← De stad tussen twee noten
Inhoudsopgave · hoofdstuk 19 van 32
  1. 1. Een rust van vier tellen
  2. 2. Iemand achter de bank
  3. 3. Een schaal hoort recht
  4. 4. De man zonder soep
  5. 5. De glazen kamer
  6. 6. Het raam dat een deur was
  7. 7. Roos past er ook door
  8. 8. De Hoge Rij
  9. 9. De kortste weg
  10. 10. Waar het warm was
  11. 11. Lea is niet verdwenen
  12. 12. De tafel aan de muur
  13. 13. Twee koffers
  14. 14. De andere kant van Roos
  15. 15. Het afgezaagde stuk
  16. 16. Zeven potten en een raam
  17. 17. Wat er wel klonk
  18. 18. Langs de wind
  19. 19. Thuis is ook ergens
  20. 20. De hangtrap
  21. 21. De verlaten wasruimte
  22. 22. Drie randen
  23. 23. Niet mijn kamer
  24. 24. De dingen die meegaan
  25. 25. Mijn eigen uur
  26. 26. Zonder orgel
  27. 27. De verste rand
  28. 28. De plek tussenin
  29. 29. Waar ik mijn handen hield
  30. 30. Iedereen kan oversteken
  31. 31. De lege plek in de zaal
  32. 32. Een gewone maandag

Hoofdstuk 19 van 32

Thuis is ook ergens

Op zondag sliep mijn vader niet. Hij stond in de keuken tegen een kastje te leunen en at een stuk brood boven zijn hand. Er vielen toch kruimels op de grond.

Nadia zat aan tafel met haar boek. Mijn moeder zocht in een la iets wat volgens haar altijd in die la lag. Ze trok hem verder open en duwde een stapel folders opzij.

‘Kan ik zo even spelen?’ vroeg ik.

Nadia keek op. ‘Hoe lang?’

Ik wilde zeggen dat ik dat nog niet wist. Dat zei ik meestal, waarna iedereen zelf iets ging doen en ik op het verkeerde moment opnieuw begon.

‘Een halfuur. Vanaf elf uur.’

Ze keek naar de klok. ‘Dan ga ik daarna leren.’

‘Goed.’

Mijn moeder vond haar rol plakband. Ze hield hem omhoog alsof hij opzettelijk had gewacht tot ze boos genoeg was. Mijn vader veegde de laatste kruimels uit zijn hand. Niemand zei dat ik helemaal niet kon spelen.

Ik ging naar mijn kamer.

Het eerste wat ik deed, was op de stoel zitten zonder de koffer open te maken. Ik keek naar het boek. De oefening had niets tegen mij. Er stond niet ergens in een maat dat ik een hele kamer had laten verdwijnen.

Ik zette het mondstuk klaar. Ik maakte het riet nat en legde het voorzichtig op zijn plek. Daarna speelde ik één toon, zacht genoeg om niet meteen tegen de muren op te lopen. Hij hield. Ik hield op voordat mijn adem op was.

De volgende toon piepte.

Ik wilde meteen weer naar de pijpen van Pek denken. Die deden tenminste waar ze voor gemaakt waren. Toen zag ik mijn eigen vingers. Mijn ringvinger zat niet goed. Ik zette hem anders neer en probeerde het opnieuw.

Het werd een toon.

Niet een geweldige. Wel de goede.

Ik ging door tot de rust. Ik haalde adem en speelde het stukje erna. Bij de laatste noot schoof er iets onder de deur door. Ik stopte. Het was een briefje van Nadia. Nog negen minuten.

Er stond een gezicht bij dat veel te streng keek.

Ik schreef op de achterkant dat haar neus scheef zat en schoof het terug. Daarna speelde ik verder.

Toen de tijd om was, hield ik ook echt op. Ik had niet het hele stuk geleerd. Ik had wel verder gespeeld dan maandag.

's Middags ging ik met Roos naar de winkel bij de brug. Ze wilde iets kopen om mee te tekenen. Ik dacht dat ze naar het centrum wilde en had mijn jas al dichtgeritst voordat ze zei waar we heen gingen.

‘Is dat erg?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Je keek anders.’

Ik trok mijn rits een stukje lager. ‘Ik dacht alleen iets anders.’

We liepen langs het water. Er zat een eend boven op een half gezonken plank. Roos bleef staan om te kijken hoe hij eraf kwam. Hij kwam er niet af. Hij ging zitten.

In de winkel had ze langer nodig dan ik verwachtte. Er lagen potloden die er voor mij ongeveer hetzelfde uitzagen. Zij bekeek de punten en de stukjes papier ernaast. Ze koos er twee en legde één weer terug. Het duurde allemaal zonder dat er ergens iets misging.

Buiten stopte ze het kleine zakje in haar jas. We gingen op het lage muurtje bij de brug zitten. Ik keek naar het water. Er dreef een wit dopje langs dat steeds in hetzelfde kleine kringetje terugkwam.

‘Ga jij morgen weer?’ vroeg ik.

‘Naar Mare?’

Ik knikte.

‘Misschien. Ik moet eerst thuis iets doen.’

Ze zei het zonder zich te verontschuldigen. Ik had verwacht dat ze wel zou zeggen hoe laat ze dan klaar was. Ze pakte het zakje weer uit haar jas en keek of de punten nog heel waren.

‘Ik wil langs die buitenste trap kijken,’ zei ik. ‘Met Mare. Die achter de huizen.’

Roos stopte haar potloden weg. ‘Ik weet niet of ik daar mee naartoe ga.’

‘Je hebt hem nog niet gezien.’

‘Nee. Daarom weet ik het niet.’

Ik keek naar mijn handen. Ik had zaterdag die trap ook alleen van ver gezien. In mijn hoofd was hij inmiddels een route geworden. Niet iets waar ik daadwerkelijk mijn voeten op moest zetten.

‘Je hoeft niet iedere keer mee,’ zei ik.

Roos keek op. ‘Dat weet ik.’

Er zat geen ruzie in haar stem. Ze tikte met haar schoen tegen de muur. Aan de andere kant kwam er iemand met een hond aan. De hond bleef precies onder ons zitten en keek heel aandachtig naar Roos' zakje. We lieten allebei onze lege handen zien. Hij geloofde ons niet.

Toen de hond verderliep, zei Roos dat Mare een ander woord had voor die struik met de rare bladeren. Ze probeerde het uit te spreken en raakte halverwege in de war. Ik wist niet welke struik ze bedoelde.

Ze beschreef hem. Eerst de bladeren, toen de plek bij het raam, toen hoe hij rook als je erlangs streek. Ik begon hem voor me te zien. Niet omdat ik er zelf was geweest, maar omdat zij hem had gezien en het wilde vertellen.

We bleven nog een tijdje zitten. Daarna namen we de lange weg terug, langs de dichte bakker en de straat waar altijd één fiets omviel als er verder niets gebeurde.

Thuis was Nadia aan het leren. Ze zat aan de keukentafel, met haar voeten onder de stoel en haar pen tussen haar vingers. Ik liep zacht naar de keuken.

Mijn koffer stond boven op mijn bed. Hij hoefde nergens heen.

Ik vroeg mijn moeder of ik morgen weer bij Nora mocht oefenen. Deze keer zei ik erbij dat ik ook de stad weer in wilde. Ze keek naar me, niet naar haar laptop. Ze vroeg of ik de weg terug wist.

‘Ja,’ zei ik.

Dat wist ik nu echt.

Je kunt ook zonder opgeslagen leesplek lezen.

Naar mijn leesplek

Fabliva op je beginscherm

Heeft je browser een installatieknop? Kies dan App installeren. Je kunt ook het browsermenu openen en kiezen voor Toevoegen aan beginscherm.

Op een iPhone of iPad vind je dit via de deelknop in Safari. Je kunt Fabliva ook gewoon in je browser blijven gebruiken.

Wat kan beter?

Een fout gevonden of een idee? Je hoeft geen naam of e-mailadres in te vullen. Zet geen privégegevens in je bericht.

Je bericht wordt naar Fabliva verstuurd. Gebruik 10 tot 2.000 tekens.