Hoofdstuk 8 van 32
De Hoge Rij
Voor we naar boven konden, moesten we wachten op een bed.
Het kwam met het voeteneind eerst de trap af. Een man liep erachter en een vrouw ervoor. Ze hadden allebei hun armen om een hoek geslagen en konden elkaar niet zien. Telkens als de vrouw zei dat het ging, botste er boven iets tegen de muur.
Mare zette haar tas op een trede. Ze wachtte tot het voeteneind naast haar kwam en hield het een stukje van de leuning. De vrouw stapte over een bobbel in de trap. Toen kon de man zijn kant lager laten zakken.
We gingen pas naar boven toen het bed op straat stond. Roos keek hoe de man zijn vingers één voor één losmaakte.
‘Ik zou beneden gaan slapen,’ zei ze zacht.
‘Dat gaan ze ook,’ zei Mare.
De trap draaide verder omhoog dan ik vanaf de straat had kunnen zien. Aan de binnenkant zat een leuning. Aan de buitenkant stonden huizen, alsof de trap voor hen langs was gelegd in plaats van andersom. Voor een paar deuren lagen matten. Bij andere moest je over een krat stappen.
Halverwege bleef Mare staan. Ze wees naar een raam met een blauwe rand. Achter het glas hingen twee kleine rode zakjes aan een touwtje.
‘Daar woon ik.’
Roos ging op haar tenen staan om naar binnen te kijken. Ik bleef met mijn hand aan de leuning staan. Ik had niet gerekend op hoeveel je van de stad kon zien zodra je een beetje omhoogging. Het glas van de kas lag aan de andere kant van de daken. In de straten ertussen bewogen mensen die niet wisten dat ik naar ze keek.
Mare deed haar voordeur open en riep iets naar binnen. Er kwam antwoord uit een andere kamer. Ze zei dat ze bij Pek ging kijken en trok de deur weer achter zich dicht.
‘Mijn vader,’ zei ze.
Ze zei het niet alsof we hem nu moesten ontmoeten. We liepen door. Roos vroeg naar de rode zakjes. Er zaten stenen in, vertelde Mare, die in de wind tegen de raamrand tikten als je ze niet opbond. Ze had ze zelf opgehangen. Haar vader vond het geluid vervelend. Daarom zaten ze nu vast.
Verderop liep de trap uit op een smalle galerij. Er stond een stoel met maar drie poten voor een deur. Op de zitting lag een stukje hout met een naam erop. Mare tilde hem op en droeg hem naar binnen.
Pek zat met zijn rug naar ons toe. Hij hield iets tussen zijn knieën en had een bril op het puntje van zijn neus. Toen hij zich omdraaide, zag ik dat het een houten paardje was. Het stond op vier kleine wielen. Eén houten been erboven was afgebroken.
‘Zet maar daar,’ zei hij.
Mare zette de stoel op de enige lege plek aan de wand. Pek bekeek hem zonder op te staan. Toen zag hij ons.
‘Jij bent Idris.’
Ik knikte. Hij wist het al. Dat voelde prettig. Ik had de hele dag op school gezeten terwijl hier blijkbaar mijn naam was gebruikt.
Pek legde het paardje neer. Zijn werkplaats rook naar zaagsel en leer. Aan de muur hingen gereedschappen die ik herkende en dingen waarvan ik niet wist aan welke kant je ze vast moest pakken. Er stond een diepe kast met bakjes. Elk bakje had een ander handvat.
Roos liep naar een vogel die op zijn rug op een plank lag. Er stak een veer uit zijn buik. Niet een vogelveer, maar zo'n opgerold metalen ding.

‘Die heeft hij ingeslikt,’ zei ze.
Pek zette zijn bril hoger. ‘Dat is zijn motor.’
Ze hield haar handen op haar rug en keek verder. Mare pakte een potje van de tafel. Er lagen dunne pijpjes in, met gaatjes op verschillende plekken.
Pek nam er twee uit. Hij blies op het eerste. Er kwam een hoog geluid uit. Hij wachtte en blies op het andere. Het klonk nog hoger. Boven mijn hoofd rammelde een los stukje gereedschap tegen de wand, maar verder gebeurde er niets.
‘Ik hoor het wel,’ zei ik.
‘Ik ook.’ Hij legde ze neer. ‘Maar het is niet wat door de stad komt.’
Hij wees naar de open deur. Achter de leuning bewoog een rode doek. Toen zakte hij weer tegen de muur.
‘Er zit ruimte tussen die twee tonen,’ zei Pek. ‘Niet alleen een verschil in hoogte. Je voelt iets langs de randen gaan. Met deze krijg ik het niet.’
Ik pakte een pijpje op. Het was licht. De onderkant was ruw waar hij uit het hout was gesneden. Ik keek naar het gat bovenaan en dacht aan mijn riet. Daar had ik gisteren al genoeg moeite mee gehad.
‘Misschien hebben jullie grotere nodig,’ zei ik.
Pek knikte. ‘En wind. Niet alleen zoveel als ik in mijn longen heb.’
Hij hield zijn platte hand boven de pijpjes. Hij legde uit dat hij ze na elkaar wilde kunnen laten klinken zonder alles telkens opnieuw vast te pakken. Bij de ene had hij een stukje leer om de onderkant gebonden. Het hing slap langs het hout. Het was nog nergens op aangesloten.
Ik zag de koffer in de hal van het centrum weer voor me. De twee houten pijpen lagen in een zachte doek. Lea had ze voorzichtig neergelegd. Het waren echte onderdelen, geen dunne fluitjes.
‘Boven is iemand,’ zei ik. ‘Lea. Die werkt aan het orgel. Zij heeft losse pijpen.’
Mare keek op.
Ik vertelde over de koffer en over de afspraak met Nora. Dat Lea de spullen die middag weer kwam ophalen. Pek schoof zijn bril een stukje hoger. Hij wilde weten hoe groot de pijpen waren. Ik hield mijn handen uit elkaar en maakte de afstand nog iets groter.
‘Zoiets.’
‘Heb je haar gevraagd wat het zijn?’
Ik schudde mijn hoofd. Dat was gisteren geen vraag geweest die ik had willen stellen. Gisteren had ik nog gedacht dat er alleen een muur achter de bank zat.
Pek stond op en zette het potje met zijn eigen pijpjes terug in de kast. Hij wreef met zijn hand over de bovenkant van de driepotige stoel.
‘Ik kan straks wel mee kijken.’
‘Straks?’ vroeg ik.
‘Gerrit komt zijn stoel halen. Hij zit er iedere avond op. Dan moet er wel iets onder zitten.’
Hij legde een stuk hout op de werkbank en tekende er met een potlood een streep op. Er zat geen haast in zijn handen. Het was alsof hij niet begreep dat de koffer boven weggehaald kon worden terwijl hij hier aan een stoelpoot werkte.
‘Ik kan zelf terug,’ zei ik.
Mare zette haar tas op haar schouder. ‘Dan gaan we langs de buitenste trap. Die wind komt daar nu.’
Pek knikte. Hij pakte een schaaf van de wand. Het eerste dunne krulletje hout viel naast zijn schoen.
Roos wilde nog iets over de vogel vragen. Ik liep alvast naar de deur. Ze kwam achter me aan en keek naar de trap. Er was geen bed meer. Alleen al die treden.
‘Moeten we helemaal terug naar beneden?’ vroeg ik.
Mare wees naar een smalle doorgang achter de laatste deur. ‘Daar kun je langs. Dan kom je aan de andere kant van de wijk.’
‘Dat is toch ook om?’
Ze keek naar de lage, dichte boog onder ons. Er zat een dikke knoop tegenaan, bijna in de schaduw van de galerij.
‘Die is korter,’ zei ze. ‘Maar die gebruiken we niet.’