← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 11 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 11 van 32

Lea is niet verdwenen

We gingen pas terug toen Mare zei dat de wind bij de onderste overgang zou liggen.

Ik vroeg niet meer welke weg we namen. Het was de lange route terug door De Hoge Rij. Aan het eind kwamen we bij de nieuwe straat die ik had gemaakt. Hij liep vlak door waar eerst een bocht langs de huizen had gelegen. De stenen stonden niet scheef. Ik kon er gewoon op lopen.

Dat maakte het erger.

Mare ging voor ons uit tot we de vrije overgang naar De Rand zagen. Hij lag nog niet goed. De buitenste hoek stak een beetje omhoog. We wachtten bij de leuning tot de vlaag langs de gevel kwam. Toen zakte de hoek op de andere kant.

Ik wilde snel oversteken. Ik wilde er ook niet op. Roos liep achter Mare aan en ik volgde. Op de andere kant zette ik mijn hand tegen de muur. Ik zag haar kijken, maar ze vroeg niet of het ging.

De boog naar de zaal was er nog. Het licht achter het koper leek heel wit. De straat zelf rook naar eten. Dat vond ik bijna onbeleefd van de straat.

Mijn klarinet lag onder het afdak. Ik tilde hem op. Mare bleef staan bij de plek waar hij had gelegen.

‘Ik kan morgen—’ zei ik.

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik moet terug naar het plein.’

Ik knikte. Er was niets wat ik kon zeggen zonder haar nog langer op te houden. Ze ging weg voordat Roos en ik door de boog stapten.

In de zaal stonden drie stoelen midden op de vloer. Er lag een bezem op de bank. Ik hoorde Nora achter de bar met iemand praten. De klok boven de deur was nog geen vijf uur.

De koffer met de houten pijpen stond niet meer in de hal.

Ik ging naar de balie. Op het blad lag een nat kringetje van een beker. Verder niets. Nora kwam uit de keuken met twee theedoeken over haar arm.

‘Lea is er nog niet,’ zei ze.

Ik keek op.

‘O.’

‘Ik heb die koffer achter de bar gezet. Hier liep iedereen ertegenaan.’

Ze keek naar mijn trui. Er zat aarde op mijn borst en op allebei mijn mouwen. Ik zocht een schone plek op mijn trui om mijn handen aan af te vegen. Overal zat aarde.

‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ze.

Roos ging naast me staan. Ik had het prettig gevonden als ze het vertelde. Dan kon ik zeggen dat het zo niet helemaal was gegaan. Ze zei niets.

‘Ik heb een doorgang opengemaakt,’ zei ik.

Nora wachtte.

‘Er zat een kamer boven. Een kas. Die is nu weg.’

Ze liet de theedoeken zakken. ‘Zijn er mensen gewond?’

‘Nee.’

Ik was blij dat ik dat wist. Meteen daarna schaamde ik me omdat ik er blij om was terwijl Vina buiten zat met haar tafel.

‘Er zijn planten,’ zei ik. ‘En de spullen waren eruit. Maar niet…’

Ik hield op. Ik kon moeilijk zeggen dat de kamer niet buiten stond. Dat was precies wat een kamer was: een plek waar je binnen kon zijn.

Nora liep naar de zaal. Roos ging mee. Ik bleef bij de balie staan. Toen liep ik achter hen aan. Ik moest zelf laten zien waar het was gebeurd.

We gingen bij de boog staan. Nora knielde en keek de straat in. Het blauwe huis was zichtbaar. Van de kas zag je hier niets. Je kon aan deze plek niet merken wat ik had gedaan.

‘Mare is terug naar haar moeder,’ zei ik.

Nora knikte. Ze kwam overeind en legde haar theedoeken op een stoel.

‘Van wie was die kas?’

‘Van Vina. Zij zorgt ervoor.’

‘Heb je met haar gesproken?’

‘Ik heb verteld dat ik het was.’

‘Goed.’

Dat betekende niet dat ze het goed vond. Ik hoorde het verschil. Ze keek naar de aarde op mijn handen en wees naar de wc's. Ik ging mijn handen wassen. Er bleef zwarte aarde onder mijn nagels zitten, hoeveel zeep ik ook gebruikte.

Toen ik terugkwam, zat Roos op een stoel naast mijn koffer. Nora hield haar telefoon vast.

‘Ik bel Lea even,’ zei ze. ‘Zij weet wat ze met die spullen van plan was.’

Ik wilde zeggen dat dat niet meer hoefde. Ik had een hele kamer laten verdwijnen om ergens op tijd te komen. Nu leek het beter als ik niet alsnog een vriendelijke stem uit een telefoon kon krijgen.

Nora belde.

Het duurde drie keer overgaan. Toen nam Lea op. Ik hoorde haar stem door de kleine luidspreker. Er kwam verkeersgeluid achteraan. Nora vertelde dat we iets wilden vragen over de losse pijpen. Ze vertelde niet meteen het hele verhaal. Ze vroeg of Lea tijd had om even langs te komen als ze de spullen ophaalde.

‘Dat kan,’ zei Lea. ‘Over een kwartiertje ongeveer. Of anders morgen bellen. Maar als jullie er toch zijn…’

Ze maakte de zin niet af. Ze sprak nog iets met Nora af en hing op.

Een kwartier.

Of anders morgen bellen.

Ik ging op een stoel zitten en pakte de wisser uit mijn koffer. De klarinet lag nog in zijn geheel op de zitting ernaast. Ik haalde hem uit elkaar. Een stukje kurk schuurde stroef bij het losdraaien. Ik stopte, zette mijn vingers anders en probeerde het opnieuw.

Roos hield mijn koffer open. Ik keek niet naar haar gezicht. Ik legde het ene stuk op zijn plek en daarna het volgende.

‘Ik dacht dat ze anders weg was,’ zei ik.

Roos bleef naar het instrument kijken. ‘Je had het niet gevraagd.’

Ik knikte.

Lea kwam binnen toen ik het deksel dichtdeed. Ze zag onze gezichten en zette haar tas op de grond. Nora pakte drie stoelen. We gingen niet in een kring zitten. We bleven bij de balie, met één stoel in de weg voor de deur naar de keuken.

Ik vertelde wat Pek had gemaakt. Ik zei dat er geen goede tonen uitkwamen. Ik vertelde ook van de kas. Ik kon dat deel niet tussen twee andere dingen verstoppen. Toen ik de woorden had uitgesproken, bleef het even stil.

Lea vroeg waar de mensen nu waren. Ik zei dat de planten in een kamer stonden en dat Vina haar tafel buiten had. Ze trok haar wenkbrauwen samen. Ze zei niet dat het wel goed kwam.

Daarna opende ze de koffer achter de bar. Ze legde één van de houten pijpen op de doek en liet de onderkant zien. Ik keek ernaar zonder hem aan te raken.

‘Deze moeten lucht krijgen,’ zei ze. ‘Op de goede plek, niet zomaar langs het gat. En je moet ze kunnen neerzetten zonder dat iemand ze omgooit. Ik kan kijken wat ik heb om tijdelijk mee te geven. Maar ik wil eerst zien waar jullie het over hebben.’

Nora ging met haar naar de boog. Roos stond op en liep achter hen aan. Ik bleef zitten tot Lea mijn naam zei.

Ik stond op en liep naar haar toe.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.