Hoofdstuk 31 van 32
De lege plek in de zaal
Bij de boog stond een beker op de bank.
Hij hoorde niet bij ons. Er zat een donker randje drinken in en op de zijkant stond een vingerafdruk. Ik tilde hem op en keek de zaal in.
De grote deuren waren open. Er lag een brede strook avondlicht over de vloer. Buiten stond de vrachtwagen, met de achterkant naar de ingang. De klep was al omhoog.
‘Zet die maar op de bar,’ zei Nora.
Ze liep langs me met een bezem. Haar bril hing aan het koord op haar borst. Bij de deur schoof ze een hoopje stof bij elkaar en ging op zoek naar het blik.
Roos kwam achter me door de boog. Ze bleef midden in de zaal staan.
Op de plek van het orgel was de muur lichter. Er zat een gat waar een schroef had gezeten. Op de vloer liep een streep stof langs de rand van de planken. De bank stond scheef omdat iemand hem opzij had geschoven.
Mijn koffer lag nog op de stoel waar ik hem had neergezet.
Ik pakte hem op. Hij woog precies evenveel als die middag.
Bij de vrachtwagen trok Lea aan een gesp. Ze drukte haar hand tegen de kist die erachter stond. Een man in werkkleren klom uit de laadruimte en liep naar de bestuurderskant.
Lea keek op toen we naar buiten kwamen.
‘Is het gelukt?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei Roos.
Ik knikte.
Lea liet de gesp los en ging rechtop staan. Er zat een veeg op haar wang. Ze duwde met de rug van haar hand een haar uit haar oog.
‘Met die twee?’
‘Met die twee,’ zei ik. ‘En de balg.’
Ze keek naar mijn handen.
Ik draaide ze om. Ik had niet bedacht dat de rode streep ook van een afstandje te zien was.
‘Dat even schoonmaken,’ zei ze. ‘En vandaag niet meer aan het sjouwen.’
‘Dat was ik niet van plan.’
‘Goed.’
Ze haalde een fles water uit de cabine, dronk en draaide de dop erop. De man bij het stuur tikte op het raam. Lea stak één vinger op.
‘Die pijpen mogen daar blijven,’ zei ze. ‘Ik zal Pek nog een keer laten zien hoe hij dat leer aan de balg nakijkt. Niet vandaag.’
‘Hij zit bij Vina,’ zei Roos.
‘Wie is Vina?’
Roos opende haar mond. Ze keek naar de vrachtwagen. ‘Dat wordt best een lang verhaal.’
‘Volgende week,’ zei Lea.
Ze sloot het zijvak en trok voor de zekerheid nog een keer aan de klep. Toen stapte ze in. We gingen achteruit naar de deur.
De motor sloeg aan. De man keek in de spiegel, reed een klein stukje naar voren en stopte om een fietser voorbij te laten. Lea zwaaide door het raam. Roos stak haar hand op.
De vrachtwagen draaide de straat in. Ik bleef naar de achterkant kijken tot hij voorbij de bakker was.
Toen was hij weg.
Mijn telefoon zat onder in mijn rugzak. Ik had hem daar die middag zelf ingestopt. Er stonden twee berichten van mijn vader.
Hoe laat denk je er te zijn?
En, achttien minuten later: Laat even wat weten.
Ik belde.
Hij nam zo snel op dat ik mijn telefoon nog niet goed tegen mijn oor had.
‘Hoi,’ zei ik.
‘Waar ben je?’
‘Bij het centrum. Ik kom nu.’
Hij zei even niets.
‘Het duurde langer,’ zei ik.
‘Dat begrijp ik. Daarom vroeg ik het.’
‘Sorry.’
‘Is alles goed?’
Ik keek naar de koperen boog die door de open zaaldeur te zien was. Er liep niemand doorheen. Er stond gewoon een bank bij de muur.
‘Ja,’ zei ik. ‘Alles is goed. Alleen mijn hand is een beetje open.’
‘Een beetje?’
‘Van een band vasthouden.’
‘Laat Nora ernaar kijken voor je weggaat.’
‘Doe ik.’
‘En kom dan eten.’
Ik stak mijn telefoon in mijn jaszak. Roos stond met één voet op de onderste tree van de ingang. Ze had haar veters opnieuw gestrikt.
‘Ik ga,’ zei ze. ‘Mijn moeder dacht dat ik bij jou at.’
‘Doe je toch?’
‘Ik heb gezegd dat ik thuis kwam.’
‘O.’
Ze drukte met haar schoen tegen mijn schoen. ‘Maandag.’
‘Maandag.’
Ze sprong van de tree, trok haar jas recht en liep naar haar fiets. Ik ging weer naar binnen.
Nora had de stoelen op hun plek gezet. Het stofblik stond op de bar. Ik legde mijn hand ernaast, met mijn palm naar boven.
‘Mijn vader zei dat u hiernaar moest kijken.’
Ze boog zich erover. Toen liep ze naar het kastje achter de bar. Ze haalde er een doosje uit en legde een gaasje en een pleister neer.
‘Eerst onder de kraan.’
Ik hield mijn hand onder het water. Het prikte weer. Nora wachtte tot ik mijn vingers uit elkaar deed en gaf me daarna een schoon gaasje.
Bij de deur ging de bel. Er kwam een man binnen die vroeg of de vergadering van de huurders hier was. Nora wees naar het bord in de gang.
‘Volgende dinsdag.’
Hij keek naar zijn telefoon. ‘Ik dacht het al.’
Hij ging weer weg. Nora plakte de pleister vast. Hij zat een beetje scheef omdat de streep schuin over mijn hand liep.
‘Die groene sleutel heb je?’ vroeg ze.
Ik voelde in het kleine vak van mijn rugzak. Hij zat er nog, aan zijn groene label.
‘Ja.’
‘Maandag is de zaal naast je bezet. Als ze veel herrie maken, doe je de binnendeur dicht.’
‘Goed.’
Ik pakte mijn koffer. Bij de grote zaal bleef ik nog even staan.
De ruimte leek dieper. Naast de lichte muur kon je nu een hoek zien die er altijd al geweest moest zijn. De boog stond ernaast, vast aan dezelfde stenen. Op de bank lag een deken waarvan één punt op de vloer hing. Ik haalde de punt van de vloer en sloeg hem terug over de leuning.
Daarna liep ik naar huis.
Voor ons portiek stond Nadia haar fiets op slot te zetten. Ze keek naar mijn broek en toen naar de pleister.
‘Wat heb jij gedaan?’
Ik tilde de koffer een beetje op om hem langs haar stuur te krijgen.
‘Kun je me helpen met de deur?’ vroeg ik.
Ze hield hem open.
Op de trap rook ik gebakken ui. Mijn vader riep vanuit de keuken dat ik mijn schoenen beneden moest laten staan. Ik deed ze uit en zette ze naast die van Nadia. Er viel een klein steentje uit de rand van mijn zool.
Ik raapte het op, hield het even tussen mijn vingers en legde het bij de plant op de vensterbank.