← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 12 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 12 van 32

De tafel aan de muur

Woensdag haalde ik mijn muziekboek uit mijn schooltas en stopte het er weer in.

Ik had het gisteren meegenomen om na de les meteen naar het centrum te kunnen. Ik had geen bladzijde opengeslagen. Nu zat er aan de buitenkant van de kaft een donkere veeg van mijn vingers. Ik wreef eroverheen met de rand van mijn mouw. Hij ging er niet af.

Bij de fietsenstalling wachtte Roos.

‘Ik ga naar Nora,’ zei ze.

Ik trok mijn fiets uit het rek. Het stuur bleef achter een andere remkabel hangen. Ik maakte het los voordat ik antwoord gaf.

‘Ik niet.’

Ze knikte. Ze vroeg niet waarom. Dat vond ik bijna vervelender dan als ze het wel had gevraagd.

‘Ik moet oefenen,’ zei ik.

‘Dan is Nora een handige plek.’

‘Vandaag niet.’

Er fietste iemand tussen ons door die zijn jas nog aan het aantrekken was. Roos zette haar fiets een stukje opzij. Ik keek naar mijn voorspatbord.

‘Ik ga ook voor Mare,’ zei ze.

Ik had haar dat gisteren al zien doen. Ze had in de zaal gewacht terwijl Lea bij de boog ging kijken. Mare was teruggekomen om Ise iets te vragen over de planten. Ze had Roos mee naar binnen genomen. Ik was bij Nora op een stoel blijven zitten, met de koffer tegen mijn voeten. Toen Roos terugkwam, vertelde ze niet eerst wat de kas had gedaan. Ze vertelde dat Mare een broer had die altijd op haar kamer kwam als zij er niet was.

Ik had niet eens geweten dat Mare een broer had.

Roos zette nu een voet op haar trapper.

‘Tot morgen,’ zei ze.

Ik zei het terug. Ze reed de kant van het centrum op. Ik wachtte tot ze de hoek om was en ging naar huis.

In de gang stond een tas met brood. Mijn vader had boodschappen gedaan. Op het aanrecht lagen drie uien, een zak aardappels en iets wat in een plastic bak zat met een onhandig dicht deksel. Hij stond met een theelepel aan de rand te duwen.

‘Hoe was het?’ vroeg hij.

‘Goed.’

‘En die plek om te spelen?’

Ik zette mijn tas bij de kapstok. ‘Goed.’

Hij stopte met de lepel. Ik kon aan zijn blik zien dat twee keer hetzelfde antwoord hem ook niet veel verder hielp.

‘Ik ga even naar boven,’ zei ik.

Hij knikte en probeerde het deksel aan een andere kant. Toen ik de trap op liep, hoorde ik het losschieten. Hij zei iets wat hij niet had gezegd als ik nog in de keuken had gestaan.

Op mijn kamer lag de klarinetkoffer op het bed. Ik had hem daar 's ochtends zelf neergezet. Hij zat niet anders dicht dan gisteren. Er was niets aan hem veranderd.

Ik zette mijn lessenaar op. Daarna het boek. De eerste regel stond op dezelfde plek als maandag. Ik blies een toon en stopte omdat hij niet goed begon. Ik wilde het nog eens proberen, maar zag ineens de brede band voor me, met de lus die veel makkelijker los was gekomen dan ik verwachtte.

Ik zette het mondstuk opnieuw tegen mijn onderlip.

Deze keer kwam de toon wel. Ik ging door naar de volgende. Daarna kwam er een rust. Ik haalde adem en vergat waar ik verder moest.

Er werd niet op de muur geklopt.

Nadia was nog niet thuis. Mijn moeder was naar een afspraak en mijn vader stond beneden in de keuken. Er was niets dat me tegenhield om de hele oefening af te maken.

Ik begon opnieuw.

Bij de tweede regel ging mijn telefoon. Ik keek meteen op. Roos had een foto gestuurd. Ik moest hem groter maken om te zien wat erop stond. Een hoek van een tafel, onder een afdak. Er lag een losse plank naast en er zat een lichte zaagrand aan het hout.

Daar past hij niet anders, stond eronder.

Ik keek naar de foto tot mijn telefoon donker werd. Toen tikte ik hem weer aan.

Het was dezelfde tafel. Je zag de groef nog waar ik met mijn vinger langs was gegaan. Alleen liep die nu niet meer om de hele hoek heen. Hij eindigde bij het lichte nieuwe hout.

Ik schreef: Wie heeft dat gedaan?

Het antwoord kwam niet meteen. Ik legde mijn telefoon op het bed en probeerde de oefening weer te vinden. Mijn blik bleef boven de noten hangen. Ik wist waar ik was. Ik begon alleen niet.

Mijn vader riep of ik hielp met de aardappels.

Ik ging naar beneden. Aan tafel stond een bak water. Hij schoof me het kleine mesje toe en ging aan de andere kant zitten. We schilden zonder te praten. Bij de eerste aardappel haalde ik te veel weg. Hij zei er niets van. Ik liet het afgesneden stuk op de krant vallen.

‘Ik had iets niet moeten doen,’ zei ik.

Mijn vader keek op. ‘Wat?’

Ik wist niet hoe ik over een verdwenen glazen kamer moest beginnen terwijl hij met een halve aardappel in zijn hand zat. Ik vertelde over Mare en de boog. Over de straten, de soep en de pijpen. Hij luisterde. Bij de boog keek hij even naar het plafond, alsof hij boven op mijn kamer iets zocht wat erbij hoorde.

Toen ik bij de kas kwam, legde hij het mesje neer.

‘Mare had gezegd dat het niet moest,’ zei ik.

Hij keek naar me. Ik wachtte tot hij zei dat ik dan had moeten luisteren. Dat wist ik al. Hij vroeg alleen wat er daarna gebeurd was.

Ik vertelde dat de mensen de planten hadden weggehaald. Dat de tafel nu buiten stond. Mijn stem ging zachter bij de foto. Ik liet hem zien. Hij nam de telefoon niet over, maar boog naar het scherm.

‘Ik begrijp niet helemaal waar dit is,’ zei hij.

‘Nee.’

‘Wil je dat ik een keer meega?’

Ik hield de telefoon bij me. Op dat moment wilde ik helemaal niemand meenemen naar een plek waar je kon aanwijzen wat ik had gedaan.

‘Nog niet.’

Mijn vader knikte. Hij draaide de aardappel in zijn hand en sneed een donker stukje uit de zijkant.

‘Ik wil morgen wel weer naar Nora,’ zei ik.

‘Goed.’

‘Niet om te oefenen. Eerst om iets anders.’

Hij schoof de bak met water iets verder naar me toe. Er dreef een klein stukje schil op. Ik pakte de volgende aardappel. Het mesje ging deze keer minder diep.

Na het eten lag er een nieuw bericht van Roos. Vina heeft dat stuk eraf gehaald. Ze heeft zelf gezegd waar.

Ik schreef een heel antwoord en haalde het weer weg. Daarna vroeg ik hoe het met Mare was.

Roos antwoordde dat ze planten aan het verplaatsen waren. Niet alle planten. Eerst moesten ze kijken waar het licht kwam. De lege kamer naast de trap was waarschijnlijk beter, maar daar stonden nog spullen.

Ik keek naar mijn bureau. De klarinet lag er uit elkaar op de doek. Ik had de wisser nog niet gebruikt.

Ik deed dat alsnog. Toen ruimde ik niet alles meteen op. Ik zette mijn boek rechter en liet de lessenaar staan. Morgen kon het hier stil zijn of niet stil zijn. Dat wist ik nog niet.

Ik wilde wel ergens kunnen oefenen zonder steeds te moeten vragen of het uitkwam.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.