Hoofdstuk 21 · 10 minuten lezen
Bij de deur
Fenna had haar handen al onder de warme kraan gehouden en bleef ze koud vinden. Ze stond in haar eigen badkamer, dezelfde zondagavond, en wist niet waarom ze zich omkleedde voor een gesprek. Ze ging niet ergens naartoe waar ze er goed uit moest zien. Toch trok ze een schone trui aan. De andere rook nog naar de kamer waar ze die ochtend hadden ingepakt.
Op haar telefoon stond zijn verontschuldiging. Het speet hem dat hij had gezegd dat ze nooit ergens klaar mee kon zijn. Ze had het bericht drie keer gelezen. De eerste keer had ze willen antwoorden dat het haar ook speet. Daarna had ze zich gerealiseerd dat ze dat tegen hem wilde zeggen. Niet van hieruit, met een zin die zij kon versturen en hij dan op zijn eigen tafel moest leggen.
Ze at wat voordat ze ging. Ze zou morgenochtend werken. Ze had honger, al had ze er pas aan gedacht toen ze de koelkast opende. Bij iedere hap dacht ze aan het ontbijt in het pension, en daarna weer aan de wandeling van gisteren. Die was niet verdwenen omdat hij vandaag iets had gevraagd wat ze niet kon geven. Ze kon nog precies voelen hoe zijn wang koud was geweest tegen haar neus.
Buiten liep ze naar haar auto zonder sporttas. Ze had geen reden er een mee te nemen. Het voelde of ze iets was vergeten. Op de bijrijdersstoel lag alleen haar telefoon. Ze maakte hem vast in de houder, koos de route die ze inmiddels zonder hulp kon rijden en zette de aanwijzingen weer uit.
Marten deed open voordat ze haar handschoenen uit had. Hij droeg een gewoon donker shirt. Zijn haar was nog vochtig. Dat maakte haar even onredelijk boos: zij stond hier met de hele middag nog in haar lijf, hij had kunnen fietsen en douchen. Ze wist dat het niets over hem zei. Ze kon het gevoel toch niet meteen wegkrijgen.
'Hoi,' zei hij.
'Hoi.'
Hij stapte opzij. Ze ging naar binnen. Er kwam geen kus omdat ze allebei te lang nadachten over de juiste begroeting. Fenna trok haar jas uit en hing hem op de plek die ze de afgelopen weken voor zichzelf was gaan gebruiken. Ze had daar geen recht op gekregen. Ze had hem gewoon een keer opgehangen en daarna steeds weer.
Marten vroeg of ze iets wilde drinken. Ze zei nee. Hij ging tegenover haar zitten aan tafel. Er lag niets tussen hen in. Dat had hij vermoedelijk opgeruimd, maar ze wilde hem niet al meteen begrijpen door een leeg tafelblad te lezen.
'Het spijt me,' zei ze.
Hij keek op.
'Over dat laatste seizoen. En eindelijk een plan hebben. Ik weet wat je aan het doen bent en ik vind dat niet belachelijk.'
Hij knikte langzaam. Ze zag hoe hij de woorden probeerde aan te nemen zonder haar meteen iets terug te hoeven geven. Ze wilde hem aanraken. Het was nog steeds het eenvoudigste voorstel van haar lichaam bij ieder probleem met deze man.
'Ik vind jouw plan ook niet belachelijk,' zei hij. 'Dat van Denemarken.'
'Dat weet ik.'
'Maar ik heb wel gedaan alsof je er zomaar wat anders voor kon kiezen.'
Ze keek naar zijn gezicht. Ze had de hele middag gerepeteerd hoe ze hem dit moest laten begrijpen. Nu hij het zelf zei, had ze niets aan al die goede zinnen. 'Ik wil je niet kwijt.'
Hij boog zijn hoofd. 'Ik jou ook niet.'
Ze gingen allebei even achterover zitten. Er kwam ruimte in het gesprek. Fenna voelde de verleiding die als een antwoord te behandelen: ze hadden allebei sorry gezegd, ze wilden elkaar niet kwijt, dan kon ze nu naast hem gaan zitten. Hij zou zijn hand op haar been leggen. Ze zou blijven slapen. Morgen werd weer een dag waarop ze van elkaar weg moesten.
'Hoe doen we dit dan?' vroeg ze.
Hij keek op. 'Ik weet het niet.'
'Wat wil je van me?'
Het klonk harder dan ze bedoelde. Hij nam er dit keer geen aanstoot aan. Hij keek een tijdje naar zijn eigen handen voordat hij sprak.
'Ik wil dat je vanavond blijft. En dat ik niet de hele tijd bezig ben met wanneer je weer weg moet. Ik wil een week kunnen hebben met jou erin. Gewone avonden. Ik weet dat dat heel veel is voor iemand die je pas kent.'
'Zo voelt het niet.'
Hij keek haar aan. 'Nee.'
Ze wreef met haar duim over een littekentje op haar hand. Het was oud, van voor deze winter. Ze had nooit kunnen bedenken dat ze hier zo zou komen te zitten, verdrietig om een man die ze een paar maanden geleden amper kende. Vanaf hun eerste gesprek had hij haar aandacht gekregen alsof die er speciaal voor hem had gelegen.
'Ik wil je zien,' zei ze. 'Ook daar. Niet alleen bellen omdat we nou eenmaal iets met elkaar hebben gehad. Ik wil dat je komt en dat ik blij ben als je er bent.'
Hij ademde uit. 'Ik wil niet ieder bezoek beginnen met de helft van het afscheid al in mijn hoofd.'
'Dat hebben mensen toch?'
'Soms. Ik weet niet of ik het kan.'
Ze keek naar de keuken achter hem. Ze kende de la waar de messen lagen en het geluid van de koelkast wanneer het stil werd. Het waren kleine dingen om iemand zo graag in te willen houden. Geen bewijs dat ze bij elkaar hoorden, wel het leven dat er intussen al was ontstaan.
'Zou je het willen proberen?' vroeg ze.
Hij opende zijn mond en deed hem weer dicht. Ze wachtte. Er was voor hem geen goed antwoord, zag ze. Ja zeggen terwijl hij de afgelopen weken steeds duidelijker had gemaakt dat hij iets anders wilde, of nee tegen haar zeggen terwijl ze hier vlak voor hem zat.
'Ik heb geprobeerd te doen alsof ik vanzelf wel aan het idee wen,' zei hij. 'En toen ging ik op je letten. Hoe laat je komt. Hoe lang je blijft. Dat wil ik niet.'
'Ik ook niet.'
Ze keek hem aan en voelde boosheid terugkomen door het verdriet heen. Niet omdat hij verkeerd sprak. Omdat hij precies benoemde wat zij steeds vaker was gaan voelen wanneer ze een bericht opende. Een afspraak die ze vooraf al dreigde te verliezen, een hoeveelheid tijd die groot genoeg moest zijn om hem rustig te maken.
'Maar ik kan ook niet zo blijven praten alsof ik je alleen maar tekortdoe,' zei ze. 'Ik heb je hier niet mee naartoe gelokt. Ik wilde die kans al voordat ik jou kende.'
'Dat weet ik.'
'En je blijft er toch op hopen dat ik iets anders wil.'
Hij knikte. Het deed meer pijn dan zijn tegenspraak zou hebben gedaan. Ze was niet verward. Ze had de afgelopen weken niet steeds een verkeerde toon gehoord of ongeduldig op een op zichzelf redelijke vraag gereageerd. Hij wilde haar dichtbij, en zij wilde vertrekken zonder hem te verliezen. Ze konden het allebei steeds beter zeggen. Ze hadden er nog niets mee opgelost.
Marten schoof zijn stoel een stukje achteruit. 'Ik zou met je kunnen meegaan,' zei hij.
Ze keek op. 'Zou je dat willen?'
Hij glimlachte kort. 'Daar begon je precies op de goede plek.'
Ze wachtte. Hij keek naar het raam en schudde zijn hoofd. 'Nee. Niet om daar weer te kijken wat ik kan doen tot jij klaar bent. Ik wil dat werk. Ik wil hier iets opbouwen.'
Ze voelde opluchting, gevolgd door schaamte. Ze had niet gewild dat hij zijn leven als oplossing voor het hare zou aanbieden. Ze had ook gehoopt dat er iets bestond wat niet dit gesprek was. Ze stond op en ging naast hem zitten, niet omdat ze een uitkomst had maar omdat de afstand over tafel ondraaglijk werd.
Hij legde zijn hand op haar knie. Ze pakte hem vast. Ze kende zijn vingers, de brede nagel van zijn duim, het plekje aan de zijkant van zijn hand dat ze graag met haar mond aanraakte. Nu hield ze hem alleen vast.
'We kunnen nog twee weken doen alsof,' zei ze.
Hij keek naar haar. 'Dat wil ik niet.'
'Ik ook niet.'
Ze voelde de tranen eerder dan ze ze kon verbergen. Marten kwam met zijn vrije hand naar haar gezicht en hield halverwege op, alsof hij niet wist of dat nog mocht. Ze boog zich naar hem toe. Hij sloeg zijn arm om haar heen en ze legde haar voorhoofd tegen zijn schouder.
'Ik denk dat we moeten stoppen,' zei ze.
Zijn arm bleef om haar heen liggen. Ze hoorde hem ademhalen. Het was het geluid waar ze vannacht naast wakker was geworden, gewoon dichtbij en zonder betekenis. Nu probeerde ze eruit op te maken of hij het had gehoord.
'Ja,' zei hij uiteindelijk. 'Dan stoppen we.'
Ze kwam overeind en veegde haar gezicht af. Hij huilde niet, maar zijn ogen waren rood geworden. Ze had iets willen doen met de pijn die ze hem bezorgde en zag geen handeling die het niet tegelijk ongedaan probeerde te maken.
'Ik ben echt niet alleen voor het leuke gebleven,' zei ze.
'Dat weet ik.' Zijn stem brak een beetje. Hij slikte en keek haar aan. 'Het was niet niks.'
Ze schudde haar hoofd. Dat kon ze op dat moment makkelijker dan het hardop beamen. Ze bleven nog een tijdje zitten. Het was niet ineens verboden elkaar aan te raken, en ook niet meer hetzelfde. Ze liet zijn hand los toen ze voelde dat ze hem vasthield om haar eigen besluit niet te hoeven geloven.
In de gang duurde het lang om haar jas aan te trekken. Marten stond bij de woonkamerdeur. Ze had hier vaker met haar schoenen in haar hand gestaan omdat ze nog niet wilde gaan. Nu deed ze ze aan en ging overeind staan.
'We zien elkaar nog op de baan,' zei ze.
Hij knikte. 'Ja.'
Ze wilde hem niet vragen of ze zich dan normaal zouden gedragen. Ze wist niet eens wat normaal moest zijn. Ze stapte naar hem toe en kuste hem op zijn mond. Hij legde zijn hand even achter in haar nek, zo vertrouwd dat ze bijna haar ogen weer dichtdeed en bleef. Toen liet hij haar los.
Ze pakte zelf de klink. Buiten hoorde ze hem gedag zeggen. Ze zei het terug en liep door tot ze in haar auto zat. Pas daar begon ze opnieuw te huilen. Ze veegde haar wangen droog, wachtte en keek naar de straat die niet zou veranderen omdat ze lang genoeg bleef zitten. Toen ze weer goed kon zien, startte ze de auto.
Thuis legde ze haar sleutels op de vaste plek. Het appartement leek kleiner met de lege hoek waar de eerste dozen hadden gestaan. Er was geen vriend die later die avond nog een grap zou sturen over iets wat hij bij zijn zus had gehoord. Ze kon hem bellen, dacht haar hand al voordat ze haar telefoon vast had. Hij zou opnemen. Daarom moest ze hem niet bellen.
Haar moeder had gevraagd of het goed was gegaan met de spullen. Fenna belde haar terug. Ze vertelde niet eerst over de berging of de gordijnen. 'Het is uit,' zei ze, en haar stem liet haar nu wel in de steek.
Aan de andere kant bleef het even stil. 'Zal ik komen?' vroeg haar moeder.
Fenna keek naar de bank. Ze wilde niet nóg iemand in haar huis hebben die daarna weer moest vertrekken. Ze wilde ook niet helemaal alleen blijven omdat dat het volwassen antwoord leek. 'Wil je nog even aan de telefoon blijven?'
'Ja, natuurlijk.'
Haar moeder liep ergens heen en ging zitten; Fenna hoorde de stoel over de vloer. Ze legde haar hoofd tegen de rugleuning. Een tijdje zeiden ze weinig. Toen vroeg haar moeder of ze gegeten had. Fenna zei ja. Het was fijn dat het waar was en dat er daardoor niets meer hoefde te worden geregeld.
Toen ze ophingen, ging Fenna douchen. Ze waste haar haar niet, stond alleen onder het water en droogde zich daarna langzaam af. Voor morgen legde ze haar werkkleren klaar. Haar sporttas stond nog ingepakt bij de deur. Ze schoof hem opzij om langs te kunnen en ging naar bed.
Het dekbed lag overal hetzelfde op haar lichaam. Geen arm over haar heen, geen warm been dat haar uit haar slaap zou houden. Ze draaide zich om en pakte een van de andere kussens tegen zich aan. Haar ogen brandden. Ze bleef liggen en liet het licht uit.