Hoofdstuk 1 van 32
Een rust van vier tellen
Ik was bij de derde noot toen mijn zus op de muur klopte.
Niet hard. Dat was het vervelende. Als ze hard klopte, kon ik ook hard terugdoen. Nu zei ze alleen mijn naam, op de manier waarop je iemand eraan herinnerde dat er nog een boodschappentas in het trappenhuis stond.
‘Ik moet dit afmaken,’ riep Nadia.
Ik liet het mondstuk los. ‘Ik ook.’
‘Ik heb morgen een toets.’
Mijn oefening had morgen geen toets. Mijn oefening mocht wachten.
Ik keek naar de muziek op mijn lessenaar. Acht maten. Boven de tweede regel had mijn docent een ademteken gezet. Ik was nog niet aan ademhalen toegekomen. Door de muur hoorde ik Nadia een stoel verschuiven. Verderop begon mijn moeder aan een telefoongesprek met haar opgewekte werkstem. Die gebruikte ze ook als er helemaal niets opgewekts te melden was.
Ik legde de klarinet op mijn knieën en wachtte.
In de keuken sloeg een kastje dicht. Een vrachtwagen reed onder ons raam achteruit, met een piepje dat wél steeds opnieuw mocht. Ik probeerde de eerste regel in mijn hoofd te spelen. Mijn vingers bewogen over de kleppen. Zonder geluid deed ik het behoorlijk goed.
Toen mijn moeder eindelijk ophing, stak mijn vader zijn hoofd om de deur. Er stond een afdruk van zijn kussen op zijn wang.
‘Zou je nog een halfuurtje kunnen wachten? Ik ben net weer in slaap gevallen.’
‘Ik speelde niet.’
Hij keek naar de klarinet. ‘O. Dan was het buiten.’
‘Dat was een vrachtwagen.’
‘Daar dacht ik al aan.’ Hij wreef over zijn gezicht. ‘Sorry. Ik moet vannacht weer.’
Ik zei dat het niet gaf. Het gaf een beetje. Niet genoeg om ruzie te maken met iemand die op zijn vrije maandag met een kussen in zijn gezicht door het huis liep.
De schooldag was pas een uur voorbij. Ik had al drie plekken geprobeerd: mijn kamer, de keuken en het stukje gang tussen de voordeur en de kapstok. In de gang kwam mijn elleboog steeds tegen een winterjas. In de keuken stond de laptop van mijn moeder. Mijn kamer was ongeveer één wand van Nadia verwijderd. Dat kon ik niet veranderen door mijn lessenaar te verzetten.
Ik haalde de klarinet uit elkaar. Het riet legde ik terug in zijn houdertje. Daarna trok ik de wisser door de stukken, ook al had ik nauwelijks gespeeld. Mijn docent zei dat ik daar een gewoonte van moest maken. Gewoontes waren dingen die je blijkbaar ook moest uitvoeren als er bijna niets was gebeurd.
Toen Roos aanbelde, zat de koffer al dicht.
‘We gaan toch nog naar buiten?’ vroeg ze.
Eén kant van haar groene kraag zat onder de rits geklemd. Ik wees ernaar. Ze trok hem los zonder te kijken.
‘Ik moet eigenlijk oefenen.’
‘Dat hoor ik.’
Ik tilde de koffer op.
‘Kun je die niet even achterlaten?’
‘Dan weet ik zeker dat ik niet oefen.’
Roos vond dat een ingewikkelde reden om met een koffer te gaan wandelen. Ze ging niet verder op mijn uitleg in. Dat was meestal een teken dat ze hem ergens bewaarde voor later.
We namen de omweg langs het cultureel centrum. Daar kwam je niet sneller mee thuis. Dat was ook niet de bedoeling. Roos volgde er op zaterdag een tekenatelier. Ze kende de wc's, de automaat die soms twee zakjes tegelijk gaf en Nora, die volgens haar het gebouw bij elkaar hield met een sleutelbos en losse eindjes plakband.
Op de stoep stond een kar met een dikke deken erop. De dubbele deuren waren open. Uit de zaal klonk één lage toon. Hij vulde de hal, zakte door mijn schoenen en hield toen op.
‘Die mocht wel,’ zei ik.
Roos keek naar mijn koffer. Daarna naar de open deur.
‘Wacht hier.’
Ik liep achter haar aan.
Nora stond bij de balie met een stapel bekers onder haar arm. Er stak een potlood achter haar oor. Op het blad naast haar lag een sleutelbos.
‘Zit er iets gevaarlijks in?’ vroeg ze toen ze mijn koffer zag.
‘Dat hangt van de buren af,’ zei Roos.
Ik zei dat het een klarinet was en dat ik thuis niet goed kon oefenen. Roos had nog niets gevraagd. Nu ik er toch stond, leek het stom om te wachten tot zij het voor me deed.
‘Alleen een halfuurtje,’ voegde ik eraan toe. ‘Als de zaal leeg is.’
‘De zaal is bijna altijd leeg als ik hem nodig heb,’ zei Nora. ‘En bijna nooit als iemand anders hem wil.’
Ze keek door het glas in de tussendeur. Een vrouw in blauwe werkkleren stond voor het kleine orgel. Ze had een houten pijp in haar hand. Naast haar lag nog een kortere op een doek. Ik wist niet dat orgelpijpen ook van hout konden zijn. De vrouw blies niet. Ze bekeek de onderkant en legde hem zorgvuldig neer.
‘Lea is zo klaar,’ zei Nora. ‘Vandaag kun je er wel even in. Tot halfzes. Daarna moet ik de boel klaarzetten.’
Ik keek op de klok boven de balie. Nog ruim anderhalf uur.
‘Echt?’
‘Ja. Daarna komen er mensen.’
Ik hield de koffer steviger vast.
Nora vertelde dat het orgel de volgende week vrijdag werd opgehaald. Het ging naar een zaal waar iemand het vaker zou bespelen. Hier stond het vooral stil en moesten mensen er met stoelen omheen manoeuvreren.
‘Tot die tijd kijken we per middag wat er vrij is,’ zei ze. ‘Niet aan het orgel komen. Lea werkt eraan. Er kan nog gereedschap liggen.’
Ik had geen behoefte om een orgel uit elkaar te halen. Mijn eigen instrument bestond al uit genoeg stukken.
Lea liep langs ons met een tas. Ze knikte naar mijn koffer en zei dat een beetje vocht op tijd weghalen veel ellende kon schelen. Ik zei dat ik net mijn wisser had gebruikt. Het klonk alsof ik haar wilde vertellen dat ik een diploma had.
‘Mooi,’ zei ze, en ging verder.
De zaal rook naar stof en sinaasappellimonade. Langs de wand stonden stapels stoelen. Het orgel nam de hoek naast het podium in, donker hout met een rij glanzende pijpen erboven. Er stond een losse bank naast. Daarachter zag ik laag in de wand een koperen boog, half verscholen achter een opgerolde mat. Ik dacht dat het een versiering was die ergens vanaf was gehaald en nog niet weggegooid.
Roos liet zich op een stoel zakken en zei: ‘Ik zal zwijgen als een steen.’
‘Dat lijkt me nieuw voor je.’
‘Als een bijzonder interessante steen.’
Ik zette mijn lessenaar neer. Toen ik mijn klarinet in elkaar had, was ze alweer opgestaan. Ze moest naar de wc en wilde zien of er nog tekeningen in de hal hingen. Ze kwam zo terug. Ik vond het niet erg. Nu hoefde niemand te horen hoe vaak ik opnieuw begon.
De eerste toon kwam harder terug dan thuis. Ik schrok ervan en hield op. In de zaal bleef een klein stukje geluid hangen, alsof iemand het aan de andere kant nog vasthield. Ik liet mijn schouders zakken en probeerde het opnieuw.
Een lage toon. Dan de volgende, iets hoger.
Een rust van vier tellen.
‘Kun je dat ook zachter?’
Ik draaide me om. Roos was nog niet terug.
Achter de bank stond een meisje. Ze had haar handen over haar oren en keek naar mij alsof ik degene was die zomaar was binnengekomen.