Hoofdstuk 25 van 32
Mijn eigen uur
Nora had een sleutel voor me klaargelegd.
Ik zag hem op de balie liggen en dacht eerst dat ik hem naar iemand toe moest brengen. Er zat een groen label aan. Nora schoof hem naar me toe toen ik mijn koffer neerzette.
‘Er is een kamer vrij. Twee middagen. Niet iedere dag, maar wel steeds op dezelfde tijden.’
Ik keek naar de sleutel.
‘Om te oefenen?’
‘Daar vroeg je toch om?’
Ik pakte hem op. Hij was kleiner dan de sleutel van onze voordeur. Er zat een gewone afgeronde kop aan, met een kras bij het gat.
Nora nam me mee naar het gangetje naast de keuken. Er hing een kalender met een maand die al voorbij was en er stond een lege vuilnisbak onder. Ze wees naar de tweede deur.
Ik probeerde de sleutel. De eerste keer duwde ik hem niet ver genoeg in het slot. De tweede keer draaide hij wel.
In de kamer stonden een stoel, een kleine tafel en een kast met een deurtje dat niet helemaal sloot. Het raam keek uit op een muur en een stuk lucht. Er lag niets op de vloer wat je eerst opzij moest zetten om je voeten neer te kunnen zetten.
Ik ging midden in de kamer staan met mijn koffer in mijn hand.
‘Er is ook een stopcontact,’ zei Nora. ‘Voor als je iets moet opladen. Maar je hoeft hier geen versterker op aan te sluiten.’
‘Ik heb geen versterker.’
‘Dan is dat alvast geregeld.’
Ze zette de stoel een stukje van de wand. Ik legde de koffer op tafel. Hij paste erop zonder dat er iets anders af moest.
Nora vertelde welke twee middagen de kamer voor mij was. De sleutel mocht ik bij me houden.
‘Als de tijden veranderen, spreken we het opnieuw af,’ zei ze. ‘En als het niet werkt, zeg je het.’
Ik knikte. Ik wilde haar bedanken, maar ze stond al bij de deur omdat er in de hal iemand naar haar riep.
‘Dank je,’ zei ik alsnog.
Ze stak haar hand op en liep weg.
Ik bleef een paar minuten. Ik deed mijn koffer open en legde de delen op de doek. Ik zette de lessenaar neer. Toen speelde ik één regel. De kamer klonk kleiner dan de zaal. Je hoorde meteen als de toon niet goed begon. Er was geen lange echo die er nog iets anders van maakte.
Ik speelde de regel nog eens.
Er kwam niemand aan de muur kloppen. Er kwam ook niemand door een boog. Ik hield op omdat ik naar de stad wilde, niet omdat ik weg moest.
In de grote zaal zat een vrouw achter het orgel. Er lagen schoenen naast de bank. Ze had haar jas over een stoel gehangen en speelde een stukje dat steeds naar dezelfde lage toon terugging. Lea stond een eindje verderop en luisterde. Nora zette de deur op een kier zodat we erlangs konden zonder met de koffers tegen de stoelen te lopen.
Ik wachtte tot de vrouw haar handen van de toetsen haalde. Daarna speelde ik bij de boog mijn eigen twee tonen, zacht, en legde ik mijn klarinet op de droge plek aan de straatkant. Mare kwam langs het blauwe huis naar me toe.
‘Heb je gezien wat Pek heeft neergezet?’ vroeg ze.
Ik schudde mijn hoofd. We liepen samen naar De Hoge Rij. Er trok meer wind door de stad dan op de dagen dat ik alleen kort had gespeeld. Bij een vrije rand hoorden we het orgel weer. Een lage klank liep langs de stenen en werd hoger, zonder dat iemand naast ons ademhaalde.
Mare stak over. Ik volgde haar. Voor het eerst dacht ik niet alleen aan hoe het pad onder mijn schoenen voelde. Ik hoorde ook wat er gebeurde aan de andere kant, waar een losse strook tegen een muur tikte.
Bij haar huis bleef Mare staan. Ze deed de deur open en riep dat ze even boven was. Haar vader antwoordde vanuit de keuken. Ik bleef buiten tot ze zei dat ik mee kon.
Haar kamer had een raam met een blauwe rand. Dat wist ik. Wat ik niet wist, was dat er vlak onder dat raam een plank lag met kleine dingen erop: een gladde steen, een schelp met een afgebroken rand en een houten doosje zonder deksel. Aan de muur hing een jas die aan één mouw korter was. Er lag een boek onder het bed, half opengeslagen.
Mare ging op haar knieën zitten en haalde een doek uit het doosje. Het was dezelfde brede stof die we voor mijn handen hadden meegenomen. Ze had er aan het einde een extra vouw in gelegd zodat hij niet om mijn vingers zou schuiven.
Ik keek naar het raam. De twee rode zakjes hingen vlak naast mijn schouder. Je kon ermee tegen het glas tikken als je ze losliet. Ze waren niet ingewikkeld. Ik begreep ineens beter waarom het irritant was als iemand anders eraan zat.
‘Heb jij ook zo'n kamer?’ vroeg Mare.
‘Ongeveer.’
‘Met zo'n boog ernaast?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Met mijn zus ernaast.’
Ze glimlachte en vouwde de doek op. Ze stopte hem in haar tas. Ik wilde iets over morgen zeggen. Ik wist niet welke zin niet meteen op een belofte zou lijken.
‘Ik kom na school,’ zei ik.
‘Ik ook.’
Dat was genoeg om op te kunnen rekenen.
Buiten bij Pek stonden de pijpen vast op de lage bank. Hij had de kleppen zo gezet dat je er van twee kanten bij kon. Er lag een kruk naast voor wie de balg bediende. Hij speelde niet. Hij keek of de slang nergens onder klemde.
Op de terugweg gingen Mare en ik nog langs Het Binnenplein. Vina was de laatste kleine planten naar binnen aan het zetten. De tafel bleef buiten staan. Ise hield de deur open. Mare droeg een potje voor haar naar binnen, zonder eerst aan iemand te vragen of dat nog wel mocht.
Ik wachtte bij de tafel. De groene afdruk op de muur werd langzaam donkerder. Er zat nog warmte in het hout onder mijn hand, maar niet veel.
Vanuit de zaal klonk het orgel. Deze keer een lang akkoord dat zich over de hele rand uitstrekte.
Mare kwam terug naar buiten. Ze luisterde ook.
Toen ik later door de boog stapte, was de vrouw bij het orgel haar schoenen weer aan het trekken. De bladmuziek lag op een stapel. Ze streek haar jas recht en zei Lea gedag.
Ik zette mijn koffer naast de bank. Ik keek naar de toetsen waar net haar handen hadden gelegen. Ze waren nu gewoon wit en zwart.
Morgen zouden ze hier niet meer zijn.