← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 30 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 30 van 32

Iedereen kan oversteken

Roos bleef naast me staan tot ik mijn knie weer kon buigen.

‘Je zit onder,’ zei ze.

Ik keek naar mijn broek. Er zat een witte veeg over mijn hele bovenbeen. Bij mijn andere knie was de stof donker geworden.

‘Komt dat er nog uit?’ vroeg ik.

‘Dat weet ik niet. Ik wilde alleen dat je het wist voordat je thuis op de bank ging zitten.’

Mare liep naar de trap. Ze veegde haar haar achter haar oren. Aan haar mouw hing een losse draad. Ze draaide hem om haar vinger, trok eraan en liet hem toen weer los.

‘Mijn moeder wil erlangs,’ zei ze.

We gingen allebei aan de kant.

Ise liep de vijf treden op met haar hand even tegen de muur. Daarna draaide ze zich om en keek langs de nieuwe straat naar Het Binnenplein. Er was een stuk van haar raam te zien. Ze zwaaide. Iemand bij dat raam bewoog een arm.

Mare stond nog beneden.

‘Kom je?’ vroeg Ise.

Mare liep naar haar toe. Bovenaan ging ze tussen ons door, naar de wasruimte. Ise volgde haar.

Ik bleef even bij de ring staan. De knoop lag tegen de stenen. Het uiteinde van de band hing slap omlaag. Toen ik eraan kwam, voelde ik een kleine trilling van iemand die verderop over de straat liep.

‘Idris,’ zei Roos.

Ze wees naar de trede. Er lag nog een lap.

Ik raapte hem op en stak hem in mijn zak.

Door de wasruimte klonk Mares stem. Ze liet haar moeder zien welke plank loslag. Ise stapte eroverheen, schoof een mand die in de weg stond opzij en liep verder. Buiten bleef ze staan in de smalle gang achter de huizen.

Ze keek omhoog naar De Hoge Rij.

‘Dan kom ik hier uit,’ zei ze.

Mare knikte.

‘Je vader heeft de deur vast nog open.’

‘Die heeft hij altijd open.’

‘Niet altijd.’

‘Als ik er ben wel.’

Ze begonnen naast elkaar de gang door te lopen. Roos en ik liepen erachter. Bij de hoek draaide Mare zich om.

‘Ik ga even naar huis.’

Het was het eerste dat ze zei sinds we bij de ring waren weggegaan waarvoor niemand iets hoefde vast te houden.

‘Goed,’ zei Roos.

Mare keek naar mij. Ik wilde vragen wanneer ze terugkwam. Ik wist niet goed waarom. Ze kon zelf naar huis. Haar moeder liep naast haar.

‘Tot zo,’ zei ik.

Ze stak twee vingers op en verdween de trap op. Ise ging achter haar aan, wat langzamer. Halverwege legde ze een hand op de leuning en keek over haar schouder naar het plein.

Roos stootte met haar elleboog tegen mijn arm.

‘Ik heb honger.’

‘Ik ook.’

‘Dan moet je niet blijven kijken alsof ze terugkomt om je te voeren.’

Ik keek naar haar. Ze trok haar wenkbrauwen op. Toen begon ik te lachen. Het deed een beetje pijn in mijn buik, alsof ik die al een tijd ingehouden had.

We gingen terug door de wasruimte. Ik ging voor bij de vijf treden en draaide me om naar Roos. Ze keek naar het uitstekende stuk muur, zette haar schoen op de eerste trede en kwam naar beneden.

‘Deze gaan wel,’ zei ze.

Onderaan gingen we naar links, richting Het Binnenplein. Bij de haak waar Mare had gezeten, was een lichte kras in de stenen gekomen. Roos ging erlangs zonder te stoppen.

Vina stond bij haar tafel. Er lag een mes op een plank en daarnaast een brood waarvan de korst heel donker was. Ze hield een stuk tegen haar borst en sneed er een dikke boterham af.

‘Zet die mand daar maar,’ zei ze.

Ik keek achter me.

Een man met een blauwe muts kwam langs ons heen. Hij droeg de mand die ik eerder bij Ditte had gezien. Hij zette hem onder de tafel en pakte de boterham aan die Vina hem gaf.

Roos ging op het lage muurtje zitten. Ik bleef staan. Mijn handen waren vuil en in mijn rechterpalm liep een rode streep.

Vina legde het brood neer.

‘Water staat binnen.’

Ik liep de kamer in waar we de planten hadden weggehaald. Op de plek van de grootste pot stond nu een stoel. Ise had haar naaiwerk op de vensterbank gelegd. Ik waste mijn handen boven een schaal. Het water werd grijs. Bij de tweede scheut prikte mijn palm zo dat ik mijn vingers introk.

Op een plank lag een schone doek. Ik keek om. Vina wees ernaar door het raam. Ik droogde mijn handen en kwam weer buiten.

Er lagen twee stukken brood op de tafel. Roos had het hare al vast.

Ik ging naast haar zitten.

De tafel stond met de rechte kant tegen de muur. Bij de afgezaagde hoek viel de zon op het lichte hout. Ik liet mijn hand ernaast liggen.

‘Het gaat naar mijn raam,’ zei Vina.

Ik keek op.

‘De straat. Als je bij die eerste hoek links kijkt.’ Ze zette het mes verder naar achteren. ‘Ik zag het van hier.’

‘O,’ zei ik.

‘Ik ga er straks zelf over.’

Ze pakte een kom en ging naast de deur zitten. Ze begon kleine bruine velletjes van bonen te halen. Ze gooide de velletjes in haar schort en de bonen in de kom. Roos vroeg of je dat bij alle bonen moest doen. Vina schudde haar hoofd en gaf haar er één.

Ik at mijn brood. Het was nog een beetje warm vanbinnen.

Aan de andere kant van het plein kwamen Pek en Ditte om de hoek. Pek liep langzaam. Hij had zijn handen achter zijn rug en keek bij iedere aansluiting naar beneden. Ditte praatte tegen hem. Ze wees naar een deur en daarna naar haar eigen been. Pek antwoordde iets wat ik niet kon verstaan.

Hij zag ons en kwam naar de tafel.

‘Zo,’ zei hij.

Roos slikte haar hap door. ‘Staat de balg nog open?’

‘De balg staat onder mijn tafel.’

‘O.’

‘Hij wilde niet mee.’

Ze glimlachte. Pek pakte de tafel bij de rand en bewoog hem een klein stukje. Hij keek naar de afgezaagde hoek.

‘Die poot kan rechter,’ zei hij tegen Vina.

‘Dat kon hij altijd al.’

‘Nu kan ik erbij.’

‘Morgen,’ zei Vina. ‘Ik zit net.’

Pek knikte. Hij ging op de lege stoel zitten. Ditte bleef bij de hoek staan, met een hand in haar zij. Na een tijdje vroeg ze of er ook water voor mensen was die het niet over hun handen wilden gooien.

Ik stond op om het te halen.

Toen ik terugkwam, was Mare er. Ze zat op het muurtje naast Roos. Haar mouw was omgeslagen. De losse draad was weg.

‘Mijn vader heeft soep opstaan,’ zei ze. ‘Mijn moeder blijft eten.’

Ze schoof een stukje op voor mij.

Ik zette de waterkan neer. Aan de overkant van het plein zat een man bij zijn deur een schoen te poetsen. Er liep iemand met een schaal voorbij. Uit de wasruimte kwam het korte schrapen van een mand over de vloer.

‘Ik moet straks naar huis,’ zei ik.

Mare knikte. Ze brak een stukje korst van Roos’ brood af en stopte het in haar mond. Roos trok haar brood weg.

‘Je hebt net soep gekregen.’

‘Nog niet.’

Ik leunde met mijn rug tegen het muurtje. Naast de tafel zat de lichte afdruk van het raam nog op de gevel. Ik kon precies zien waar de kas had gezeten.

Mare tikte met haar schoen tegen de mijne.

‘Morgen ben ik er niet,’ zei ze. ‘We gaan met Tobbe naar mijn tante.’

‘Zondag?’ vroeg Roos.

‘Weet ik nog niet.’

Roos haalde haar schouders op. ‘Stuur dan wat.’

‘Waarop?’

‘O ja.’

Ze keken elkaar aan. Mare begon te lachen. Roos ook. Ik liet ze nog even uitzoeken hoe ze elkaar zondag ergens konden treffen en at de korst op die naast mij was blijven liggen.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.