Hoofdstuk 32 van 32
Een gewone maandag
Ik had mijn muziekboek op de keukentafel laten liggen.
Dat merkte ik pas toen ik de groene sleutel uit mijn tas haalde. Mijn rietjes zaten er wel in. Mijn doek ook. Het boek niet.
Roos leunde tegen de muur van de gang en keek in mijn tas, alsof het boek bij haar misschien wel naar boven zou komen.
‘Uit je hoofd?’ vroeg ze.
‘Ik ken niet alles uit mijn hoofd.’
‘Dan speel je het stuk dat je wel kent.’
Ik trok de rits dicht. Achter de deur naast ons praatten mensen hard door elkaar. Iemand lachte en er werd met een stoel geschoven. Ik stak de sleutel in het slot.
De kamer rook naar stof op een warme radiator en schoonmaakmiddel. Er stond nog steeds maar één stoel. Ik zette mijn koffer erop en mijn tas ernaast.
Roos bleef in de deuropening.
‘Ik ga even kijken of Mare er is.’
‘Weet je de weg?’
Ze keek me aan.
‘Ja,’ zei ik. ‘Goed.’
Ze trok de deur dicht. Ik hoorde haar schoenen door de gang gaan.
Ik zette de klarinet in elkaar. Met de pleister kon ik de onderste klep niet goed voelen. Ik boog mijn vingers een paar keer, pakte het instrument opnieuw en draaide het mondstuk een klein stukje rechter.
In de andere ruimte liet iemand iets vallen. Er klonk meteen gelach.
Ik haalde adem en blies.
De toon sloeg boven mijn hoofd uit. Ik haalde het mondstuk uit mijn mond en keek naar het plafond. Er was niets gebeurd met het plafond. Het klonk alleen alsof ik het wilde waarschuwen.
Ik schoof het riet een beetje lager. Nog een keer.
Deze keer kwam de noot er gewoon uit.
Ik speelde het begin van het stuk dat ik thuis zo vaak afgebroken had. Na de tweede maat haalde ik te vroeg adem. Ik begon opnieuw, wat langzamer. Mijn rechterpink vond de klep zonder dat ik hoefde te kijken.
Er klonk een lage toon door de gang.
Ik hield op.
De toon was ronder dan die van mij. Hij kwam van verder weg. Na een stilte volgde de hogere.
Ik liet mijn klarinet zakken en deed de deur op een kier.
Aan het einde van de gang stond de zaaldeur open. Roos stond bij de bank. Er viel licht van de andere kant over haar jas. Mare zat op de rand van de bank en trok haar schoen aan.
‘Hij zat vol steentjes,’ hoorde ik haar zeggen.
Roos hield haar tas opzij zodat Mare erbij kon.
Mare stond op. Ze keek door de gang en zag me. Ze hief haar hand.
Ik stak de mijne op, met mijn klarinet nog in de andere.
‘Kom je?’ riep ze.
Ik keek naar de klok boven de kapstok. Van mijn oefentijd waren elf minuten voorbij.
‘Straks.’
Mare knikte en tikte Roos met haar schouder aan. Ze verdwenen samen door de boog. Het licht langs de bank werd smaller.
Ik deed mijn deur dicht.
In de kamer naast me was het stiller geworden. Iemand las iets voor. Ik zette mijn voeten iets verder uit elkaar en begon bij de lastige overgang.
De eerste keer kwam ik er niet doorheen. De tweede keer ook niet helemaal.
Bij de derde keer lukte het. Ik speelde de volgende maat erachteraan voordat ik vergat hoe mijn vingers hadden gestaan.

Toen mijn halve uur voorbij was, pakte ik de doek en haalde hem door de klarinet. Ik droogde de verbindingen, legde het riet apart en klikte de koffer dicht.
Nora zat bij de bar met haar bril op. Ze keek op toen ik de koffer achter de stoel zette.
‘Beter?’ vroeg ze.
‘Eén stukje.’
‘Dat is ook iets.’
Ik wees naar de zaal. Ze knikte en ging verder met haar papier.
Door de boog rook het naar eten. Bij de keuken van Ditte stond een mand met schone doeken. De lage straat die vrijdag nog vrij had gehangen, liep nu langs de gevel naar boven. Een vrouw kwam me tegemoet met een kind op haar arm. Ze draaide haar schouder om me voorbij te laten.
Ik ging naar Het Binnenplein.
Bij de aansluiting was de band donkerder geworden van de regen. Er bleef water in een kleine kuil staan. Ik stapte ernaast en liep de bocht om.
Vina zat bij haar tafel. De scheve poot stond rechter. Onder de afgezaagde hoek lag een doek tegen de muur te drogen. Ze keek op toen ik langskwam.
‘Ze zijn boven,’ zei ze.
‘Goed.’
Ik legde mijn hand even op de rand van de tafel. Het lichte hout voelde ruwer dan de rest.
Vina schoof haar kom opzij. ‘Wil je zitten?’
Ik keek naar de straat die naar De Hoge Rij liep.
‘Even.’
Ze schoof een beker naar me toe en schonk hem vol. Het water was koel. Boven ons sloeg ergens een raam dicht. Daarna hoorde ik Roos lachen.
Mare riep iets terug. Ik kon niet verstaan wat.
Ik liet mijn beker staan en liep de straat op. Bij de trap naar Mares huis stond Tobbe op de onderste trede met zijn paard. Eén wiel reed over de rand. Hij trok het terug en keek naar me.
‘Kun jij hier vasthouden?’ vroeg hij.
Hij stak een stukje hout naar me uit.
‘Hoe lang?’ vroeg ik.
‘Tot ik klaar ben.’
‘Twee ritjes. Dan wil ik naar boven.’
Ik ging op de trede zitten. Hij zette het hout tussen mijn schoenen en reed het paard eroverheen. Aan het einde hield hij zijn hand eronder, voor het eraf kon vallen.
Uit het open raam boven me hing een rode zak aan een koord. Hij draaide langzaam heen en weer. Ik zette mijn hand op het hout toen Tobbe het paard weer naar het begin schoof.
Bij de tweede keer ving hij het paard zelf op. Ik gaf hem het hout en kwam overeind.
Boven ging een deur open. Mare riep mijn naam. Ik stak mijn hand op en liep de trap op.