← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 15 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 15 van 32

Het afgezaagde stuk

Vrijdag maakte ik mijn koffer niet meteen open. Ik liet hem op de stoel in de zaal staan en ging zitten tot Nora klaar was met iemand die een sleutel kwam terugbrengen.

‘Ga je oefenen?’ vroeg ze toen de deur achter hem dichtviel.

‘Straks.’

Ze keek naar de boog. Ik knikte. Dat scheelde een zin, maar niet de rest.

Roos kwam binnen toen ik mijn klarinet in elkaar zette. Ze had een broodje in een zakje bij zich. Ze bood me de helft aan. Ik schudde mijn hoofd. Ik had thuis al gegeten, al wist ik niet meer precies wat.

De boog ging open. De rand van de straat lag in hetzelfde licht als de vloer van de zaal. Mare stond niet te wachten. Er zat iemand onder het afdak een kapotte mand uit elkaar te halen. Ik vroeg of Mare er al was geweest.

‘Vanochtend,’ zei de vrouw. ‘Nu is ze vast bij die planten.’

Ik legde mijn klarinet droog neer en ging door. Roos volgde me. Bij de vastgezette straat stapten we allebei zonder wachten over de richel. Daarna kwam de bocht waar je Het Binnenplein in de verte kon zien.

Ik wist inmiddels welke trap naar de andere vrije overgang leidde. Ik wist ook dat ik niet alleen naar het dak moest kijken om te weten of die er lag. Bij de leuning gingen we staan. Onder ons bewoog een dunne doek. De wind was nog onderweg.

Roos at haar broodje. Ik leunde tegen de muur en hield mijn handen in mijn zakken.

Het duurde niet lang. Het voelde wel lang genoeg om iets te kunnen zeggen. Ik begon nergens aan. Toen de vrije rand zakte, liepen we er rustig overheen.

De tafel stond nog onder het afdak. Hij paste nu wel langs de deur. De afgezaagde hoek had een lichte rechte rand, bijna wit tegenover het donkere hout. Op de grond ernaast lag een dun stuk met een punt eraan. Het leek te klein om een deel van de tafel te zijn geweest.

Ik herkende de groef. Die liep nog een stukje over het losse hout.

Vina stond bij de muur. Ze had twee planken tegen elkaar gezet en bond er een koord omheen. Ze trok eraan om te voelen of het hield. Het koord schoof weg. Ze maakte het weer los.

‘Ik kan dat vasthouden,’ zei ik.

Ze draaide zich naar me toe.

‘Goedemiddag,’ zei ik toen.

‘Goedemiddag.’

Roos zette het lege zakje bij een steen zodat het niet wegwaaide. Ze vroeg waar ze Mare kon vinden. Vina wees naar het straatje achter Ise's huis. Roos keek naar mij. Ik zei dat ik hier even bleef.

Ze ging zonder te vragen of ik dat zeker wist.

Vina hield de planken tegen haar been en probeerde het koord hoger vast te maken. Ik bleef staan. Mijn handen kwamen uit mijn zakken en gingen er weer in.

‘Je kunt zitten,’ zei ze.

Ik schoof een stoel van de tafel. De korte poot tikte tegen een steen. Ik zette hem ergens anders en ging voorzichtig zitten.

De kas was vanaf deze plek niet meer te missen. Dat was een rare gedachte, want hij stond er juist niet. Ik kon nu de muur zien die erachter had gestaan. Er zat een afdruk van vocht op, een groene gebogen streep die in de lucht ophield. Het licht viel er hard op.

Op tafel stonden twee kopjes. Aan de binnenkant van het ene zat een donkere kring. Vina pakte het op en schonk er water in uit een kan. Ze zette het voor me neer.

Ik nam een slok. Het was gewoon water. Ik had gedacht dat ik eerst iets anders moest doen voordat ze me iets zou geven.

Vina ging tegenover me zitten. Ze liet haar handen op haar schoot zakken. Er zat een dun sneetje in de muis van haar duim. Ze drukte erop met haar andere hand.

‘De planten zijn boven?’ vroeg ik.

‘Een deel.’

‘Gaan die het redden?’

‘Dat zien we.’

Ze keek naar de muur met de groene streep. Ik keek mee. Er groeide een heel klein plantje uit een voeg. De steel lag tegen de steen. Ik wist niet of die er al had gezeten of uit een van de bakken was gevallen.

‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zei ik.

Vina streek met haar duim over het handvat van haar kopje. ‘Dat hoeft nu ook niet.’

Idris en Vina zitten stil aan de tafel met de afgezaagde hoek.

Ik knikte. Ik liet mijn handen om mijn eigen kopje liggen. Ik bleef zitten, ook toen ik bedacht dat ik naar Pek kon gaan om te vragen of hij al iets met de pijpen had gedaan. Hier leek zitten langer te duren dan lopen.

Er kwam een man langs met een mand. Hij zette twee appels op de tafel. Hij kende Vina. Hij vroeg niet waarom ik erbij zat. Ze praatten over een deur die op het nieuwe hout klemde. Ik luisterde en begreep niet over welk huis het ging.

Toen de man weer weg was, pakte Vina de appels op en legde ze naast de kan. Ze duwde er één naar me toe.

‘Voor straks,’ zei ze.

Ik stopte hem in mijn jaszak.

Mare kwam het straatje uit met Roos achter zich. Ze hadden allebei lege potten bij zich. De potten tikten tegen elkaar toen ze ze op tafel zetten. Mare had een streep aarde naast haar neus.

Ze keek naar mijn kopje en toen naar de appel die nog op tafel lag. Er veranderde iets in haar gezicht, maar ik wist niet wat. Ze ging niet op de stoel naast me zitten.

‘We brengen de grote bakken naar boven,’ zei ze tegen Vina. ‘Ise komt zo met de doek.’

Vina knikte en pakte haar planken weer. Ze had inmiddels bedacht hoe het koord moest zitten. Ze legde het op tafel en schoof het onder de ene plank door.

Ik kwam overeind. Ik wilde niet opnieuw meteen iets vastgrijpen alleen omdat het er was.

Mare tilde de lege potten van de tafel. ‘Loop je mee?’ vroeg ze.

Ik keek naar Vina. Ze zat met het koord tussen haar vingers. Ze trok het aan. Deze keer hield het.

‘Ja,’ zei ik.

Roos nam één van de potten van Mare over. We gingen achter haar aan naar het straatje. Toen ik de hoek om was, keek ik nog één keer terug.

Vina had het lichte, afgezaagde stuk hout op de tafel gelegd. Ze streek met haar vingers langs de oude groef, tot waar die ophield.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.