Hoofdstuk 18 van 32
Langs de wind
Achter Peks huis liep geen straat. Er lag een smalle strook tussen de achtergevel en een muur die hoger was dan ik. Mare ging er zijwaarts in. Ze hield één hand tegen de gevel, niet om erop te steunen maar om te voelen waar hij verderging.
Ik deed hetzelfde. Mijn knokkels gingen langs ruw voegwerk. Er lag een nat blad op de grond. Ik stapte eroverheen en botste met mijn schouder tegen iets dat uit de muur stak.
Mare draaide zich om. ‘Hier laag.’
Ze boog onder een dwarsbalk door. Ik ging erachteraan. Er schraapte iets over mijn rug. Ik kwam overeind aan de andere kant en draaide me om. Er was geen scheur in mijn trui. Wel stof.
We stonden in een lange, halfopen gang. Links zag ik stroken lucht tussen het hout. Rechts zaten de achterkanten van de huizen, met regenpijpen en kleine raampjes. Eén stond op een kier. Binnen tikte iemand met een lepel tegen een pan.
Mare liep verder. Ik moest mijn voeten achter elkaar zetten op het smalle stuk naast een goot. Er kwam een frisse lucht langs mijn broek. Het rook naar zeep en iets droogs, als de stof die onder een kast ligt.
‘Hier liep ik vroeger naar het plein,’ zei ze.
Ik keek naar het eind. Er hing een deur scheef in een kozijn. Daarachter zag ik een stukje van de lichte muur die we vanuit de plantenkamer hadden gezien.
Mare hield stil bij een opening op kniehoogte. Ze ging op haar hurken zitten. Ik deed hetzelfde. Door het gat zag ik een rij opstaande randen. Niet één straat, maar de zijkanten van verschillende stukken stad, achter elkaar.
Er bewoog iets langs de eerste rand.
Geen voorwerp. Het licht veranderde. Een losse vezel die eraan vastzat, kwam omhoog en werd naar links getrokken. Daarna bewoog de volgende rand. De eerste was alweer stil toen er verderop een strook begon te zakken.
Ik hield mijn hand voor de opening. Er kwam lucht langs mijn vingers. Hij trok niet recht naar me toe. Hij boog weg, met de muur mee.
‘De klank komt daar langs,’ zei Mare.
Ik luisterde. Ik hoorde iets laags in de stenen. Toen was er een korte stilte. Het hogere geluid leek verder weg, terwijl ik wist dat het van dezelfde kant moest komen.
Mare pakte een los draadje van haar mouw en hield het bij de opening. Het trok schuin opzij. Ze verplaatste haar hand. Op een andere plek hing het draadje bijna stil.

Ik keek terug in de richting van Peks werkplaats. ‘Dus daar kan het wel klinken, maar hier komt het anders aan.’
Ze knikte. ‘Niet overal ligt een rand goed.’
We gingen weer staan. Mijn knieën waren stijf geworden van het hurken. Mare duwde de scheve deur open. Hij ging niet ver, maar net genoeg om erlangs te kunnen. Ik hield mijn buik in, wat niet hielp bij mijn schouders. Ik draaide me en kwam erachteraan.
Aan de andere kant was een brede, lege plek.
Ik had een overloop verwacht. Een pad waar ik mijn voeten op kon zetten. Het eerste stuk lag er ook. Het liep tot aan een muur en hield daar op. In de muur zat een rechte afdruk, iets lichter dan de rest.
Mare ging tot aan het einde. Ze legde haar hand op de muur. Ze probeerde niets los te maken.
‘Daar begon de galerij,’ zei ze.
Ik keek naar de lichte afdruk. Hij had de vorm van een leuning. Aan de onderkant zat nog een oude ring in de steen.
‘Van de kas.’
Ze knikte.
Aan de overkant kon ik Het Binnenplein zien. De tafel stond tegen de beschutte muur, net buiten het hardste licht. Er zat iemand aan. Vanaf hier kon ik niet zien wie. De afgezaagde hoek was een lichte punt.
Ik stak mijn hand door de oude ring. Mijn vingers konden er net omheen. Als hier een rand had gelegen, had je hem op deze plek kunnen vastmaken. Je had op dezelfde hoogte naar de losse overgang kunnen doorlopen.
Ik liet los.
‘Dat had voor de pijpen ook gekund,’ zei ik.
Mare keek naar de ruimte tussen de muur en het plein. ‘Misschien.’
Ze zei niet dat dat zeker zo was. Het hoefde ook niet zeker te zijn om me te laten voelen wat er niet meer mogelijk was.
Er kwam een windstoot langs de deur. Hij drukte hem een stukje verder open. Mare zette haar schoen ervoor. Ik ging op de brede rand zitten, ver genoeg van het eind. Mijn handen lagen plat naast me.
Beneden op het plein droeg iemand een stoel naar de tafel. Hij moest hem een beetje schuin zetten, omdat de nieuwe muur langs één kant meer ruimte innam. Het ging gewoon verder. Anders dan voordat de kas verdween.
‘Denk je dat Vina daar blijft zitten als de wind weg is?’ vroeg ik.
Mare trok haar schoen terug en liet de deur tegen haar been rusten. ‘Ze heeft gezegd dat er plaats op het plein is. Mensen kunnen daar komen wonen.’
Ik keek naar de ramen van De Hoge Rij. Eén van die ramen was van Mare. Er hingen rode zakjes achter. Ik kon ze vanaf hier niet zien, maar ik wist op welke hoogte ik ongeveer moest kijken.
‘Jij wilt dat niet.’
‘Ik wil mijn kamer niet kwijt omdat ik mijn moeder wil zien.’
Ik knikte. Ze ging naast me zitten. We praatten een tijdje niet. Ik hoorde haar schoen langs de steen schuiven. Er zat een klein blaadje aan de veter.
Ik dacht aan mijn kamer, waar ik net genoeg ruimte had om de lessenaar uit te klappen. Ik had er woensdag op kunnen blijven zitten zonder iets te doen. Mare moest kiezen waar ze zou blijven als de routes ophielden. Ze had niet ergens een andere wereld waar ze even heen kon om er niet over na te denken.
Toen we opstonden, keek ik verder langs de buitenkant van de huizen. Achter het laatste dak stak een houten trap uit. Hij hing los van de gevel en kwam ergens lager weer bij een rand.
‘Wat is daar?’ vroeg ik.
Mare volgde mijn blik.
‘De buitenkant.’
‘Kun je daar komen?’
Ze bleef kijken. ‘Niet langs deze muur. Wel om die huizen heen.’
Ik ging niet alvast de deur door. Ik keek tot ze haar hand van de muur haalde en met haar schouder de scheve deur opzij hield.
Terug in de gang raakte ik niet meer met mijn rug de dwarsbalk. Ik boog op tijd. Ik wist nu waar hij zat.