Hoofdstuk 32 · 10 minuten lezen
Mei
De klant wilde weten of Marten zelf ook fietste. Hij stond met zijn handen op het stuur van een fiets die hij nog niet had gekocht en keek naar Martens schoenen. Gewone schoenen, met een spat regen op de neus. Marten was die ochtend op zijn oude fiets naar de zaak gekomen.
'Ja,' zei hij.
'Een beetje of echt?'
Van achter de balie keek Koen op. Marten zag het en besloot hem het plezier niet te doen.
'Regelmatig. Wat wilt u ermee gaan doen?'
De man legde het uit. Eerst vertelde hij wat hij vroeger allemaal had gedaan, daarna waar hij nu naartoe wilde. Marten liet hem uitpraten. Ze kwamen uit bij ritten met zijn vrouw, een langere tocht die hij voor de zomer had bedacht en het vervelende feit dat hij onderweg steeds op de verkeerde plekken last kreeg. Marten vroeg door. Waar hij iets niet zelf kon beoordelen, haalde hij zijn collega erbij.
Na een tijdje ging de man naar buiten om een fiets te proberen. Koen kwam naast Marten staan.
'Een beetje of echt?' herhaalde hij.
'Ik had bijna gezegd dat ik tegenwoordig alleen nog maar boodschappen deed.'
'Dan had hij meteen geweten waarom je wel verstand van fietstassen hebt.'
Marten lachte. Hij keek de man na. Er kwam een vrouw met een kind op de stoep aan; de man stapte af om ze voorbij te laten. Daarna begon hij opnieuw, iets minder aarzelend. Marten vond het prettig dat hij dat even kon zien.
Tegen sluitingstijd wist hij dat hij klaar was. Er lag werk voor de volgende week, maar niets waarvoor hij nu nog moest blijven staan om te bewijzen dat hij het serieus nam. Koen wenste hem een goed weekend en zei dat hij Fenna de groeten moest doen. De vrije zaterdag was al weken geleden geregeld.
Buiten nam Marten zijn telefoon. Ze had een bericht gestuurd uit de keuken van het huis waar ze woonde. Ze praatte zachter omdat er iemand op de achtergrond aan het bellen was, maar hield het niet vol toen ze over haar training begon. Hij luisterde naast zijn fiets. Na twee zinnen moest hij glimlachen. Ze had zin in morgen. Hij ook.
Toen hij haar zaterdagmiddag werkelijk zag, was ze bezig uit te leggen waarom ze iets later bij het station was dan de vorige keer. Ze hield op zodra ze bij hem stond. Hij kuste haar en voelde hoe ze haar armen om hem heen sloeg.
'Je verhaal mag best verder,' zei hij.
'Straks. Ik had dit eerst moeten doen.'
Ze pakte zijn hand. Ze had haar haar los en een gewoon shirt aan, dat hij kende van haar bezoek eind maart. Ze was toen een paar dagen in Nederland geweest, had bij hem gelogeerd, haar moeder gezien, Madelon opgezocht en een keer boos in zijn keuken gestaan omdat zij allebei te laat waren gaan eten. Dat laatste herinnerde hij zich met plezier. Hij dacht er nog vaak aan, ook op gewone avonden waarop hij alleen thuis was.
Hij zette zijn kleine tas op de plek naast het bed waar die bij zijn vorige bezoek ook had gestaan. Fenna gooide haar jas op het bed en vroeg of hij eerst wilde eten of eerst wilde doen alsof ze geen honger hadden.
'Wat is het tijdsverschil?' vroeg hij.
'Dat hangt van jou af.'
Hij trok haar naar zich toe. Ze lachte, hield zijn gezicht vast en kuste hem met zoveel aandacht dat hij vergat waar hij de tas had neergezet. Buiten stond iemand een auto te wassen. Ze hoorden een paar tellen muziek door het raam en daarna helemaal niet meer.
Later gingen ze naar beneden. Haar verhuurster vroeg in het Engels of de reis goed was gegaan. Ze kende hem inmiddels. Hij vroeg naar de plant die vorige keer nog nauwelijks blad had gehad. De vrouw keek naar het raam en zei dat hij blijkbaar genoeg keek om terug te mogen komen. Fenna vertaalde niets wat hij zelf had begrepen. Ze ging wel naast hem staan en legde haar hand op zijn onderrug.
Bij het eten vertelde ze over een gesprek met Naja. Ze wilde een bepaald deel van haar rijden verbeteren en was boos geweest dat het de ene dag wel lukte en de volgende niet. Naja had haar een vraag gesteld waar ze eerst het verkeerde antwoord op had gegeven, vooral omdat ze zo graag al had willen weten wat er mis was.
'En toen?' vroeg Marten.
'Toen moest ik het beter uitleggen.'
'Dat klinkt zwaar.'
'Onnodig zwaar. Ze had ook gewoon kunnen raden.'
Hij lachte. Hij hoefde het niet op te lossen om het verhaal graag te horen. Fenna wilde ook weten hoe zijn week was geweest. Hij vertelde over de man met de vraag of hij echt fietste. Zij keek hem aan met een gezicht waarop het lachen al klaarstond.
'Wat zei je?'
'Dat ik heel vaak bij iemand over wielrennen op bezoek ging.'
'Niet.'
'Nee.'
'Zonde. Dat is toch een van je zwaarste onderdelen.'
Hij schoof zijn stoel dichterbij. Ze legde haar hand op zijn been, gewoon zichtbaar onder het licht boven de tafel. Hij vond haar aantrekkelijk terwijl ze kauwde, nadacht, hem met een vinger tot wachten maande omdat ze nog iets wilde vertellen. Hij wilde ook weten hoe haar volgende maand eruitzag.
Begin juni zou zij weer een paar dagen naar Nederland komen. De reis was geboekt. Ze had hem al gevraagd één avond vrij te houden waarop ze nergens anders heen hoefden. Hij had in zijn agenda gekeken en ja gezegd. De naam van de maand maakte het niet minder echt dan de afspraak voor deze middag.
Ze spraken ook over de zomer. Het gefinancierde blok liep tot eind juli. Fenna moest daarna bepalen hoe haar volgende sportperiode eruit zou zien. Hij vroeg niet of ze nu dan wel voorgoed terugkwam. Zij liet het gesprek evenmin eindigen bij datgene wat ze nog niet wist.
'Als ik terug ben, wil ik niet meteen weer voor iedereen overal moeten zijn,' zei ze. 'Ik wil ook met jou weg kunnen.'
'Een paar dagen?'
'Ja. Zonder dat er in de buurt toevallig een wedstrijd is.'
'Dan kunnen we beter nu alvast een kaart pakken. Er zijn een hoop gevaarlijke plaatsen.'
Ze glimlachte. Hij vertelde wanneer het in de winkel mogelijk zou zijn om langer vrij te nemen. Ze kozen nog geen reis. Ze kozen wel een paar dagen om voor zichzelf te houden zodra haar terugkeer vastlag. Ze praatten over de plekken waar ze allebei nog nooit waren geweest. Fenna gaf toe dat ze vooral veel wegen kende die tussen twee hallen lagen.
Zondag haalden ze twee gewone huurfietsen. Fenna had een route bedacht die ze zelf al eens had gereden. Ze zei dat er een plek was waar je iets goeds kon eten. Marten vroeg of er ook onderweg iets te zien viel.
'Je moet wel een beetje moeite doen voor je lunch.'
'Ik dacht dat ik daarvoor naar Denemarken was gekomen.'
Ze stapte op en keek om. Hij volgde. Het was warmer dan bij zijn vorige bezoek, met licht dat langer op de huizen bleef liggen en mensen die hun jas niet helemaal meer dicht hadden. Fenna kende de afslagen nu zonder haar telefoon te pakken. Hij vond het mooi om achter haar aan te rijden en te zien waar ze met zekerheid heen ging.
Bij een kruising moest hij wachten tot zij merkte dat hij er niet meer naast zat. Ze kwam terug en wees op de weg die zij had willen nemen. Hij had haar niet verkeerd begrepen; hij had alleen gedacht dat ze bij elkaar bleven.
'Je bent niet heel langzaam,' zei ze.
'Bedankt.'
'Ik wilde je niet kwijtraken.'
'Dat dacht ik ook niet.'
Ze bleven daarna dichter bij elkaar. Waar het pad smaller werd, ging de een voor de ander. Hij keek graag naar haar, naar de manier waarop zij soms met haar hoofd wees op iets wat zij langs de weg zag.
Op een rustiger stuk kwam ze naast hem. Ze vroeg of hij nog met Rik reed. Afgelopen maandag, zei hij. Ze waren niet bij de koffiestop uitgekomen die ze aanvankelijk hadden willen nemen. Er was een stuk weg dicht geweest en daarna hadden ze besloten dat het nergens voor nodig was er toch bij uit te komen.
'Waren jullie wel terug voor het donker?'
'Ruim. We zijn niet meer zo fanatiek.'
'Ik heb je anders nog niet echt langzaam gezien.'
Hij keek naar haar. 'Ik kan het wel.'
'Dat is geen bewijs.'
Ze keek zo ernstig dat hij begon te lachen. Fenna liet zich iets terugzakken en bleef naast hem rijden op een tempo dat nergens op hoefde uit te komen. Ze bekeken een man die in zijn tuin de hele inhoud van een kruiwagen opnieuw leek te ordenen en reden langs een kind dat zijn moeder riep om naar iets heel kleins op de grond te kijken.
Bij de plek die Fenna had uitgezocht, stapten ze af. Ze zetten de fietsen neer en gingen een stukje lopen voordat ze naar binnen gingen. Hij pakte haar hand. Ze trok hem naar de kant van het pad waar de zon viel.
'Ik vind het fijn dat jij dit ook leuk vindt,' zei ze.
'Wat?'
'Dit. Gewoon met mij een eind fietsen.'
Hij bleef even staan. Ze keek terug, een beetje verlegen om wat ze had gevraagd. Hij kuste haar.
'Ik ben hier voor jou,' zei hij. 'Ik vind het ook leuk dat je ergens naartoe weet te rijden.'
'Dat tweede is niet gegarandeerd.'
'Dat had ik al begrepen.'
Ze gaf hem een duw en begon te lachen. Hij hield haar hand vast terwijl ze verdergingen. Binnen vonden ze een tafel bij het raam. Ze bestelden iets te eten en Fenna wilde weten of hij ook de taart wilde die zij had gezien.
'Eerst dit,' zei hij.
'Dat zegt iemand die straks de helft van mij wil.'
'Dat was ik inderdaad van plan.'
'Dan haal ik voor de zekerheid twee vorken.'
Ze keek hem aan. Hij herkende de haast naar een grap die hij haar de eerste avond al had willen geven. Hij boog zich over de tafel en kuste haar. Ze legde haar vingers onder zijn kin en hield hem nog even bij zich.
Maandag zou hij weer naar huis gaan. Dinsdag zou hij werken. Fenna zou hier blijven rijden, Naja vragen stellen, soms zo moe zijn dat ze halverwege een verhaal ophield met luisteren. Hij kende inmiddels de zinnen die ze dan gebruikte. Zij wist dat hij na een volle zaterdag ook niet altijd zin had zijn hele dag in goede volgorde na te vertellen. Ze bleven elkaar bellen. Er gingen ook middagen voorbij waarop ze alleen iets onbenulligs stuurden, precies omdat ze de ander erbij wilden hebben.
Ze liet hem haar glas proeven omdat zij vond dat hij verkeerd had gekozen. Hij proefde, trok een gezicht en duwde het terug. Ze begon te lachen en dronk demonstratief nog een slok.
Het eten kwam. Fenna rook eraan, keek tevreden en schoof haar bord naar het midden zodat hij ook een hap kon nemen. Hij pakte zijn vork, nam een stukje en zag haar wachten op zijn reactie.
'Goed,' zei hij.
'Dat dacht ik.'
Hij at nog een hap van zijn eigen bord. Fenna keek naar buiten, keek terug naar Marten en zette haar voet tegen de zijne.
Toen ze klaar waren, stond ze op om nog iets te bestellen. Hij vroeg wat ze ging doen. Ze wees naar de vitrine.
'Jij zei eerst dit. Dat hebben we gedaan.'
Hij lachte. Ze kwam terug met één stuk taart en twee vorken, ging naast hem zitten en nam vast de eerste hap.
Einde

