Hoofdstuk 2 van 32
Iemand achter de bank
Ik had de deur niet gehoord. Dat wilde niets zeggen. Ik hoorde wel vaker dingen niet als ik speelde, vooral als iemand vroeg of ik de tafel wilde dekken.
‘Sorry,’ zei ik.
Het meisje liet haar handen zakken. Ze droeg een blauwgrijze jas waarvan één mouw donkerder was, alsof ze ermee in een emmer had gehangen. In haar haar zaten twee korte vlechten. Ze keek naar de klarinet en toen naar mijn mond.
‘Ben je klaar?’
‘Nee. Maar ik kan wel even stoppen.’
‘Dat hoeft niet. Het was alleen vlak naast mijn hoofd.’
Ik keek achter haar. Tussen de poten van de bank lag een smalle, schuine strook licht. Ik had de gordijnen niet open zien gaan. Het licht kwam bovendien van de verkeerde kant. In de wand achter het orgel zaten geen ramen.
Het meisje draaide zich om en tilde de opgerolde mat een stukje opzij. De koperen boog erachter was geen versiering. Ik zag iets bewegen in de opening. Een waslijn, dacht ik. Daaronder stond een blauw huis op een plek waar volgens mij gewoon een stuk buitenmuur hoorde te staan.
Ik liep om mijn stoel heen.
‘Niet nog een keer zo hard,’ zei ze.
‘Ik wilde alleen kijken.’
Ze ging opzij. De muur verdween niet. Hij bleef links en rechts keurig staan, maar daartussen lag ineens een straat. Ik kon het huis zien en de lijn met wasgoed erboven. Onder een afdak liep iemand met een bezem. Hij veegde water van zijn stoep en kwam niet verder, omdat het uit de goot weer naar beneden liep.
‘Wie ben jij?’ vroeg ik.
‘Mare. Wie ben jij?’
Ik zei mijn naam. Mijn stem klonk voorzichtig, alsof ik hem bij iemand anders had geleend.
‘Je hebt de boog opengemaakt,’ zei Mare.
Ik keek naar mijn klarinet. ‘Daarmee?’
‘Nee. Met je stoel.’
Ze trok één mondhoek op. Ik vond het vervelend dat ze grappig kon zijn terwijl ik nog probeerde te begrijpen waar ze stond.
Ik blies de twee tonen nog eens. Deze keer zacht. De lage kwam er een beetje rafelig uit. De volgende lukte beter. Het koper leek naar achteren te schuiven. Niet heel ver, maar wel verder dan er muur was. Achter Mare bewoog de waslijn. De man met de bezem tilde zijn hoofd op.
Ik zette één voet voorbij de rand.
Mijn schoen raakte iets hards. Geen vloerbedekking, maar steen, met een beetje zand erop. Ik boog voorover om naar mijn voet te kijken en stond toen met mijn andere been ook al aan de overkant. Mijn schouder ging langs het koper. Het voelde koel door mijn trui heen.
De straat lag voor me.

Niet als iets wat je op een beeldscherm zag. Er zat een steentje onder mijn zool en ergens bakte iemand uien. Het blauwe huis had een scheve brievenbus. Op de stoep naast de bezem stond een kom met een heel dikke kat erin. Zijn poten staken over de rand. Hij deed alsof hij dat zo wilde.
Ik keek achterom.
Door de boog zag ik de zaal. Mijn stoel stond er nog, met de open koffer op de zitting. Aan de andere kant van de stoel lag de grote lege vloer. Ik kon de deur zien waardoor Roos naar de hal was gegaan. Er was niet ergens een ander gebouw in de plaats gekomen. Het was dezelfde zaal, alleen keek ik er nu naar vanaf een straat.
Ik hield mijn klarinet met beide handen voor mijn buik.
‘Kun je dat even uitleggen?’ vroeg ik.
‘Wat?’
Dat vond ik een nogal ruim antwoord.
Mare wees naar mijn instrument. ‘Daar moet je mee oppassen. De stenen bij die goot liggen los.’
Ik schoof mijn duim een stukje onder de steun. Dat deed ik vanzelf, zoals in de les. Er kwam iemand met een mand de hoek om. Hij liep langs ons, zei Mare gedag en moest zich een beetje inhouden om niet met zijn mand tegen mijn klarinet te botsen.
‘Hij is nieuw,’ zei Mare.
‘Dat zag ik,’ zei de man.
Ik wist niet of ze mij bedoelden of het instrument. De klarinet was ouder dan ik. Mijn ouders huurden hem van de muziekschool, met een formulier waarop heel duidelijk stond wat hij kostte als er iets ergs mee gebeurde.
‘Ik moet hem ergens neerleggen,’ zei ik.
‘Bij de boog is droog.’
Ik draaide me opnieuw naar de zaal. Roos stond in de deuropening. Ze had een beker in haar hand en bleef zo abrupt staan dat er iets over de rand ging.
‘Idris?’
‘Ik ben hier.’
‘Dat zie ik.’
Ze kwam dichterbij. Vlak voor het koper bleef ze staan. Haar blik ging van mij naar de straat en naar Mare. Ik zag haar een keer slikken.
‘Er staat een huis achter de bank,’ zei ze.
‘Ja.’
‘Dat was zaterdag nog niet.’
Mare keek van haar naar mij.
‘Je kunt erdoor,’ zei ik.
Roos tilde haar voet op en zette hem weer neer. ‘Ik weet nog niet of ik dat wil.’
Ik had er ook niet over nagedacht voordat ik de stap zette. Dat leek me geen goed argument om haar hetzelfde te laten doen.
Vanuit de hal riep Nora dat ze de schaar nergens kon vinden. Roos keek over haar schouder. Toen weer naar mij.
‘Ik had gezegd dat ik even zou helpen,’ zei ze. ‘Met die dingen boven de bar. En jij…’
Ze maakte een gebaar dat ongeveer de hele straat omvatte.
‘Ik ga even kijken,’ zei ik.
‘Niet tot morgen.’
‘Ik weet hoe laat het is.’
Roos keek naar mijn blote pols.
‘Er hangt een klok in de zaal,’ zei ik.
Ze wees naar mijn koffer. ‘Die neem ik straks wel mee. Als Nora afsluit en jij nog niet klaar bent met huizen achter banken vinden.’
Daar had ik nog niets op terug toen ze weer naar de hal liep.
Mare ging op een lage stenen rand zitten. ‘Gaat de zaal dicht?’
‘Om halfzes. Tenminste, dan moet ik weg.’
‘Dan weet je waar je terug moet zijn.’
Ze trok aan haar natte mouw en rolde hem een stukje op. Ik zette één voet terug door de boog. De vloer van de zaal lag er nog. Ik zette ook mijn andere voet erop, keek naar mijn stoel en ging weer de straat in.
‘Je hoeft er niet steeds in en uit,’ zei Mare.
‘Ik controleerde iets.’
‘Dat zag ik.’
Verderop klonk een belletje. Mare sprong van de rand.
‘Ik ben al laat,’ zei ze. ‘Loop je mee? Je staat hier toch.’
Ik keek nog een keer naar de boog. Een stukje verderop lag een lage plank op twee blokken, onder een afdak. Daarachter was een smalle lege plek. Ik legde mijn klarinet er voorzichtig neer. Niet op de kleppen. Ik controleerde of niemand hem er met een voet af kon stoten. Toen controleerde ik het nog een keer.
Mare wachtte tot ik klaar was.
We liepen de straat uit, de hoek om. Het pad boog omhoog zonder dat de huizen scheef gingen staan. Mijn kuiten begonnen het meteen te voelen. Bovenaan zat een brede richel dwars over de stenen. Mare stapte erover.
Ik ging ernaast staan. Aan de rand zag ik een laag gestreepte vouw, dik als een opgerolde deken. Een ijzeren haak hield hem vast aan een ring in de muur.
‘Is dat stevig?’ vroeg ik.
Mare stampte één keer op de straat. ‘Die ligt hier al langer dan ik.’
Ik wachtte tot ze aan de andere kant was en stapte zelf ook over. De straat gaf niet mee. Beneden hoorde ik de bezem over de stoep schrapen.
‘Je hoeft niet bang te zijn voor de stilte,’ zei Mare. ‘Als een rand vastzit, blijft hij zitten.’
Ik had helemaal niet meer aan het spelen gedacht. Toch leek ik de twee tonen nog ergens te horen.
‘Het orgel gaat weg,’ zei ik.
Mare bleef staan.
‘Over bijna twee weken,’ zei ik. ‘Ze komen het ophalen.’
Ze keek langs mij heen, de kant op waar de boog was. Het belletje rinkelde weer. Deze keer bleef ze staan tot het vanzelf ophield.