← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 20 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 20 van 32

De hangtrap

Op maandag hing de vogel in Peks werkplaats weer rechtop.

Zijn vleugels bewogen niet tegelijk. De ene kwam een klein stukje omhoog als Pek aan het koord trok. De andere tikte tegen een plank. Hij legde het koord neer toen we binnenkwamen.

‘We gaan buitenom kijken,’ zei Mare.

Pek volgde haar blik naar de achterkant van de huizen. Hij vroeg hoe ver we wilden gaan. Mare zei dat we dat nog niet wisten.

‘De trap hangt er nog,’ zei hij. ‘Ik weet niet hoe goed.’

Dat klonk minder geruststellend dan dat er alleen nog een trap was.

Roos liep met ons mee. Ze had haar tas in de zaal achtergelaten en alleen haar jas aan. Haar handen zaten in de zakken. Ze vroeg of ze terug kon als ze niet verder wilde. Mare knikte en wees de galerij aan waar Peks deur op uitkwam.

‘Dit stuk blijft gewoon staan.’

We liepen achter de huizen langs. Bij de dwarsbalk in de windgang ging ik op tijd laag. Verderop sloegen we af voordat we de dode galerij bereikten. Er was een deur die niet meer dicht kon omdat er een grote steen in de weg lag. Mare duwde hem naar buiten. De deur bleef achter de steen hangen.

Er kwam licht op mijn schoenen.

Aan deze kant van de stad stonden geen ramen tegenover ons. De buitenkant van De Hoge Rij liep steil naar beneden. Onder de leuning zag ik daken en muren die nergens netjes op elkaar aansloten. Een rij treden hing tussen twee dikke banden, een beetje van de gevel af. Hij eindigde op een breed stuk steen naast een verlaten raam.

Ik pakte de leuning met één hand vast.

Roos ging niet meteen bij de deur vandaan. Ze keek naar de eerste trede en toen naar de onderste band. Hij hing niet recht. Er zat een kleine draai in, alsof hij ooit op de verkeerde manier was teruggetrokken.

‘Is dit die trap?’ vroeg ze.

Mare knikte. Ze ging op haar knieën bij het begin zitten en voelde hoe de band om de ring zat. Er zat vuil in de plooien. Ze wreef er met haar duim over en keek naar de bevestiging.

De wind kwam onder ons langs. De onderste treden bewogen een beetje heen en weer. Ik hoorde hout tegen steen tikken.

‘Er is wel een leuning,’ zei ik.

Roos keek naar mijn hand. ‘Niet daaronder.’

Ik volgde haar blik. Ze had gelijk. De vaste leuning hield op bij de tweede trede. Daarna moest je de band naast de trap vastpakken. Je hand zou vanzelf lager komen als de trap bewoog.

Mare zette één voet op de eerste trede. Hij zakte niet veel, maar genoeg om me de rest ook te zien bewegen. Ze hield haar gewicht nog op haar achterste been. Toen zette ze die voet weer terug.

‘Je kunt tot dat brede stuk,’ zei ze. ‘Als hij zo blijft hangen.’

Roos schudde haar hoofd. ‘Ik niet.’

Roos blijft bij de deur terwijl Mare en Idris naar de scheve hangtrap kijken.

Ik keek naar haar. Ze bleef heel gewoon staan, met haar schouder tegen de deurpost. Ze zag er niet uit alsof ik alleen even iets bemoedigends hoefde te zeggen.

Ik deed het toch.

‘We kunnen rustig—’

‘Nee, Idris.’

Ze keek naar de treden, niet naar mij. Ik hoorde hoe hard mijn eigen adem klonk tussen de stenen.

Mare kwam overeind. Ze zei dat Roos bij de deur kon blijven. Of terug kon gaan naar Pek. Het was dezelfde galerij terug. Er lag geen losse oversteek tussen.

Roos knikte. ‘Ik ga naar hem. Als jullie terugkomen, zit ik daar.’

Ze draaide zich om. Ik wilde zeggen dat ze de buitenkant misschien wel beter kon zien als ze eerst een stap dichterbij kwam. Ik hoorde de zin al voordat ik hem uitsprak. Ik hield mijn mond.

Roos liep de windgang weer in. Haar hand streek even over het hout bij de dwarsbalk. Daarna was ze uit zicht.

Mare wachtte tot ik naar haar keek.

‘Wil jij wel?’ vroeg ze.

Ik knikte. Ik wist niet helemaal of ik knikte omdat ik het wilde of omdat ik niet ook terug wilde gaan.

‘Dan eerst tot die tweede trede. Je houdt de band vast. Niet het losse einde daar.’

Ze wees. Ik zag het verschil: de ene strook liep strak naar de ring, de andere hing met een gekruld uiteinde langs de gevel. Ik ging met mijn hand langs de strakke. Hij voelde ruw en droog. Ik zette mijn voorste voet op het hout.

Er bewoog iets onder me. Niet veel. Genoeg om me onmiddellijk aan de deur achter me te laten denken.

Ik verplaatste mijn gewicht langzaam. Mijn knie trilde. Ik zette de tweede voet naast de eerste. De trede was breed genoeg voor mijn schoenen, maar niet voor het idee dat ik had van een veilige plek.

‘Kijk naar de volgende,’ zei Mare.

Ik keek naar beneden. Ik zag meteen te veel. Mijn schoen, de volgende trede, het dak eronder en een ronde pot op dat dak die ik niet had willen opmerken.

Ik keek weer naar de trede.

Mare kwam achter me op de eerste. Ik voelde het verschil in de band. De trap draaide een beetje naar de gevel toe. Mijn elleboog raakte steen.

‘Stop,’ zei ik.

Ze bleef staan.

Ik haalde mijn duim onder mijn andere vingers vandaan. Ik had te hard in de band geknepen.

‘Dit gaat scheef,’ zei ik.

Mare keek langs mijn schouder. De onderste trede lag niet meer tegenover het brede stuk steen. Hij was een stukje weggezwenkt. Tussen het hout en de rand zat nu ruimte waar ik mijn voet niet gewoon neer kon zetten.

Ze zette haar achterste voet terug op de vaste ondergrond.

‘Kom eerst terug.’

Mare hield de band bij de bevestiging vast terwijl ik achteruit naar de vaste vloer stapte. Mijn been trilde nog toen ik bij de deur stond.

We bleven bij de deur. Mare keek naar de trap. Ze trok één keer aan de bovenste band om te zien hoe hij bewoog en liet toen los.

‘Niet zo,’ zei ze.

Ik knikte. Ik hoefde er dit keer niet eerst iets tegenin te zeggen.

Aan de andere kant van de gevel zat het verlaten raam dat we beneden hadden gezien. Erboven liep een smalle richel naar een donker gat achter een oude waslijn. De richel zelf was niet om op te lopen. Maar links ervan zat een gewone deur, lager dan de onze.

Mare volgde mijn blik.

‘Daar kom je ook door de wasruimte,’ zei ze.

Ze keek terug de gang in, alsof ze de weg tussen twee deuren in haar hoofd afliep.

Ik wreef mijn vingers over mijn broek. Mijn hand rook naar stof en oud leer.

‘We kunnen ook terug,’ zei ik.

Mare schudde haar hoofd. ‘Eerst die andere ingang bekijken.’

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.