Hoofdstuk 6 van 32
Het raam dat een deur was
‘Je kunt het haar wel vertellen,’ zei ik toen we buiten de kas stonden.
Mare keek over haar schouder. Haar moeder ruimde de stoel op waar ze op had gezeten.
‘Van het orgel.’
‘Ik moet eerst weten wat je bedoelt.’
Ik vertelde dat het werd opgehaald. Niet omdat het stuk was, niet om het even ergens neer te zetten terwijl de vloer werd geschilderd. Het ging naar een andere zaal. Lea had er gereedschap voor meegenomen. Nora had een kar voor de deur gezet.
Mare trok de band van haar lege tas hoger over haar schouder.
‘Maar daar spelen ze dan toch ook?’
‘In die andere zaal wel.’
Ze keek naar de huizen rond het plein. Ik probeerde me voor te stellen hoe ver die andere zaal hiervandaan zou zijn. Ik wist het niet eens in mijn eigen stad, laat staan vanaf hier.
‘Wat gebeurt er als er niet gespeeld wordt?’ vroeg ik.
Mare liep verder. ‘Dan blijven we waar we zijn.’
Ze zei het zo gewoon dat ik even dacht dat het niets bijzonders was. Iedereen bleef wel eens thuis.
Bij de deur van Ise bleef ze staan. Ze tikte tegen het raam. Haar moeder keek op. Mare vertelde het nu toch. Niet alles wat ik had gezegd. Alleen dat het orgel binnenkort niet meer terugkwam.
Ise legde haar naald op een doek. Ze kwam naar de deur, maar vroeg niet meteen wat we van plan waren. Ze keek naar de hoge ruiten boven het plein.
‘Ga eerst maar terug,’ zei ze tegen Mare. ‘Vertel het thuis ook. Morgen kom je hier weer.’
Mare knikte. Ze raakte met haar hand even de mouw van haar moeders jas aan en liep toen door.
Ik volgde haar langs de rand van het plein. Bij een plantenbak sloeg ze rechts af. Het was niet de weg waardoor we binnen waren gekomen.
‘Zo is korter,’ zei ze. ‘Nu er nog wind is.’
Ik kreeg vanzelf het gevoel dat ik sneller moest lopen. Mare deed dat niet. Ze keek naar de gevel aan de overkant, waar een sliert groen langs een raam bewoog. Toen ging ze een trapje op dat achter de plantenbak zat.
Boven stond een smalle doorgang open. Hij sloot niet helemaal vlak aan op de andere kant. De rand lag een beetje over de stenen heen, alsof iemand een kleed niet goed had rechtgetrokken.
Mare zette haar voet erop en drukte hem naar beneden.
‘Hier even opletten.’
Ik ging achter haar aan. Aan de overkant zette ze de lege schalen neer die ze nog steeds droeg. Ze had ze meegenomen zonder dat ik eraan gedacht had. Ik had de hele tijd alleen naar huizen gekeken.
Ze nam er een doek uit en veegde haar handen af. Door de doorgang zag ik nog een stukje van de kas. De ruiten glansden geel. Toen schoof er een dakrand voor.
Ik draaide me om.
‘Die beweegt nog,’ zei ik.
‘De losse blijven niet zo liggen,’ zei Mare. ‘We zijn erover.’
Aan deze kant liepen we over gewone stenen. Er was een scheur met mos erin en iemand had een emmer buiten gezet om een druppelende goot op te vangen. Toen we om de hoek kwamen, zag ik het blauwe huis met de scheve brievenbus.
Ik herkende de kat. Hij zat nog in de kom. Alleen zijn kop lag nu op de andere rand.
De boog stond even verderop, op de plek waar we hem hadden achtergelaten. Daarachter was de zaal lichter geworden, of de stad donkerder. Ik zag mijn lessenaar en de stoel. De koffer stond er niet meer op.
Mijn hart sloeg een keer veel harder.
Toen zag ik Roos in de hal lopen met de koffer in haar hand. Ze zwaaide naar iemand die ik niet kon zien.
De klarinet lag nog onder het afdak. Ik tilde hem op. Het metaal voelde koud tegen mijn vingers.
‘Morgen?’ vroeg Mare.
Ik keek van haar naar de boog.
‘Ik moet naar school.’
‘Ik ook.’
Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht.
‘Daarna kan ik wel,’ zei ik.
Ze knikte en ging met haar rug tegen het blauwe huis staan. Ik stapte door de boog. Mijn linkerschoen raakte vloerbedekking. De andere stond nog op steen. Ik keek naar de klok boven de tussendeur.
Halfzes was het nog niet. Bijna wel.
Ik haalde mijn andere voet naar binnen. Er klonk geen noot. Er was ook niets wat ik moest vasthouden. Alleen mijn klarinet, die ik bijna tegen de bank stootte omdat ik achterom bleef kijken.
Mare had haar hand opgestoken. Ik deed hetzelfde met de hand die ik net even kon missen. Daarna tilde ik mijn lessenaar op en liep naar de hal.
Nora kwam me tegemoet met een bak bekers.
‘Heb je fijn kunnen spelen?’
‘Niet heel veel.’
Dat was volkomen waar. Het klonk alleen niet als een goede verklaring voor mijn broek.
‘Er stond soep op,’ zei ik toen ik haar blik zag.
Nora zette de bak op de balie. ‘Hier niet.’
Ik wees naar de zaal.
Roos kwam terug van de voordeur. Ze keek naar mijn been, mijn instrument en het lege plekje waar mijn koffer had gestaan.
‘Ik heb hem niet laten vallen,’ zei ze.
Ik nam hem van haar over. Mijn handen bewogen vanzelf terwijl ik het instrument uit elkaar haalde. Alleen het riet bleef even tussen mijn vingers hangen. Ik was vergeten hoe dun het was. Toen de koffer dichtzat, nam Roos hem van me over. Ik pakte mijn lessenaar.
Nora liep naar de tussendeur. De mat naast de bank was een stukje verder afgerold. Ze zette de bak neer en keek achter de bank.
‘Wat is daar?’ vroeg ze.
Ik liep naast haar.
Mare stond er nog. Toen Nora op haar hurken ging zitten, kwam Mare dichterbij. Ze zei haar naam. Nora hield één hand op de bank en zei haar eigen naam terug.
Er volgde een stilte waarin ik voor het eerst naar het gezicht van een volwassene keek om te zien of alles nog klopte.
Nora stak haar hand naar het koper uit. Ze raakte het aan en trok hem weer terug. Ik zei dat ik erdoorheen was geweest. Roos zei dat ze dat had gezien.
‘Ik zie huizen,’ zei Nora.
Niemand zei iets grappigs terug.
Ze keek naar mij en toen weer naar Mare. ‘Morgen ben ik hier weer,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dan moeten we even verder kijken. Ik moet zo de voordeur afsluiten.’
Mare knikte. Ze zei dat ze dat begreep. Het was blijkbaar prettig dat iemand nog iets wist wat hij gewoon moest doen.
Nora rolde de mat op en zette hem een stukje verderop tegen de wand. Niet voor de boog. Daarna kwam ze overeind en pakte de bak bekers weer.
Ik hielp haar hem naar de bar te dragen. Roos nam de andere kant. Er kwamen dingen in mijn hoofd die ik allemaal tegelijk wilde vertellen. De kas. Het pad. De soep die geen bestemming had bereikt. Ik begon nergens aan.
‘Zou ik hier vaker mogen oefenen?’ vroeg ik in plaats daarvan.
Nora bleef staan.
‘Niet alleen morgen. Gewoon op een vaste tijd. Als er een andere kamer is, mag dat ook.’
‘Ik zal kijken,’ zei ze. ‘Ik kan niets beloven.’
Ik knikte. Deze keer had ik het tenminste zelf gevraagd voordat iemand anders bedacht dat ik het nodig had.
Op de stoep gaf Roos me de koffer terug. Ze had hem heel even aan haar andere hand genomen omdat hij zwaarder was dan hij eruitzag.
‘En?’ vroeg ze.
Ik keek naar de dichte voordeur van het centrum. Ik had bijna twee uur dingen meegemaakt waarvoor ik nog geen handige volgorde had.
‘Er woont iemand die Mare heet,’ zei ik.
‘Dat had ik al.’
‘Ze woont niet bij haar moeder. Aan die kant van de stad. Ze moet er een heel eind voor lopen.’
Roos schoof haar handen in haar jaszakken. We begonnen aan onze gewone omweg naar huis. Na een paar passen vroeg ze hoe ik aan de soep op mijn broek kwam.
Ik begon bij de rok.