← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 10 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 10 van 32

Waar het warm was

Ise kwam uit de deur onder de galerij. Ze hield een houten bak tegen haar borst. Aan één kant staken de wortels van een plant over de rand.

Mare liep tegen haar op. De bak kwam tussen hen in te zitten. Ise zette hem neer en sloeg haar armen om Mare heen. Ik bleef naast de muur staan. Roos ging naar de plant die nog steeds voor het gezicht van de man hing.

‘Zal ik de deur openhouden?’ vroeg ze.

Hij knikte. Ze liep vooruit en trok een deur naast Ise's huis open. De plant ging naar binnen. De man moest zijwaarts om hem door de opening te krijgen. Er bleef een blad aan de deurpost haken. Roos maakte het los.

Op de grond lag aarde. Niet een heel dik pak, maar overal kleine hoopjes, alsof iemand telkens een pot had opgetild en weer neergezet. Bij mijn schoen lag een wit stukje wortel met een scherp afgeknipt eind.

Vina zat op de rand van de tafel.

Hij stond midden op het plein. Er was een poot aan één kant omgebogen. Onder die hoek had iemand een opgerolde doek gelegd om hem niet verder te laten zakken. Op het blad lag een grote plant in een jute zak, met aarde die uit de naden kwam.

Ik liep naar haar toe. Mijn stem bleef ergens achter mijn tanden hangen. Ik wist heel goed wat ik moest zeggen. Ik vond alleen geen begin waarbij ik daarna nog iets kon uitstellen.

Vina haalde een kluit van het blad en legde hem in een lege pot. Ze veegde met de zijkant van haar hand wat aarde bijeen.

‘Ik heb de band losgemaakt,’ zei ik.

Ze keek naar mijn handen.

‘Beneden. Bij die doorgang.’

Ze knikte één keer. Daarna keek ze weer naar de plant op de tafel. Ik wachtte op een vraag. Waarom. Of ik niet had gehoord wat Mare zei. Er was een antwoord op allebei. Het tweede was korter en erger dan het eerste.

‘Kan ik helpen?’ vroeg ik.

Vina zette de lege pot op de grond. ‘Die zak moet naar de deur daar.’

Ik pakte de bovenrand vast. De zak was te zwaar om aan één kant op te tillen. Vina wees dat ik mijn handen eronder moest schuiven. Ik ging dicht bij de tafel staan en tilde. De jute schuurde langs mijn polsen. Ik trok de kluit tegen me aan en zette twee stappen achteruit.

‘Niet aan de plant trekken,’ zei ze.

Ik keek omlaag. Een blad zat onder mijn arm. Ik maakte het voorzichtig los en liep naar de deur. Roos stond er nog. Ze liet de deur open en wees naar een lege hoek.

Ik zakte door mijn knieën en zette de zak neer. Mijn rug deed pijn toen ik weer overeind kwam. Ik had aarde op mijn trui en een donkere vlek op mijn broek. Ik veegde eroverheen. De vlek werd groter.

Naast me ging Ise op haar hurken zitten. Ze spreidde de bladeren zodat de stelen niet onder de kluit kwamen.

‘De meeste waren eruit,’ zei ze.

Ik keek naar haar.

‘We hoorden de rand bewegen. Toen hebben we de potten naar de deur geschoven. Vina had het raam boven de tafel al dichtgedaan. Dat hielp.’

Ik wist niet hoe dat hielp. Ik vroeg het niet. Ze zat met beide handen om een stengel en probeerde hem rechter te zetten. Hij bleef schuin hangen toen ze losliet.

Mare kwam binnen met twee kleine bakken. Ze zette ze op de vensterbank. Haar blik ging langs mijn trui. Daarna pakte ze de lege doek van de vloer en liep weer naar buiten.

Ik volgde haar niet meteen.

In de kamer rook het naar aarde, maar niet zoals in de kas. Er stond een bed tegen de wand, met een deken waarop een natte ronde plek zat. De potten pasten op geen enkele goede plek. Ze stonden voor een kastdeur en naast de stoel. Aan het raam hing een gordijn dat nu tegen de bladeren drukte.

Toen ik weer buiten kwam, was de tafel leeg. Vina veegde de laatste aarde naar zich toe. Ze legde haar platte hand op de groef langs de rand. Er zat een verse lichte beschadiging in het hout, waar een hoek tegen iets hards moest zijn gekomen.

Ik keek naar de strook die nu langs het plein liep. Hij liep flauw omhoog en verdween achter de muur. Onder de stenen zat niets meer wat ik aan een kamer kon herkennen. Alleen een klein randje groen glas stak eruit. Er viel een smalle zonvlek naast.

Ik liep ernaartoe. Ik raakte het glas met mijn vinger aan. Het bewoog niet.

‘Kun je hem niet…’ begon ik.

Ik hield op voordat ik terug had gezegd.

Mare stond naast me. Ze wees naar een donkere plek achter de muur. ‘Daar liep de bank langs. Van die kamer naar de andere kant. Daar zat ik altijd als ik even alleen wilde zijn.’

Ik had die plek niet gezien.

‘Ik dacht dat we het opnieuw konden bouwen,’ zei ik.

Mare knikte niet. Ze keek ook niet verbaasd.

‘Hier?’ vroeg ze.

Ik keek naar de stenen voor mijn voeten. Waar de deur had gezeten, begon nu de schuine straat. Je kon er lopen. Het was precies wat ik had willen hebben.

‘Ik wilde die pijpen halen.’

Mare draaide zich van me weg. Ik hoorde meteen hoe het klonk. Alsof Vina een plant bij de deur neer moest zetten omdat ik haast had gehad naar iets belangrijks.

Roos kwam uit de kamer met een lege pot. Ze zette hem op de grond. Ze keek naar de straat en naar mij.

‘We waren al onderweg,’ zei ze.

Ik zei niets terug. We waren inderdaad onderweg geweest. Er was een route geweest. Ik had het punt kunnen bereiken waar je overstak. Ik had kunnen vragen of Lea even wachtte. Dat had ik niet gedaan.

Vina riep Mare. Ze gingen aan twee kanten van de tafel staan en probeerden hem naar de galerij te schuiven. De kromme poot bleef achter een steen haken. Ik pakte de hoek aan mijn kant. Mare schudde haar hoofd.

‘Niet daar. Je duwt hem vast.’

Ik liet los.

Ise kwam naar buiten en hielp de andere kant iets optillen. Ze kregen hem onder het afdak, maar niet tegen de muur. De brede hoek stak precies voor een deur. Vina ging erop zitten om hem op zijn plek te houden terwijl Ise de doek weer onder de poot schoof.

Er waren mensen die me voorbijliepen met kleine dingen: een gieter, een mandje, een ronde steen die ergens als boekensteun had gestaan. Het was niet alleen glas dat was verdwenen. Het waren alle plekken waar die dingen eerst hadden gestaan.

Ik wilde iets dragen. Niemand gaf me nog iets.

Mare ging naast Vina zitten. Haar schouder raakte de groene schort. Aan de andere kant van het plein wees iemand naar de nieuwe straat. Ik keek weg voordat ik kon zien wat die ervan vond.

‘We moeten straks terug,’ zei Roos zacht.

Ik knikte.

Ik had nog steeds de klank van de schuivende ruiten in mijn oren. Nu er niets meer bewoog, hoorde ik hem beter.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.