Hoofdstuk 16 van 32
Zeven potten en een raam
De grootste plant paste niet door de deur van Ise's kamer zolang je hem rechtop hield.
Dat had ik kunnen bedenken voordat ik hem optilde. Ik stond met de kluit tegen mijn buik en de bladeren boven mijn hoofd. Ise pakte de bovenste tak en wees dat ik de pot iets moest kantelen. De aarde schoof. Ik drukte de rand steviger tegen mijn trui.
‘Zo,’ zei ze. ‘Nu eerst jouw schouder.’
Ik ging zijwaarts door de opening. Er kwam een blad tussen de pot en de deurpost. Roos maakte het los. Buiten zette ik de plant op de grond. Mijn armen voelden al leeg voordat ik ze had losgelaten.
Er stonden nog zes potten in de kamer.
Mare zette de kleinste in een brede mand. De drie potjes pasten naast elkaar als je er een doek tussen drukte. Roos tilde de mand op. Ise nam de twee middelgrote. Voor de laatste grote bak had Mare een riem door twee handvatten gehaald.
‘Deze doen we samen,’ zei ze.
Ik wilde mijn eigen plant weer oppakken, maar Ise schudde haar hoofd. ‘Die zet ik boven op de lage kar. Anders komen we nooit voorbij de trap.’
Ze had gelijk. Ik liet mijn vingers los en hielp de pot op de kar zetten. Hij kwam met een korte tik neer. Het blad dat langs mijn gezicht had gehangen, wipte nog even na.
We gingen niet in één keer de stad door. Bij de vrije overgang moesten de planten eraf. Mare keek of de rand goed lag en bracht eerst de kleine mand naar de overkant. Roos wachtte bij de grote bak. Ze hield hem tegen met haar schoen omdat het wiel van de kar niet vast wilde blijven staan.
Toen was ik aan de beurt.
Ik droeg de grote pot met beide armen. Ik keek niet naar beneden. Ik keek naar de steen naast Mares voet. Daar moest ik hem neerzetten. Het duurde langer dan het lopen zonder pot. Ik moest halverwege mijn adem laten ontsnappen door mijn mond, omdat ik hem blijkbaar had vastgezet.
Aan de overkant hielp Ise de bodem neerzetten. De bladeren trilden alsof ze ook ergens van moesten bijkomen.
We deden de rest om de beurt. De kar ging leeg als laatste. Ise duwde hem verder de straat tussen de huizen van De Hoge Rij in. Nu hij niet meer naar een vrije rand kon rollen, durfde ik mijn vingers te strekken.
Bij de voet van de laatste trap hielden we even stil. Roos stond met één voet op de kar en de andere op straat. Ze had een takje tussen haar vingers dat van een van de potten was gevallen.
‘Die was al los,’ zei ze toen Ise keek.
Ise nam het aan en stak het in de aarde van de grootste pot. ‘Misschien doet hij het nog.’
De laatste trap naar de lege kamer deden we met twee mensen per grote plant. Mijn armen begonnen halverwege pijn te doen. Ik wilde sneller zodat het eerder voorbij was. Dan ging de pot juist scheef. Ik keek naar Mares voeten en zette mijn voeten pas neer als zij ook bewoog.
De lege kamer had een groot raam op het zuiden. Er stond een plankenkast zonder planken. Tegen de muur lagen drie opgerolde kleden. Mare had het stof op de vensterbank weggeveegd voordat we kwamen. Je zag de strepen nog.
We zetten de potten in een halve kring bij het licht. De bladeren stonden niet meer tegen een gordijn. Ise ging op haar hurken zitten en draaide één pot een kwartslag. Ze wees Mare dat de aarde niet te nat moest blijven.
Roos zette de kleine mand leeg op de vloer. Ze liep naar het raam en keek naar buiten. Ik ging naast haar staan. Vanaf hier zag ik drie verschillende hoogten. De straat waar de kar stond. Een strook verderop die langzaam loskwam van een gevel. En daarachter, lager, de muur met de groene gebogen vlek.
Het Binnenplein lag dichtbij genoeg om iemand te kunnen zien lopen. Ver genoeg om er niet zomaar te kunnen zijn.
Mare kwam naast ons staan. Ze keek niet naar de planten. Ze keek dezelfde kant op als ik.
‘Die hoge rand naast de kas liep vroeger door tot aan de losse overgang,’ zei ze.
Ik volgde haar vinger. Er eindigde iets tegen een muur. Ik kon niet goed zien wat het was.
Ze liet haar hand zakken.
Ise riep dat ze nog water ging halen. Roos pakte de lege kan. Ik draaide me van het raam af. Alle zeven potten stonden op hun plek. Het was een lichte kamer geworden.