← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 3 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 3 van 32

Een schaal hoort recht

Mare begon niet meteen over het orgel.

Ze liep naar een deur met een raam waar de onderste helft van beslagen was. Binnen schoof iemand iets zwaars over een tafel. Toen ze de deur opendeed, kwam er warme lucht naar buiten, met de geur van iets wat ik nog niet had gegeten maar wel wilde.

‘Je bent laat,’ zei een vrouw.

‘Ik weet het.’

‘Dan hoef ik het tenminste niet twee keer te zeggen.’

De vrouw stond voor een rij kommen. Aan haar schort hing een theedoek die aan één kant bijna de grond raakte. Ze pakte hem op, veegde haar handen eraan af en wees naar twee stapels schalen op de tafel.

‘De hoge naar de wasserij. De lage naar Ise.’

Mare knikte en tilde de eerste stapel op. Onder de bovenste schaal zat een doek, dubbelgevouwen tegen de hitte. Ik hoorde de inhoud bewegen toen ze hem optilde.

De vrouw keek naar mij.

‘Die is niet besteld.’

‘Hij komt uit de zaal,’ zei Mare.

‘Dat verklaart de schoenen.’

Ik keek naar mijn sneakers. Ze waren niet bijzonder. Er zat links een los stukje rubber aan de neus. Roos zei dat het leek alsof de schoen iets wilde zeggen maar het steeds vergat.

De vrouw had zich al omgedraaid. Ze pakte een deksel en zette hem op de laatste schaal.

‘Kun je iets vasthouden?’ vroeg Mare.

Ik strekte mijn handen uit. Ze zette de lage stapel erin. Hij woog meer dan ik verwachtte. Ik trok hem tegen mijn buik en voelde door het porselein hoe warm de soep was.

‘Niet zo schuin.’

Ik hield hem rechter.

‘Ook niet zo stijf. Je mag blijven ademen.’

Ik probeerde het tegelijk te doen.

We liepen weer naar buiten. De straat was niet veranderd terwijl we in de keuken waren geweest. Dat vond ik geruststellend en meteen daarna een nogal lage eis aan een straat.

Mare hield haar stapel tegen één heup. Ik durfde nog niet eens mijn duim te verplaatsen.

‘Wie is Ise?’ vroeg ik.

‘Mijn moeder.’

‘Wonen jullie niet bij elkaar?’

‘Niet iedere dag.’

Ze ging vóór een uitgestoken plank langs, die uit een deur kwam alsof iemand hem daar even had uitgelaten. Aan het uiteinde hing een emmer. Ik moest zijwaarts om er niet tegenaan te lopen.

‘Zij woont op Het Binnenplein,’ zei Mare. ‘Ik woon bij mijn vader in De Hoge Rij. Daar is mijn kamer. Waar woon jij?’

Ik wees achterom, wat niet veel hielp.

‘In een bovenwoning. Twee straten van de zaal.’

‘Twee van deze straten?’

‘Nee. Andere.’

Ze keek me aan en begon te lachen.

‘Ik ben niet zo goed in uitleggen waar ik woon,’ zei ik.

‘Misschien moet je het gaan zoeken.’

Links van ons werd het pad smaller. Tussen twee huizen door zag ik een rij ramen boven elkaar, zo hoog dat ik mijn hoofd in mijn nek moest leggen om de bovenste te zien. Er hingen galerijen aan, met leuningen in verschillende kleuren. Een vrouw stond ergens halverwege een kleed uit te kloppen. Het stof kwam een verdieping lager terecht, waar iemand haar onmiddellijk iets toeriep.

‘De Hoge Rij,’ zei Mare.

‘Je woont dáár?’

‘Niet in die ramen allemaal. Eén is genoeg.’

Verderop liep een brede, lichte strook door de stad. Erboven blonk glas. Ik zag iets groens achter de ruiten, veel meer groen dan er tussen de huizen beneden groeide.

‘Het Binnenplein,’ zei Mare. ‘En dit hier is De Rand.’

Ik draaide me half om. De boog kon ik al niet meer zien.

‘Je onthoudt het wel,’ zei ze. ‘Terug is gewoon weer die kant op. Je hoeft niet te spelen als je terug wilt.’

Mijn handen zaten om de schalen geklemd. Op dat moment leek me dat een uitstekend onderdeel van de stad.

Aan het eind van de straat stond een jongen een visnet over een balkonleuning te trekken. Er zat geen vis in. Er zat een lepel in die hij met zijn vinger probeerde los te peuteren. Mare riep dat hij het net eerst moest laten hangen.

‘Dat doe ik,’ riep hij terug.

Hij trok eraan. De lepel draaide een halve slag en bleef nog beter vastzitten.

Mare zette haar stapel op een stenen vensterbank. Ze vroeg mij of ik kon wachten en liep het korte trapje naar het balkon op. Boven pakte ze het net niet van hem over. Ze wees naar een opening. Hij schoof de steel erdoor. De lepel viel op de stoep.

Ik ving hem niet op. Ik had soep.

‘Je zou hem laten hangen,’ zei Mare toen ze weer beneden was.

‘Ik had gedacht dat het sneller kon,’ zei de jongen.

Dat leek me een redelijke gedachte. Het was ook meestal mijn eerste.

We liepen verder. Mare had haar stapel weer opgepakt en stapte nu sneller. Mijn vingers werden warm. Ik vroeg of de schalen wel echt allemaal tegelijk moesten. Ze zei dat we er ook drie keer over konden doen, als ik het lopen zo leuk vond.

Ik hield mijn mond.

Bij een hoek stond het huis boven ons ineens een stukje terug. Het pad erlangs eindigde aan de ene kant in een opstaande rand. Aan de overkant begon een andere straat. Er zat ruimte tussen. Ik kon naar beneden kijken, waar nog een dak lag en een blauwe deur. Dat hielp niet.

Mare bleef staan.

Er kwam een wind door de smalle doorgang. Mijn haar bewoog. Iets floot langs de rand van het huis, laag en dan hoger, bijna zoals wat ik in de zaal had gespeeld. De opstaande strook voor ons zakte langzaam naar de overkant. De rand raakte steen. Niet met een klap, maar met een kort, dof tikje.

Mare liep erop.

Ik bleef staan tot ze zich omdraaide.

‘Een schaal hoort recht,’ zei ze. ‘Ook als je naar beneden kijkt.’

Ik trok mijn blik omhoog en zette mijn schoen op de strook. Hij voelde steviger dan hij eruitzag. Dat gold helaas ook voor de schalen in mijn handen. Ik kon me nergens aan vasthouden.

Mare wachtte op de andere kant. Ze keek niet alsof ze een groot wonder stond te bekijken. Ze keek of ik de soep ging laten vallen.

Ik zette nog een stap. Toen nog één. Aan de overkant voelde mijn knie slap. Ik ging heel even tegen de muur staan, zo voorzichtig dat het deksel bijna niet bewoog.

‘Die zat niet met een haak vast,’ zei ik.

‘Nee.’

‘En toch loop je erop.’

Mare keek naar de strook. Een hoekje was alweer een beetje opgelicht.

‘Wanneer de wind hem goed legt, wel. Maar je moet niet middenop gaan zitten wachten.’

Dat was ik ook niet van plan geweest.

Verderop klonk gelach. Er wapperde een witte mouw tussen twee muren. Toen verdween de hele doorgang achter een laken dat opbolde alsof er iemand heel diep inademde.

‘De wasserij,’ zei Mare. ‘Hou je deksels vast.’

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.