Hoofdstuk 28 · 10 minuten lezen
Het antwoord voor Koen
Koen vroeg niet hoe de koers was geweest. Hij keek van achter de balie op, zei goedemorgen en vroeg of Marten de deur nog even wilde openhouden. Een klant kwam met een fiets naar binnen, stapte opzij voor iemand die naar buiten wilde en begon al uit te leggen wat hij hoorde wanneer hij reed.
Marten bleef staan tot ze allebei voorbij waren. Hij had gisteren nog gedacht dat vandaag een soort andere wereld zou zijn. Er stonden dezelfde fietsen als vorige week. Iemand had een prijskaartje ondersteboven gehangen. De jongen achter in de zaak neuriede iets waarvan hij alleen het einde leek te kennen.
Pas toen Koen de klant naar de werkplaats had geholpen, kwam hij bij Marten staan.
'Zeg het maar.'
'Ik wil het doen.'
Koen keek hem aan. 'Dat klinkt alsof je net over een hek bent geklommen.'
'Ik ben alleen de straat overgestoken.'
'Ook lastig.' Hij wees naar het kleine kantoor. 'Kom zitten.'
Marten kende het kleine kantoor inmiddels. Twee stoelen, een bureau, een raam dat uitkeek op de zijkant van het pand. Aan de muur hing een foto van een groep fietsers voor een café. Niet één van hen stond recht voor de camera. Hij vond dat een geruststellende manier om met een groepsfoto om te gaan.
Koen ging niet meteen zoeken naar het papier. Hij vroeg of Marten nog iets aan het werk wilde veranderen voordat ze het vastlegden.
'Nee,' zei Marten. 'Ik wilde steeds dat ik het al wist voor ik ja zei.'
'Wat precies?'
'Hoe het zou voelen om het ook echt te doen.'
Koen knikte. 'Dat is morgen ook nog niet helemaal bekend.'
'Ik weet het.'
Ze namen de eerste weken door. Marten zou in de tweede week van februari beginnen. Dinsdag, woensdag, vrijdag en zaterdag, samen tweeëndertig betaalde uren. De avonden met de recreatieve groepen zaten daarin. Geen tweede werkweek die er voor de gezelligheid bovenop kwam. Op een drukke zaterdag kon hij niet zomaar weg omdat hij zelf ergens wilde fietsen. Daar maakte Koen geen plechtige mededeling van. Hij had mensen nodig in zijn winkel.
Marten vroeg hoe ze het deden wanneer iemand een zaterdag vrij wilde. Ruim op tijd vragen, zei Koen. Soms kon er geruild worden, soms niet. Ze konden er allebei beter vroeg van weten dan achteraf knorrig over doen.
'Ik heb ook nog familie,' zei Marten.
'Ik dacht dat jij alleen andere mannen in strakke kleding kende.'
'Er zijn er een paar die hun best doen om daarmee te stoppen.'
Koen lachte. Daarna haalden ze het stuk erbij dat Marten al had gelezen. Het bedrag was niet veranderd. Hij kon ervan wonen, eten en blijven fietsen. Hij zou minder geld aan het rijden kwijt zijn wanneer niet iedere wedstrijd in een nieuw mogelijk seizoen hoefde te passen. Hij wist nog niet precies hoe dat zou voelen. Hij zette zijn handtekening.
Koen schoof hem zijn exemplaar toe en begon over de sleutels die hij bij de start zou krijgen. Marten luisterde. Hij hoefde nu niet ineens meer kennis van de zaak te hebben dan gisteren om de man te zijn die hier kwam werken.
Toen ze terugliepen naar de winkel, vroeg Koen alsnog hoe de koers was geweest.
'Zesde.'
'Was je daar tevreden mee?'
'Nog niet.'
'Dat dacht ik al.'
Dat was genoeg. Marten hoefde er geen bewijs bij te leveren dat hij eigenlijk toch de winnaar was geweest als anderen beter hadden gereden. Hij vertelde waar de twee koplopers waren gegaan en hoe hij op het einde nog had geprobeerd iets goed te maken. Koen luisterde terwijl hij een stapel bonnen recht legde.
'Ga je nog koersen?' vroeg hij.
'Ik denk het wel. Op een andere manier.'
'Zeg het als je iets weet. Dan hoeven we je niet uit een startlijst op internet te ontdekken.'
Marten knikte en legde zijn exemplaar in zijn tas.
Bij de werkplaats stond zijn oude achterwiel klaar. Koen vertelde wat eraan gedaan was en gaf het mee. Marten had de hele winter naar dingen gekeken die een besluit nodig hadden. Dit wiel was gewoon gerepareerd. Hij rekende af en nam het mee naar de auto.
Voor hij instapte, belde hij Bram. Zijn coach nam op met iemand op de achtergrond die om een tijd vroeg. Marten zei dat hij kon terugbellen. Het kon ook nu, zei Bram.
'Ik heb ja gezegd tegen Koen.'
'Goed.'
Het woord kwam direct. Niet als een oordeel over zijn zesde plek. Marten vertelde wanneer hij begon. Ze spraken af wanneer hij nog langs zou komen om de afgelopen winter af te ronden en wat spullen terug te brengen die van de groep waren. Bram stelde donderdag voor. Marten keek in zijn agenda. Dat kon.
'Ik wil je nog spreken over gisteren,' zei Marten.
'Dat wilde ik toch al.'
'Niet alleen de ronde waarin ze wegreden.'
'Dat begreep ik.'
Marten bleef bij zijn auto staan tot ze hadden afgesproken. Daarna legde hij het wiel neer en reed naar huis. Bij een verkeerslicht zag hij een man op een gewone fiets die met zijn hele bovenlijf tegen de wind werkte. De man haalde hem even later op het fietspad weer in toen het verkeer stilviel. Marten had niets aan een motor als alles ervoor stilstond.
Thuis zette hij zijn fiets in orde. Hij nam er de tijd voor. Geen haast voor een training die anders niet meer paste. Toen hij klaar was, trok hij zijn gewone jas aan en reed een stuk door de stad. De fiets voelde vertrouwd en tegelijk net anders door de tijd dat hij hem niet had gebruikt.
Bij het eerste open stuk kwam de wind van opzij. Hij moest zijn jas verder dichtdoen en merkte daarna dat hij vanzelf harder ging rijden. Er was niemand voor hem. Hij hoefde niet te kiezen of hij een wiel hield, kon gewoon kijken naar het licht dat tussen de kale takken over de weg viel. Op een parkeerplaats trok een vrouw een hond achter een auto vandaan. De hond had ergens anders iets dringenders gevonden.
Hij koos een omweg die hij vroeger vaak had genomen als hij geen tijd wilde bijhouden. Er lag een strook slecht wegdek waar hij nog steeds precies wist welk stuk prettig reed. Een man stak bij een oversteekplaats aarzelend een voet naar voren. Marten stopte en zag hoe de man eerst naar hem en toen pas naar de andere kant keek. Daarna stak hij over met een hand omhoog. Marten zette weer aan.
Zijn benen waren nog zwaar van gisteren. Op een klein hellend stuk wilde hij een beweging maken die hij beter voor een andere dag kon bewaren. Hij begon er toch aan en moest boven lachen om hoe weinig indruk dat op de wereld maakte. Twee kraaien bleven naast het pad zitten. Een wandelaar keek niet op. De vogels stapten opzij en pikten weer tussen het gras.
Hij reed door tot hij de straat bereikte waar hij af wilde slaan. Een bus hield voor hem stil bij een halte. Hij wachtte. Er kwam iemand met een grote bos bloemen uit die de chauffeur nog iets toeriep voordat de deuren sloten. De bloemen leken veel te zomers voor de kale straat. Marten keek ze na en draaide toen zijn stuur de andere kant op. Hij had zin gekregen in een goed stuk brood.
Hij ging niet ver. Hij kwam langs de straat van zijn zus, bedacht dat ze waarschijnlijk aan het werk was en reed verder. Bij een bakker stapte hij af. Hij kocht brood en iets wat hij eerst alleen had willen bekijken. De vrouw die hem hielp, vroeg of het ingepakt moest. Ja, zei hij. Hij zou het anders onderweg opeten.
Op de terugweg merkte hij dat hij nergens voor wilde versnellen. Hij was niet aan het bewijzen dat langzaam ook fietsen was. Hij had een brood onder zijn arm en wilde het heel thuisbrengen. Aan de deur stond hij te hijgen omdat het laatste stukje tegenviel. Hij moest lachen om zichzelf en zette de fiets in de gang.
Fenna zou vanavond komen. Hij had het de hele ochtend geweten zonder zijn beslissing met Koen eraan vast te maken. Nu werd die afspraak groter. Zij zou hier staan. Ze zouden elkaar zien zonder dat hun volgende rit hen kon onderbreken.
Hij nam zijn telefoon en typte dat hij bij Koen was geweest. Hij had het werk aangenomen. Ze antwoordde niet meteen. Hij hoefde het ook niet aan te passen tot het klonk als iets waarbij hij haar eigenlijk een vraag stelde. Hij legde het papier in de la bij de andere stukken die hij wilde bewaren.
Daarna keek hij naar zijn woonkamer alsof hij een bezoek verwachtte van iemand die er nog nooit was geweest. Dat was belachelijk. Fenna wist hoe zijn bank zat en wat er in de keuken niet werkte zonder dat je het deurtje even optilde. Ze had hem gezien met een ochtendgezicht dat hij niemand als kennismaking zou hebben aangeraden.
Hij ging aan tafel zitten en pakte het ingepakte eten uit. Een deel ervan was groot genoeg voor twee, maar hij at er niet alvast omheen. Hij had honger. Hij at het kapje en sneed daarna nog een boterham.
Zijn zus belde terwijl hij at. Hij nam op en vertelde dat hij had getekend. Ze zei dat ze blij voor hem was. Daarna bleef ze even stil.
'Nu ga jij vragen of ik blij ben,' zei hij.
'Nee. Ik wacht tot je uitgekauwd bent. Dat duurt bij jou tegenwoordig drie onderwerpen.'
Hij slikte en ging achterover zitten. Ze vroeg naar het werk, niet naar de titel die hij eraan wilde geven. Hij beschreef de winkel en de groepen. Ze vond dat hij bij een fietszaak hoorde te werken waar ook mensen kwamen die niet wisten wat hij allemaal al had gedaan.
'Bedankt.'
'Dat bedoel ik aardig.'
'Dat maakt het ingewikkeld.'
Ze vertelde over iets op haar eigen werk wat nu al voor de tweede keer opnieuw moest. Marten luisterde en vroeg wat zij ermee wilde. Ze wist het nog niet. Hij vroeg of ze hetzelfde tegen haar collega had gezegd. Nee, zei ze. En vervolgens vertelde ze hem wat ze dan wel had gezegd. Hij moest lachen en vroeg of haar collega dat ook had gedaan.
Na het gesprek legde hij het brood weg en haalde wat hij nodig had voor het avondeten. Hij koos iets wat hij gewoon kon maken. Hij had Fenna niets te bewijzen met een gerecht waarvoor je haar als publiek nodig had. Hij wilde eten waar ze nog even voor kon blijven zitten.
Tegen de avond stuurde ze dat het Deense bericht definitief binnen was. Ze had ja gezegd. Hij las het, glimlachte en voelde de oude pijn van dat ene kleine woord. Hij was blij voor haar. Hij wilde haar niet kwijt. Het was allebei nog aanwezig.
Mooi, stuurde hij. Tot straks.
Hij had de muziek aangezet, zette die weer wat zachter en ging naast de tafel staan. Hij wilde haar vertellen dat hij met haar verder wilde. Hij was bang voor wat zij zou zeggen. Hij was veel banger dat ze allebei opnieuw zo voorzichtig zouden doen dat ze het aan het einde van de avond nog niet wisten.
Toen de bel ging, was hij al op weg naar de deur voordat hij kon doen alsof hij ergens rustig mee bezig was. Hij deed open. Fenna keek hem aan, haar wangen rood van de kou. Ze had geen sporttas bij zich.
'Hoi,' zei ze.
'Hoi.'
Ze stapte naar binnen, hing haar jas op, draaide zich om en bleef dicht bij hem staan. Marten zag haar mond, de beweging waarmee ze ademhaalde om iets te zeggen. Hij wilde naar haar toe voordat hij wist waar het gesprek begon.