Hoofdstuk 8 · 11 minuten lezen
Een gewone vrijdag
Marten werd wakker voordat de wekker ging. Fenna lag met haar rug naar hem toe en een knie tegen zijn been. Haar haar lag over de rand van het kussen, het grootste deel de verkeerde kant op. Hij had nog nooit naast iemand gelegen die in haar slaap zo vastberaden plek innam. Hij wilde er graag iets over zeggen zodra ze wakker was.
Ze bewoog al voordat het piepje begon. Ze zette het uit, draaide zich om en keek hem aan. Dezelfde ogen als gisteravond, maar zonder enige haast om ergens een mooie blik van te maken.
'Goedemorgen,' zei hij.
'Je bent nog heel beleefd.'
'Ik ben nog aan het bepalen waar ik ben.'
'Bij de knolselderij.'
Hij moest lachen. Het was geen soepele lach na een nacht slapen, maar ze glimlachte alsof hij hem speciaal voor haar had gemaakt. Hij schoof een hand langs haar arm en trok haar dichterbij. Ze liet zich trekken, zoende hem en zei daarna dat ze echt moest opstaan. Hij vroeg hoeveel echt.
'Genoeg om over een kwartier vervelend te worden.'
'Ik zou het verschil graag leren kennen.'
Ze kneep even in zijn zij en ging uit bed. Hij bleef liggen en keek naar het licht langs de gordijnen. Gisteren had hij al eens gedacht hoe dit er in de ochtend uit zou zien. Hij was niet verder gekomen dan een vaag prettig vermoeden. Nu hoorde hij de douche en zag hij haar boek naast het bed, open met de bladzijden naar beneden, en wilde hij weten waar het over ging. Hij raakte het niet aan. Ze zou het hem wel vertellen als hij het vroeg.
Toen hij de keuken binnenkwam, had ze brood en twee borden neergezet. De koffie stond klaar om gezet te worden. Ze droeg haar werkkleren en kamde haar haar met de rust van iemand die allang wist hoeveel tijd dat nodig had. Hij ging bij de kraan staan en begon te vragen waar de lepels lagen. Ze wees zonder op te kijken.
'Ik weet het,' zei ze. 'Een ingewikkeld huis.'
'Ik wil alleen niet meteen al je kasten opentrekken.'
'De spannendste inhoud is havermout.'
Ze aten aan het kleine tafeltje. Hij had zijn trui weer aan en dacht aan hoe ze er gisteren met haar handen onder had gezeten. Ze zag hem kijken en nam nadrukkelijk nog een hap. Hij kon er weinig tegen doen. Dat beviel haar kennelijk, want ze deed er haar best voor langzaam te kauwen.
'Je vindt jezelf leuk,' zei hij.
'Ja. En ik heb er nu publiek bij.'
Hij stak zijn hand over de tafel. Ze legde de hare erin en drukte kort in zijn vingers. Daarna liet ze hem weer los om haar brood te smeren. Zo simpel kon het dus zijn. Samen opstaan zonder te moeten raden of de ander haast had om je uit de deur te krijgen.
Ze vroeg wat hij vandaag ging doen. Hij vertelde over het bezoek aan Koen. Dit keer wilde hij niet alleen zien hoe de winkel eruitzag, maar hoe de gewone vrijdag verliep. Het was later in de ochtend afgesproken, zodat hij thuis eerst zijn spullen kon hebben en niet rechtstreeks vanuit haar slaapkamer ergens een volwassen gesprek hoefde te voeren.
'Je kunt prima volwassen praten,' zei ze.
'Ik geef vanmorgen nog geen garanties.'
'Je hebt geen knopen open. Dat helpt.'
Hij keek omlaag. Ze lachte. Niets was vergeten of verkeerd dichtgedaan; ze had gewoon willen zien of hij keek. Hij boog zich naar haar toe en zoende haar. Ze bleef zitten met haar hand om zijn pols, een ogenblik langer dan nodig was om terug te zoenen. Toen keek ze op de klok.
Ze gingen tegelijk naar beneden. Hij liep met haar mee tot bij haar auto. Het was nog vroeg genoeg dat het geluid van een deur verderop duidelijk te horen was. Ze stopte haar tas achter de stoel en draaide zich naar hem toe.
'Ik vond het fijn,' zei ze.
'Ik ook.'
Het was zo weinig voor wat hij bedoelde dat hij haar nog eens kuste. Ze maakte er geen grap van. Ze bleef dicht tegen hem aan staan en streek met haar duim langs de rand van zijn trui. Daarna stapte ze in. Hij keek haar na en ging naar zijn eigen auto met een behoefte aan koffie die niet helemaal bij de koffie hoorde.
Thuis douchte hij en trok een gewone broek aan. Hij dacht aan haar hand om zijn pols aan tafel en merkte dat hij zich verheugde op een volgende ochtend bij haar.
Hij reed naar de fietsenzaak. Buiten stond een rij fietsen die kennelijk voor proefritten klaarstond. Een vrouw wees op het zadel van een donkerblauwe en zei iets tegen haar man. De man luisterde met een ernst alsof het om een wijziging in zijn testament ging. Marten liep langs en groette. De vrouw groette terug en ging verder met haar betoog.
Koen stond bij de werkplaatsdeur. Hij droeg een donker vest en had een potlood achter zijn oor. Hij verwelkomde Marten zonder aankondiging, wees naar het koffieapparaat en ging terug naar de klant met wie hij had gesproken. Marten schonk een kop in, hing zijn jas op waar Koen het vorige keer had aangewezen en bleef een tijdje luisteren.
Het werk ging anders dan hij het zich had voorgesteld. Niet trager of sneller. Er waren steeds twee gesprekken tegelijk. Iemand kwam iets ophalen, iemand anders wilde eerst nog een heel verhaal kwijt. Een bestelling moest worden nagekeken. Een klant had zelf al besloten wat het probleem was en was er niet blij mee dat de monteur iets anders vond. Koen luisterde zonder alles een goed idee te vinden. Hij kon iemand vriendelijk onderbreken op een manier waarvoor Marten waarschijnlijk drie zinnen nodig had gehad.
De vrouw van de donkerblauwe fiets kwam binnen. Ze wilde weten of ze met een andere fiets niet gewoon meer berg op kon. Haar man zei dat ze in Nederland woonden. Ze antwoordde dat hij afgelopen zomer heel anders had gepraat toen zij hem had moeten duwen.
Marten keek snel in zijn beker. Het lukte niet om zijn lach helemaal binnen te houden. De vrouw keek naar hem.
'Jij kunt zeker lachen,' zei ze.
'Ik heb weleens aan de andere kant van een heuvel gestaan.'
'Zie je,' zei ze tegen haar man, alsof Marten met één zin een onderzoek had afgerond.
Koen liet haar twee fietsen zien die bij haar plannen pasten en stelde een paar gewone vragen. Over hun reizen, de bagage, hoe vaak ze werkelijk reden wanneer ze thuis waren. Marten stond erbij en merkte hoe graag hij het antwoord wilde horen. Niet om daarna het juiste merk uit zijn hoofd te kunnen noemen. Hij wilde weten of die vrouw straks met een fiets naar huis zou gaan waarmee ze haar man nog een hele vakantie lang de waarheid kon vertellen.
Toen ze weer naar buiten liepen, wees Koen naar een tafeltje achter in de zaak. Daar lagen plannen voor een paar bijeenkomsten met recreatieve fietsers. Geen grote sportambities, wel mensen die samen op pad wilden zonder dat er één altijd harder ging en de rest zich achteraf verontschuldigde.
'Dat is het deel waar ik jou graag bij wil,' zei hij. 'Ik kan een avond vullen. Ik heb alleen niet voor iedere avond nog energie over.'
Marten pakte het bovenste vel. Geen selectie, geen plaats op een ploeg. Een gewone aankondiging met tijden en een prijs voor de deelnemers. Hij zou zich de namen moeten herinneren van mensen die kwamen om hun vrije tijd prettig te besteden. Hij kon zich voorstellen dat hij dat werk goed zou doen. Het was geen gedachte die hem meteen vrolijk maakte. Er zat te veel in wat hij ervoor zou laten.
'Je hoeft het niet nu te beslissen,' zei Koen.
'Ik kijk juist.'
'Je kijkt alsof ik je vraag voortaan fietsbellen te sorteren op toonhoogte.'
'Kan een goede middag zijn.'
Koen grinnikte en moest alweer naar voren. Marten legde het papier terug. Op de foto bij de aankondiging stonden mensen in gewone sportkleren te lachen. Eén man had zijn hand opgeheven en stond er onflatteus op. Niemand had hem eruit geknipt. Marten merkte dat hij daar langer naar keek dan naar de woorden eronder.
Een klant met een dunne grijze baard kwam naast hem staan. Hij zocht een helm en wist niet welke maat hij had. Koen zei van achter de balie dat hij er zo aankwam. De man bleef wachten en bekeek intussen de aankondiging.
'Ik ben vorig jaar een keer mee geweest,' zei hij. 'Was leuk.'
'Met deze groep?'
'Met Koen. Moet je wel van praten houden. Hij heeft onderweg van alles te vertellen. Je denkt dat hij een stil mens is als je hem hier ziet.'
Marten keek naar Koen, die nu in een doos naar iets zocht voor een jongen bij de kassa. 'Dat was niet mijn eerste indruk.'
De man lachte. Hij vertelde over de tochten die hij deed, hoe hij na zijn pensioen weer was gaan fietsen en ontdekt had dat zijn vrienden niet allemaal nog zin hadden om met hem mee te gaan. Hij had nieuwe mensen leren kennen, zei hij. Hij sprak er opgetogen over, alsof hij er zelf ook niet helemaal op had gerekend. Marten luisterde en vroeg waar ze dan heen reden.
Er kwam een verhaal over een veerpont die ze net hadden gemist. Over een verkeerde afslag die de beste dag van de zomer was geworden. Marten had tientallen van dat soort verhalen. Het was prettig dat de man er geen wedstrijduitslag bij nodig had. Hij vertelde over de keer dat hij in een onbekende stad hetzelfde plein drie keer was overgestoken voordat hij begreep dat hij rondjes liep. De man lachte zo hard dat Koen opkeek.
'Marten rijdt wedstrijden,' zei Koen toen hij erbij kwam. 'Misschien gaat hij straks wat dingen bij ons doen.'
'O, leuk,' zei de man. Hij keek naar Marten. 'Dan heb je hier vast meer aan dan ik.'
Hij wees naar een helm die glom in het licht van het plafond. Hij had geen idee wie Marten was. Dat was duidelijk genoeg om heel even te steken. Marten was niet beroemd. Hij wist alleen hoe gemakkelijk het op een wedstrijddag was om te denken dat iedereen ongeveer begreep wat je naam betekende.
'Ik kom vooral kijken,' zei hij.
'Dat doe ik al twintig minuten. Ik ben er nog niet uit.'
Koen nam het over en liet de man iets passen. Marten bleef ernaast staan. Hij vond het prettig dat het gesprek doorging zonder dat iemand nog een bewijs van zijn deskundigheid nodig had. Even later vertrok de man met een doos onder zijn arm en een vrolijke opmerking over het weer. Marten wist nog steeds niet hoe hij heette. Hij had wel zin om hem bij zo'n bijeenkomst weer tegen te komen.
Koen kwam terug met twee koppen koffie. Ze gingen achterin zitten. Marten dacht aan de vier werkdagen van het voorstel: dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag. Twee daarvan op dagen dat hij nu meestal aan een wedstrijdweekend begon. Vroeger had hij zo naar een kalender gekeken wanneer er ineens een training moest wijken voor iets van de familie.
'De zaterdag zal wennen zijn,' zei hij.
'Voor mij ook. Dan ben ik eindelijk niet de enige die er de hele dag staat.'
Marten lachte. Koen legde zijn kop neer en vroeg wat hem vandaag was opgevallen. Hij vertelde over de klant met zijn nieuwe fietsplannen, over de twee gesprekken door elkaar en over de aankondiging van de groep. Hij merkte dat hij niet hoefde te doen alsof alles hem vanzelf afging. Koen wist dat al. Hij had hem nooit aangeboden precies hetzelfde leven te blijven leiden voor een ander bedrag.
'Kom gerust nog eens kijken,' zei hij bij het afscheid. 'Maar laat me wel op tijd weten of ik iemand anders moet zoeken.'
Marten beloofde dat. Het was een redelijke vraag die opeens meer gewicht had nu hij wist wat hij kon missen wanneer hij nee zei.
In de auto pakte hij zijn telefoon voordat hij wegreed. Er was een bericht van Fenna, uit haar pauze. Ze vroeg hoe de winkel was. Hij tikte dat iemand hem een verhaal had verteld waarin niemand sprintte om te winnen. Het was een opluchting voor iedereen geweest.
Haar antwoord kwam toen hij nog op de parkeerplaats stond. Wil je zondag een wandeling maken met iemand die dat heel moeilijk gaat vinden?
Hij belde haar. Ze nam op met een mond vol brood en zei dat hij tien seconden moest wachten. Hij wachtte en keek naar de vrouw die de donkerblauwe fiets weer voor de winkel zette. Ze wees naar haar man. Hij stak beide handen op.
'Ja,' zei Marten toen Fenna terug was.
'Je weet niet eens waar.'
'Ik volg je wel.'
'Ik zal een rondje kiezen waarin je niet verdwaalt.'
Hij zei dat hij daar hoge verwachtingen van had. Ze lachte, moest terug naar haar werk en hing op na een kort tot zondag. Hij bleef nog even zitten. De winkel was er nog. Zijn fiets stond thuis. En zondag zou er iemand zijn die expres langzamer kon gaan lopen om hem naast zich te houden. Hij startte de auto en reed weg voordat hij daar nog een ingewikkelder verhaal van maakte.