← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 17 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 17 van 32

Wat er wel klonk

Op zaterdag moest Roos naar haar tekenatelier. Ze stuurde een foto van een vlek op papier die volgens haar een hond moest worden.

Ik schreef dat het goed ging als de hond in brand stond. Ze stuurde een hand terug waarvan alleen de middelvinger omhoogging. Daarna kwam er een tweede bericht: Tot straks misschien.

Ik ging met mijn koffer naar het centrum. Nora deed de zaal voor me open en wees dat de mat inmiddels helemaal naar de opslag was verhuisd. Er stond niets meer voor de boog.

Mare kwam me bij de vastgezette straat tegemoet. Ze had geen schalen of planten bij zich. Er zat alleen een opgerold stuk stof onder haar arm. Ik vroeg waar dat voor was. Ze zei dat Pek het nodig had om iets niet te laten rammelen.

Bij de vrije overgang naar De Hoge Rij moesten we wachten. Ik zette de koffer naast mijn voeten. Ik had hem dit keer wel meegenomen. Pek wilde horen welke tonen ik gebruikte. Mare ging op de leuning zitten en trok haar schoen strakker.

‘Hoe is het met de planten?’ vroeg ik.

‘Eentje hangt. De rest staat nog.’

‘Die ene grote?’

Ze knikte. Ik wist welke ze bedoelde. Ik vroeg niet of hij het nog kon redden. Dat had ik Vina gisteren al gevraagd. Ik had het antwoord niet beter gevonden omdat ik de vraag nog een keer stelde.

In Peks werkplaats was de plank opgeruimd. De twee houten pijpen stonden rechtop in een houder. Er zat stof tussen het hout en de klemmen, zodat ze niet tegen elkaar tikten. De balg lag op een lage bank. De onderste plank zat vast. Je kon de bovenste optillen zonder dat het hele ding meekwam.

Pek liet me de zijkant zien waar een kier had gezeten. Hij had er leer overheen gelegd. Er zat nog een donkere plek omheen van de lijm.

Ik zette mijn klarinet in elkaar. In de werkplaats voelde dat anders dan in de zaal. Er waren zo veel dingen om tegenaan te stoten. Ik ging in de deuropening staan, met mijn rug naar de galerij. Pek ging bij de balg zitten. Mare hield de deur opzij.

Ik speelde de lage toon. Ik ademde en speelde de hogere. Het klonk klein tussen het hout en de gereedschappen.

Pek luisterde tot ik klaar was. Hij wees naar de lange pijp. Mare ging ernaast staan. Aan de voet zat een eenvoudige klep met een handvat. Ze hield hem nog dicht terwijl Pek de balg opentrok.

‘Nu,’ zei hij.

Mare opende de klep. De toon kwam er ineens uit, veel voller dan uit de kleine pijpjes die eerder in het potje hadden gezeten. Ik voelde hem in mijn borst. Hij hield niet lang aan. Pek liet de lucht wegvallen en keek naar zijn handen.

Hij probeerde de balg opnieuw. Daarna kwam de andere pijp. Die klonk hoger, helder genoeg om boven het geluid van de straat uit te komen. Er rammelde iets in een kastje. Mare legde het stuk stof ertussen.

Ik glimlachte voordat ik wist of dat al mocht.

Pek stond op en ging naar buiten. We volgden hem. Aan de overkant van de galerij lag een strook steen half tegen de muur opgevouwen. Hij hing los van een oud afdak. Ik had hem nog niet eerder zien bewegen.

Pek keek naar Mare. Ze ging weer naar de kleppen. Hij zat op de lage bank en bracht lucht op de balg. Ik bleef in de deuropening staan, met de klarinet in mijn hand.

Eerst de lage toon.

Een ogenblik stilte.

Daarna de hogere.

De losse strook kwam van de muur. Hij zakte naar buiten, langzaam, met één hoek lager dan de andere. Het was alsof de stad zijn schouder naar ons keerde. Ik ging een stap naar voren.

De hoek hield op met dalen.

Hij raakte de overkant niet. Er zat nog ruimte tussen. Onder de ruimte zag ik een dakgoot, waar een paar dorre bladeren in vastzaten.

Pek hield op. De toon verdween. De strook bleef nog even schuin hangen en kwam toen langzaam terug tegen de muur.

Ik keek naar de balg.

‘Misschien moet je de ene eerder dichtdoen,’ zei ik.

Mare keek naar de kleppen. ‘Dat deed ik.’

‘Of de andere iets langer.’

Pek streek met zijn hand over het leer. Hij zei dat hij eerst wilde voelen of ergens lucht weglekte. Hij ging niet harder drukken. Hij bekeek de aansluiting en liet de balg nog eens opkomen, zonder een klep te openen.

Er kwam iemand de trap op met het houten paardje. Een kleine jongen, met zijn hand stevig om de romp. Hij hield het voor Pek omhoog en liet een wiel draaien dat te stroef ging.

Mare keek hem aan. ‘Tobbe. Hij is net klaar.’

‘Hij reed eerst beter.’

Pek nam het paardje niet meteen over. Hij liet Tobbe zien hoe de ene kant van de as achter een randje klemde. Tobbe draaide het wiel de andere kant op. Nu ging het wel.

Ik stond nog steeds met mijn instrument in de hand. Naast mij was een stuk straat bijna gaan liggen. Voor Pek stond iemand die een paardje wilde laten rijden.

Tobbe ging op zijn hurken zitten en duwde het over de vloer. Het reed tegen mijn schoen. Hij pakte het op en zette het de andere kant op.

Mare deed de deur wat verder open. ‘Ik ga met Idris lopen,’ zei ze tegen Pek. ‘We komen zo terug.’

Ik keek naar haar. ‘Moeten we niet eerst—’

‘Je kunt hem hier neerzetten.’

Ze wees naar de lege plek op de bank. Ik keek naar Pek. Hij zat met de balg tussen zijn knieën en voelde langs een naad. Hij had geen extra handen nodig.

Ik haalde mijn klarinet uit elkaar en borg hem op. De koffer zette ik naast de kast, waar niemand er met een paardje tegenaan kon rijden.

Buiten waaide er een velletje van de galerij. Mare ving het met haar schoen tegen de leuning. Ze tilde het op en schoof het onder de deur waar het vandaan kwam.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.

Ze wees langs de huizen. ‘Daar waar ik altijd liep.’

Ik keek naar de strook die weer tegen de muur lag. Hij zag er net zo uit als toen we kwamen. Ik had hem kunnen blijven bekijken tot ik iets bedacht wat Pek verkeerd deed.

Mare liep al. Ik liet mijn hand van de leuning glijden en ging achter haar aan.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.