ik hoorde haar naast me, maar wist niet meer aan welke kant. Ik deed een stap achteruit.
Mijn hiel raakte iets. Een wiel tikte over een voeg. Toen hoorde ik de kar rijden.
Hij kwam onder het laken vandaan en ging precies de verkeerde kant op. Niet naar de bakken, maar naar de brede trap aan het einde van de plaats. Ik maakte een halve draai. De schalen bewogen mee. Er klotste soep onder het deksel uit, op mijn vingers.
Ik zette mijn stapel op de eerste rand die ik zag.
Dat was de rand van de kar.
Hij schoot meteen verder.
‘Niet daar!’ riep Mare.
Ik rende achter het ding aan. Met beide handen greep ik de houten zijkant vast. Mijn schoenen gleden over de natte stenen. Het wiel voor me draaide over een scheur. De kar rukte naar voren. Ik ging dieper door mijn knieën en voelde mijn hak eindelijk op een droge plek vastkomen.
Mare stond ineens aan de andere kant. Ze had haar armen om de duwbeugel geslagen. We hielden hem schuin voor de eerste trede tegen.
De bovenste schaal bleef nog even staan.
Toen schoof hij langs de onderste, kantelde en nam die mee.
Het geluid van porselein tegen hout was veel harder dan ik verwachtte. Een dikke stroom oranje soep liep door de spijlen. Mijn broek werd warm. Naast mijn schoen dreef een stukje wortel naar het putje.

Niemand zei iets.
Ik hield de kar nog steeds vast. Mare ook. De vrouw met de opgestroopte mouwen kwam naar ons toe, trok een blok hout uit haar schortzak en schoof het onder het wiel.
‘Nu kan hij niet verder,’ zei ze.
Ik liet voorzichtig los. Mijn vingers deden pijn waar het hout tegenaan had gedrukt.
Er waren geen scherven. De schalen lagen op elkaar, leeggelopen in de kar. De onderste had een barst in het glazuur, maar Mare veegde er met haar duim over en schudde haar hoofd. Die zat er al.
Dat was ongeveer het enige goede nieuws.
De vrouw pakte een emmer. Mare knoopte haar jas los en hing hem over een stoel. Ze keek naar mij en naar de soep op mijn broek.
‘Ben je verbrand?’
Ik schudde mijn hoofd. Het prikte een beetje aan mijn vingers, meer niet. Ze liet me mijn handen onder een straaltje water houden. Daarna gaf ze me een doek.
We maakten eerst de kar schoon. Ik hield de ene kant omhoog terwijl Mare met de doek tussen de spijlen ging. Er bleef soep in een kier zitten. Ik moest hem nog een stukje verder kantelen. Mijn arm begon te trillen. Mare werkte door zonder te zeggen dat ik hem stil moest houden.
Daarna kwam de vloer.
De vrouw ging naar binnen om de overgebleven soep in kleinere kommen te doen. Er stonden inmiddels mensen op de binnenplaats. Ik had hun eten over de tegels verdeeld. Dat maakte het moeilijk om iemand aan te kijken.
Mare knielde naast het putje en duwde de laatste wortel met haar doek los. Ik veegde het water erachteraan. Toen het weg was, ging ik rechtop zitten.
Er waren rode afdrukken in mijn handen. Ik keek naar de trap. Achter de eerste treden verdween hij tussen de huizen. Ik kon niet zien hoe ver hij doorliep.
‘Sorry,’ zei ik.
Mare spoelde haar doek uit. ‘De volgende keer wachten als je niets kunt zien.’
‘Ja.’
Ze wrong de doek uit en hing hem naast de andere. Ik verwachtte dat ze nog iets ging zeggen. Ze pakte alleen de lege schalen en zette ze steviger op elkaar.
De vrouw kwam terug met een kleine kom onder een bord. Er zat nog soep in, voor Ise. Ze gaf er twee stukjes brood bij.
‘Die houdt ze wel recht,’ zei Mare.
Ik nam de kom aan. Deze keer voelde hij veel lichter. Dat was niet doordat ik beter was geworden in dragen.
We gingen terug naar de straat waar we waren overgestoken. De losse strook lag niet meer aan de overkant. Hij stond bijna rechtop. Tussen ons en de stenen ernaast was alleen lucht.
Mare ging op haar tenen staan en keek langs de muur. Ze trok haar jas aan. De natte mouw plakte tegen haar pols.
‘We gaan over Het Binnenplein,’ zei ze.
Ik keek naar het glas boven de huizen. Het blonk ver weg.
‘Is dat ver?’
‘Verder.’
Ze nam de lege schalen onder haar arm en begon te lopen.