Hoofdstuk 24 · 11 minuten lezen
Wat hij terugstuurde
Marten zag het bericht toen hij met een vuilniszak bij de deur stond. Hij had de zak dichtgeknoopt zonder het afval uit de badkamer erbij te doen. Dat kon er nu niet meer bij, tenzij hij de knoop weer lospeuterde. Hij keek naar het scherm, zette de zak neer en ging op de rand van de bank zitten.
Ik wilde je vandaag iets stoms laten zien. Toen miste ik je zo dat ik er boos van werd. Ik weet nog steeds niet hoe wij moeten met straks. Maar ik mis jou, niet alleen hoe het was. Dat wilde ik zeggen.
Hij las het met de zak tussen zijn voeten. Buiten reed een scooter voorbij. Iemand gooide ergens glas in een bak. Hij wilde meteen antwoorden dat ze moest komen. Dat hij haar dan iets te eten zou geven en haar jas over de kapstok zou hangen, ook al viel die er waarschijnlijk weer af. Hij wilde haar voor zich hebben wanneer ze iets zei.
Hij legde de telefoon op zijn knie. Vorige week hadden ze al geprobeerd om elkaar alleen maar aan te kijken en te doen alsof ze niet wisten wat daarachter kwam. Dat had het afscheid niet gemakkelijker gemaakt. Hij pakte de vuilniszak op en ging naar beneden.
Bij de containers kreeg hij het deksel niet meteen omhoog omdat er een handvat van een andere zak tussen zat. Hij duwde, trok en kreeg de zak er uiteindelijk in met meer kracht dan nodig was. De vrouw die haar papier kwam wegbrengen, keek hem even aan.
'Zit vast,' zei hij.
Ze knikte alsof dit een voldoende verklaring was voor een man die zo boos naar een afvalbak keek. Hij hield het deksel voor haar open. Zij liet haar papier vallen en bedankte hem. Het hele gesprek had zich afgespeeld binnen een wereld waarin mensen konden helpen en daarna weer naar huis gaan.
Boven zat hij opnieuw op de bank. Hij schreef: Kom hier. Hij hield zijn duim boven het scherm en haalde de woorden weg. Daarna probeerde hij iets over haar training. Ook dat klopte niet. Ze had hem niet om een uitslag gevraagd.
Ik mis jou ook, stuurde hij uiteindelijk. Ik zou je graag zien. Ik weet alleen niet wat we dan doen met alles wat we al gezegd hebben. Ik ben wel blij dat je dit stuurt.
Hij bleef nog even kijken. Er verscheen geen antwoord. Hij wilde haar niet met een tweede bericht uitleggen hoe ze het eerste moest lezen. Hij legde de telefoon weg en ging de badkamerbak legen.
De volgende ochtend vond hij zijn autosleutels niet. Hij liep van de gang naar de keuken, trok twee jassen van hun haak en zag ze uiteindelijk op de vensterbank. Hij had ze daar zelf neergelegd. Niemand kon hem uitleggen waarom.
Bij de winkel van Koen was nauwelijks plek. Marten parkeerde een straat verder en liep terug met het achterwiel dat hij had willen brengen onder zijn arm. Het hoorde bij een gewone fiets die al maanden vooral in de weg stond. Hij had hem willen verkopen en daarna besloten dat hij hem misschien toch zelf wilde houden. De fiets was ouder dan sommige renners tegen wie hij inmiddels reed.
Koen stond bij de balie naast een klant die een fietstas vasthield. De tas zat nog aan het rekje dat van de fiets was losgehaald. Ze keken er allebei naar met de aandacht van mensen die hoopten dat de ander wist wat nu handig was.
'Daar is onze specialist,' zei Koen toen hij Marten zag.
'In rekjes?'
'In even wachten.'
Marten zette zijn wiel bij de muur. Aan de zijkant van de zaak stond een kleine tafel met een kaart van de omgeving erop. De routes voor de volwassen groepen waren met verschillende kleuren aangegeven. Bij één ervan stond een koffiekopje dat iemand had voorzien van een veel te grote wolk stoom. Hij volgde met zijn vinger de weg naar een dorp waar hij vaak langs kwam zonder ooit iets van de bebouwing te zien. Meestal keek hij daar naar de renner voor hem.
Een vrouw die naar de kaart stond te kijken, vroeg of hij de route kende. Hij zei dat er halverwege een stuk zat waar het vervelend tegen kon waaien. Zij keek naar het koffiekopje.
'Is dat ervoor of erna?'
'Erna. Anders heeft het geen nut.'
Ze lachte en bestudeerde de kaart. Ze wilde vooral weer eens ergens heen zonder zich de hele terugweg af te vragen of het nog wel ging. Marten vertelde over het rechte stuk na het dorp en hield zichzelf in voordat hij er een training van maakte. De vrouw vroeg naar de lengte. Hij las die van het kaartje af. Ze had zijn herinnering niet nodig als het antwoord er al stond.
Toen ze verder liep, kwam Koen naast hem staan. 'Je hoeft niet aan iedereen te vertellen dat er wind bestaat. Dat voelen ze meestal vanzelf.'
'Ik bereid mensen voor.'
'Je maakt ze ongerust voor hun vrije zaterdag.'
Koen pakte het wiel en zei wanneer het klaar kon zijn. Daarna bleven ze nog even bij de kaart staan. Marten vroeg hoe de zaterdaggroepen de laatste tijd liepen. De een wilde te hard, de ander wilde vooral vertellen wat er met zijn hond was gebeurd. Koen kon daar allebei mee leven, maar niet tegelijk aan het begin van een smal pad.
'Dat bedoel ik dus,' zei hij.
'Wat?'
'Dat het echt werk is.'
Marten keek naar de kaart. 'Ik dacht niet dat het allemaal vanzelf ging.'
'Dat zei ik ook niet.' Koen liep naar de balie om een telefoon op te nemen. Marten bleef nog even staan. Hij had het afgelopen seizoen soms naar gewone fietsers gekeken alsof ze iets niet begrepen. Nu kon hij niet precies aanwijzen wat dat was geweest. Ze waren hier met hun eigen reden, en ze kwamen terug.
Voor hij vertrok, zei Koen dat hij hem na het laatste meetingweekend wilde spreken. Dat stond nog, zei Marten. Hij voelde geen haast om er een grap bij te maken. Het wiel bleef in de winkel. Hij liep met lege handen naar zijn auto en moest terugdenken aan de vrouw die vooral de koffiestop had willen vinden.
Bij de hal zag hij Rik van Os zijn fiets uitladen. Rik had een nieuwe auto en probeerde zo zorgvuldig met de bekleding om te gaan dat hij bijna zijn stuur tegen zijn voorhoofd kreeg. Marten hield de deur vast. Rik wilde weten of hij zondag al kwam kijken bij een wedstrijd van een kennis. Marten schudde zijn hoofd. Dit weekend bleef hij thuis.
'Verstandig,' zei Rik. 'Ik heb al ja gezegd.'
'Je kunt natuurlijk nog veranderen.'
'Dat zeg jij alsof mensen me dan nog aardig vinden.'
Ze namen hun spullen mee naar binnen. Bram had de voorbereiding niet langer gemaakt omdat er een laatste wedstrijd aankwam. Dat had Marten wel verwacht en het irriteerde hem dat hij er toch naar vroeg. Zijn coach keek naar het vel in zijn hand en vervolgens naar hem.
'Als je wilt weten of ik iets vergeten ben: nee.'
'Je kent me te goed.'
'Dat valt mee. Je stelt gewoon iedere winter dezelfde vragen.'
Marten kleedde zich om. Zijn vingers waren nog koud van het uitladen. Toen hij zijn schoenen vastmaakte, merkte hij hoe gewoon hij deze handeling vond. Hij zou ermee door kunnen gaan zonder dat iemand daar een nieuw seizoen omheen bouwde. Die gedachte kwam binnen zonder de plotselinge lichtheid waarop hij had gehoopt. Hij vond het nog altijd verdrietig.
Op de baan kwam hij bij de groep. Hij deed wat er van hen gevraagd werd, met aandacht die eerst steeds ergens anders heen trok en daarna langer bij het rijden bleef. Voor hem zat een renner die met een schouderbeweging al aankondigde wat hij zo ging doen. Marten wist het voor de man zelf leek te weten dat hij besloten had. Hij genoot daarvan. Het hoefde niet meteen ergens toe te leiden.
Toen ze klaar waren, sprak Bram met hem over de scratch van volgende week. Twintig mannen, veertig ronden. Een echte koers waarin hij niet zijn hele winter in de eerste beweging hoefde te stoppen. Marten zei dat hij daar toch moeilijk tot de laatste ronde kon wachten.
'Dat zeg ik niet. Ik wil dat je kijkt wie wat doet.'
'Dat doe ik.'
'En wat jij dan doet.'
Marten knikte. Hij wist waar Bram op doelde. In de vorige wedstrijd had hij geprobeerd een mindere dag goed te maken door op te veel bewegingen te reageren. Het had hem vooral moe gemaakt. Hij wilde het nu beter doen. Ook als er daarna geen ploegbelofte op hem wachtte, wilde hij niet een middag naar zijn eigen rugnummer zitten kijken en bedenken waar hij was gebleven.
Bij hun spullen haalde Rik zijn telefoon tevoorschijn. Hij had een foto van de vorige meeting gekregen, zei hij. Marten stond er half achter een andere renner op, zijn mond open en zijn ogen zo groot dat hij eruitzag alsof iemand hem midden in de koers om een belastingaangifte had gevraagd.
'Deze ga ik gebruiken als ik een ploeg zoek,' zei Marten.
'Je moet hem op je kerstkaart doen.'
'Je bent een maand te laat.'
'Dan is hij alvast klaar.'
Marten bekeek het beeld nog eens. Hij wist welke ronde het was geweest. Hij zag aan de plek van de andere mannen wat hij vervolgens had geprobeerd en hoe weinig het hem had opgeleverd. Op de foto stond ook iets wat hij die dag niet had gevoeld: hoe dicht ze bij elkaar hadden gereden, hoe snel de kleur van de reclame achter hen was weggetrokken. Hij was daar echt geweest, ook in een wedstrijd die hij het liefst zo snel mogelijk had opgeborgen.
'Stuur maar door,' zei hij.
Rik keek op. 'Echt?'
'Ja. Ik moet toch iets hebben waarop ik jonger ben.'
De foto kwam binnen terwijl Marten zijn tas dichtritste. Hij zette hem niet door naar Fenna. Dat was een gemis, maar geen reden hem meteen weer weg te stoppen. Hij vergrootte hem, wees Rik op diens eigen gezicht aan de rand en moest zo lachen dat een renner naast hen vroeg of hij even mee mocht kijken. Ze stonden met zijn drieën om een telefoon, alle drie heel tevreden over iets wat op het moment zelf niemand grappig had gevonden.
Rik vroeg na het omkleden of hij een keer samen op de weg wilde rijden als het weer beter was. Marten wilde automatisch zeggen dat hij nog niet wist hoe zijn programma eruitzag. Hij zag zijn eigen aarzeling, die voor Rik geen bijzondere betekenis kon hebben.
'Ja,' zei hij. 'Doen we.'
'Niet meteen morgen. Ik zei beter weer.'
'Dat begreep ik.'
'Jij zegt dat, maar je hebt soms rare ideeën over een vrije ochtend.'
Ze liepen samen naar de parkeerplaats. Marten vertelde over de vrouw in de winkel die de koffiestop belangrijker had gevonden dan de route. Rik vroeg of dat eigenlijk niet gewoon heel verstandig was. Ze maakten plannen die nog niet precies op een dag pasten en namen afscheid zonder elkaar een resultaatdoel te geven.
Thuis zag hij dat Fenna had geantwoord. Ik ben ook blij dat je antwoordt. Er stond niets achter. Geen voorstel, geen grap die de rest gemakkelijker moest maken. Hij hield de telefoon een tijdje vast. Ze waren niet terug bij elkaar. Het had wel verschil gemaakt dat ze allebei iets hadden gezegd.
Hij zette het toestel op de tafel en haalde zijn spullen uit de tas. Er zat een natte handdoek onderin die hij over de leuning van een stoel wilde gooien. Hij liep ermee door naar de badkamer. Daar hing nog een droog exemplaar. Hij wisselde ze om en kwam terug om de rest op te ruimen.
Onder een shirt vond hij het schema voor het laatste weekend. Zaterdag de voorbereiding, zondag zijn scratch; Fenna's sprinttoernooi liep over beide dagen. Hij kon haar onmogelijk ontlopen zonder er zijn eigen wedstrijd voor te veranderen. Hij wilde haar ook niet ontlopen. Hij legde het papier open op tafel.
Hij zou op zondag fietsen, en daarvoor met Bram zijn gewone voorbereiding doen. Hij zou proberen te winnen. Dat had hij nog niet opgegeven. Wat hij niet meer wilde, was alleen maar blijven wachten op iemand die zijn leven na de finish voor hem zou uitrekenen.
Zijn telefoon lichtte op. Rik had een foto gestuurd van de route bij Koen op de kaart, die hij blijkbaar ergens online had gevonden. Bij het koffiekopje stond: Ik stel voor dat we hier ons grote doel van maken.
Marten stuurde terug dat hij eerst moest weten wat voor gebak ze hadden. Daarna zette hij een pan op en begon een ui te snijden. Hij kon morgen vragen hoe lang het nog zou duren voor het wiel klaar was. Vanavond had hij het nergens voor nodig.