Hoofdstuk 20 · 11 minuten lezen
Nog een seizoen
Bij het ontbijt wist Marten nog hoe hij Fenna aan het lachen kon krijgen. Hij vertelde over de man bij de receptie die hem gisteren een wandelroute had aangeprezen en daarna zo uitvoerig voor de modder had gewaarschuwd dat Marten had gedacht dat hij moest beloven niet te gaan. Fenna lachte, leunde met haar elleboog op tafel en vroeg of hij de man inmiddels had laten weten dat zijn schoenen het hadden overleefd.
Het was fijn. Hij wilde niet achteraf doen alsof de hele ochtend al verkeerd was geweest. Ze had goed geslapen en zat naast hem, haar been tegen het zijne. Boven lagen hun spullen nog door elkaar. Hij kon een kamer altijd snel leegmaken. Vandaag wilde hij lang doen over het opruimen.
'We kunnen hier in het voorjaar nog een keer heen,' zei ze.
Hij keek op. 'In het voorjaar.'
'Als ik terugkom voor een paar dagen. Of na het programma. Het is hier mooi.'
'Ja.' Hij sneed een stuk van zijn brood. Ze had geprobeerd iets aardigs te zeggen. Hij hoorde alleen hoe ver ze de dagen waarin hij haar wilde zien naar voren schoof.
'Je kijkt alsof ik je gevraagd heb om op de hond te passen,' zei ze.
'Je hebt geen hond.'
'Precies. Het is een heel gemakkelijk voorstel.'
Hij wilde met haar meelachen. De glimlach kwam niet ver genoeg. Ze bleef hem aankijken tot hij zijn mes neerlegde.
'Ik zou het ook graag iets vaker doen,' zei hij. 'Niet pas als je terug bent.'
'Dan gaan we daarheen. We hebben het over bezoeken gehad.'
'Ja.'
Ze pakte haar glas en nam een slok. Hij zag de vermoeidheid voor dit gesprek op haar gezicht verschijnen en werd er kwaad van. Het ging niet uitsluitend over hetzelfde rooster dat ze eerder hadden bekeken. Hij wilde haar vertellen dat er iets aan hun manier van samen zijn knaagde, ook hier, op een plek die ze er speciaal voor hadden gekozen.
'Gisteren hebben we een paar uur gehad,' zei hij.
'En vrijdagavond. En vannacht. En nu.'
'Dat weet ik.'
'Het klinkt niet alsof je het weet.'
Hij keek om zich heen. Aan een andere tafel schoof iemand een stoel naar achteren. Hij wilde dit niet bespreken met vreemden op gehoorsafstand. 'Zullen we naar boven gaan?'
Ze knikte. Hij stond op en liep voor haar uit. Bij de trap wilde hij haar hand pakken, zoals ze gisteren hadden gedaan. Hij deed het niet. Het zou een geruststelling zijn die hij op dat moment niet kon geven.
Op de kamer ging Fenna op de stoel bij het raam zitten. Hij bleef bij het bed staan. Het zat hem niet lekker dat ze zo naar hem op moest kijken. Hij ging op het bed zitten en legde zijn handen tussen zijn knieën.
'Ik heb gisteren echt een goede middag gehad,' zei hij.
'Ik ook.'
'Maar ik had gehoopt dat we een heel weekend konden hebben. Dat je niet telkens weer weg moest.'
'Ik had gezegd dat ik trainde.'
'Je had gezegd dat het kort was.'
Ze keek naar het raam. 'Ik heb het kleiner voorgesteld. Omdat ik met je mee wilde. Dat was niet handig.'
Hij wachtte op het vervolg. Er kwam niets. Ze had haar vergissing gegeven, hij kon hem aannemen. Maar achter dit weekend lag februari al, en hij kon die maand niet telkens behandelen alsof ze er vanzelf nog wel iets op vonden.
'Wat gebeurt er daarna?' vroeg hij.
'Na vandaag?'
'Na die zes maanden.'
Fenna leunde achterover. 'Dat weet ik nog niet.'
'Als het goed gaat?'
'Dan hoop ik verder te kunnen. Misschien daar, misschien iets anders. Ik weet het echt niet, Marten.'
Hij had het antwoord kunnen bedenken. Toch voelde het alsof hij iets ontdekte wat ze voor hem had achtergehouden. De zes maanden hadden in zijn hoofd tenminste een rand. Hij kon erdoorheen kijken naar een tijd waarin ze weer in dezelfde keuken zouden staan. Nu hoorde hij dat er daarna gewoon weer een volgende vertrekmogelijkheid kwam.
'Dus dit is niet een halfjaar weg.'
'Dit is een halfjaar weg. Verder is er niets afgesproken.'
'Voor jou is er daarna misschien weer iets beters.'
Ze trok haar hoofd iets terug. 'Beters dan wat?'
Hij had kunnen zeggen dat hij het over sport had. Dat zou niet helemaal waar zijn geweest. 'Dan hier.'
'Ja. Misschien. Ik wil nog goed worden. Beter dan nu.'
'Dat kun je hier ook.'
Ze keek hem strak aan. Hij wist al hoe het klonk en probeerde het toch verder uit te leggen. Over de trainingen die ze nu had, over Gita, over een leven waarin ze niet alles tegelijk hoefde los te laten. Ze liet hem uitspreken. Dat was onaangenamer dan wanneer ze hem meteen had onderbroken.
'Ik heb hier vierentwintig uur werk, huur en een training die ik steeds weer moet zien te passen,' zei ze. 'Daar kan ik een halfjaar gewoon rijden. Met een eigen groep. Daar kijk ik al jaren naar uit.'
'Ik zeg niet dat het niets is.'
'Je zegt dat ik het net zo goed hier kan doen.'
'Ik zeg dat er ook iets is aan hier blijven.'
Ze boog voorover. 'Ja. Jij.'
De opluchting kwam zo snel dat hij er even niet tegen kon praten. Daarna zag hij haar gezicht. Ze had hem geen oplossing aangereikt. Ze had het verzoek benoemd dat hij tot nu toe in steeds andere zinnen had gestoken.
'Dat mag toch iets zijn?' vroeg hij.
'Dat is het ook.'
'Maar nooit genoeg om iets voor te veranderen.'
'Ik verander dingen. Ik ben hier. Ik probeer met je weg te gaan, tijd te vinden. Jij wilt dat ik iets heel anders verander.'
Hij stond op en ging bij het raam staan. Buiten liep een stel met twee honden naar de parkeerplaats. Ze hadden allebei een rugzak om, de één praatte, de ander luisterde. Marten had geen idee waar ze naartoe gingen of wat ze al hadden afgesproken om dit uur naast elkaar te lopen. Hij was jaloers op iets wat hij zelf verzon.
'Ik wil gewoon iemand in mijn leven,' zei hij.
'Dan moet je ophouden te doen alsof ik daar niet in zit.'
Hij draaide zich om. 'Ik heb de laatste tijd voortdurend het gevoel dat ik achter je aan sta te zwaaien.'
'Ik ben nog niet eens weg.'
'Precies.'
Het woord bleef tussen hen in staan. Hij zag hoe ze het ontving. Als een beschuldiging voor iets wat straks nog erger werd. Dat was wat hij bedoelde en ook niet. Hij wilde haar laten voelen dat hij er moeite mee had. Nu ze het voelde, zag hij vooral dat hij haar pijn deed.
'Weet je wat ik niet wil?' zei ze. 'Dat ik straks bij ieder goed ding moet denken: hoe moet ik dit vertellen zonder dat hij weer boos wordt?'
'Ik ben niet boos omdat je goed rijdt.'
Ze keek hem aan. Ze hoefde Apeldoorn niet te noemen. Hij herinnerde zich zijn eigen opmerking en haatte dat hij haar de vergelijking zo gemakkelijk had gemaakt.
'Dat was één rotopmerking,' zei hij.
'Dat weet ik. Je hebt er vandaag weer een paar gemaakt.'
Hij ging met zijn hand over zijn gezicht. Ze hadden de kamer nog voor een klein uur. Hij dacht aan de rekening die ze zouden delen, aan de vrouw beneden die zou vragen of alles naar wens was geweest. Die normale afronding werd groter dan het gesprek dat hij eigenlijk wilde voeren.
'Kun je niet nog een seizoen hier blijven?' vroeg hij.
Ze zei niets.
'We zijn net begonnen. We hoeven niet meteen te doen alsof afstand het enige is.'
'Je vraagt of ik afzeg.'
'Ik vraag of je het zou overwegen.'
Ze stond op. 'Nee.'
Hij zag haar slikken. Hij had een vraag gesteld waar ze over mocht nadenken, hield hij zichzelf voor. Dat maakte het niet minder duidelijk dat haar nee hem ineens de afwijzing gaf die hij de hele ochtend had gevreesd.
'Goed,' zei hij.
'Nee, zo niet. Het is niet goed. Je gaat hier niet staan doen alsof ik een heel gewoon voorstel van je van tafel veeg omdat ik per se mijn zin wil.'
'Je wilt ook je zin.'
'Ja. Ik wil dit. Ik wil jou ook. Dat is niet hetzelfde als dat ik maar moet blijven.'
Hij keek naar de vloer. 'Je kunt ook nooit eens ergens klaar mee zijn.'
Zodra hij het had gezegd, wist hij dat hij het niet terug kon nemen door zachter te praten. Fenna keek hem aan met een uitdrukking die hij niet kende. Haar blik was niet fel meer. Ze leek hem van verder weg te bekijken.
'Jij hebt al jaren een laatste seizoen,' zei ze. 'Als iemand weet hoe je iets niet loslaat, ben jij het.'
Hij voelde het in zijn buik. Niet omdat het een leugen was. Omdat zij wist hoe moeilijk hij het vond om dat woord laatste hardop te gebruiken en het nu precies op de plek legde waar hij niet tegen kon.
'Zo praat je over mij?' vroeg hij.
'Dan moet je het niet tegen mij gebruiken.'
'Ik heb je sport niet tegen je gebruikt.'
'Je vroeg net of ik ermee wilde wachten omdat jij eindelijk een ander plan hebt.'
'Eindelijk.' Hij knikte. 'Dat is het dus.'
Ze schudde haar hoofd. Hij zag dat ze alweer wilde herstellen wat ze had gezegd en liet haar niet. 'Zeg maar gewoon dat je vindt dat ik blijf hangen. Dan hoef je niet zo aardig te doen over die winkel.'
'Dat vind ik niet.'
'Het kwam er anders vrij snel uit.'
Ze ging op de rand van het bed zitten. Hij bleef staan. Er was op deze kamer geen plek meer waar een beweging geen betekenis kreeg. Als hij naast haar ging zitten, zou hij haar aanraken. Als hij de badkamer inging, zou zij denken dat hij het gesprek afbrak. Hij wist niet wat hij wilde doen en werd boos op de kamer omdat die geen extra hoek had.
'Ik vind die baan goed voor je omdat je er zelf blij van wordt,' zei ze. 'Niet omdat ik denk dat je voor de rest bent afgeschreven.'
Hij knikte, niet omdat het goed was gekomen maar omdat hij haar hoorde. Aan de andere kant van de muur ging een deur dicht. De mensen uit de kamer ernaast vertrokken. Hij keek naar zijn eigen tas en begon de spullen erin te leggen die al klaar lagen.
'We hoeven nu niet meteen een antwoord te hebben,' zei hij.
'Maar je hebt wel een vraag gesteld.'
'Ja.'
Ze stonden een tijdje zonder iets te doen. Daarna pakte Fenna haar eigen kleren. Ze deden hun werk naast elkaar, zorgvuldig genoeg om niets te vergeten. Haar fiets moest nog naar de auto. Hij hielp haar niet, en zag aan haar gezicht dat ook dat een keuze leek. Hij had geen zin meer in de vraag welke versie van behulpzaamheid haar op dit moment zou bevallen. Hij duwde de onvriendelijke gedachte niet meteen weg.
Beneden vroegen ze inderdaad of het verblijf goed was geweest. Fenna zei ja. Het was niet eens een leugen. Ze betaalden ieder hun deel. Buiten kuste ze hem op zijn wang, en hij hield haar een ogenblik aan haar elleboog vast. Er was zoveel waarmee hij het weekend nog had willen afsluiten. Een volgende datum. Een grap over de wandeling. Haar mond op de zijne.
'Ik bel je,' zei hij.
Ze knikte en liep naar haar auto. Hij bleef staan tot ze wegreed, wat hem nog nooit eerder als machteloosheid was voorgekomen.
Thuis ging hij niet meteen naar binnen. Hij zat met zijn handen op zijn benen en keek door de voorruit naar een man die een boodschappenkrat uitlaadde. Alles ging door. Dat was het meest onrechtvaardige aan een ochtend waarop je iemand had gekwetst: er kwam geen onderbreking waarin je het eerst nog kon herstellen.
Hij had later een afspraak met zijn eigen duurgroep. Hij had zich opgegeven en zijn spullen stonden klaar. Tijdens de voorbereiding vergat hij even te denken aan de kamer. Bram vroeg naar zijn plan voor het blok en Marten gaf een antwoord waar zijn coach iets aan had.
Op de baan lukte het hem zijn aandacht langer vast te houden dan die ochtend aan tafel. Dat had iets beschamends. Hij kon blijkbaar wel luisteren naar een fluitje, naar de man naast hem, naar een opdracht die over een paar minuten voorbij was. Bij Fenna was hij blijven vragen tot ze iets zei wat hij haar kwalijk kon nemen.
Na afloop bleef hij niet hangen. Hij reed naar huis, at iets en opende hun gesprek. Er stonden geen nieuwe berichten. Hij typte dat het hem speet wat hij had gezegd over nooit ergens klaar mee zijn. Hij liet de zin staan. Daarna vroeg hij of ze elkaar vanavond nog konden zien. Niet om het weekend over te doen. Gewoon praten, zonder straks de sleutel van een kamer in te moeten leveren.
Fenna antwoordde na een paar minuten. Ja. Ik kom naar jou. Hij keek naar het scherm en voelde zich opgelucht. Hij wist niet hoeveel die opluchting betekende. Ze hadden een afspraak. Hij wist nog niet wat ze elkaar daarin zouden kunnen geven.