Hoofdstuk 19 · 10 minuten lezen
De uren ertussen
Fenna reed het dorp binnen met het raam een stukje open om wakker te blijven. Het was niet ver genoeg om een reis te heten, wel ver genoeg om haar eigen gang met de sporttas en de werkschoenen achter zich te laten. Aan de rand van het bos hadden ze een kamer geboekt. Twee nachten. Er was geen sauna, geen speciaal arrangement en geen foto van een stel in witte badjassen dat hun alvast liet zien wat er van hen werd verwacht. Dat was een belangrijk voordeel geweest toen ze kozen.
Marten had haar gevraagd of ze op vrijdag eerder klaar kon zijn. Ze had gedacht van wel, tot de planner de laatste weken van januari met haar doornam. Ze werkte haar eigen afgesproken uren uit. Aan het eind van de maand stopte haar werk daar; dit was niet het moment geweest om uit te leggen dat ze in haar hoofd al vrij was. In plaats van halverwege de middag kwam ze tegen zevenen aan.
Hij stond buiten toen ze parkeerde. Geen zichtbare ergernis, wat haar eerst opluchtte en haar daarna liet vermoeden dat hij moeite deed. Ze stapte uit en liep meteen naar hem toe. Hij sloeg zijn armen om haar heen.
'Je ruikt naar buiten,' zei ze.
'Ik heb het bos alvast bekeken. Het staat er nog.'
Ze kuste zijn hals. Ze had de hele weg alleen willen aankomen en merkte nu pas hoeveel er in dat woord zat. Hem voelen. Haar gezicht niet hoeven gebruiken voor een prettig antwoord aan iemand die haar nog iets vroeg. Zijn hand onder haar jas, warm tegen haar rug.
Boven was de kamer klein en mooi. Geen uitzicht waar je voor moest blijven staan, alleen de donkere takken van een boom voor het raam en een lamp die het bed aan één kant verlichtte. Fenna ging op de rand zitten. Marten stond bij de deur.
'Hoe lang heb je nodig?' vroeg hij.
'Om niet meer op mijn werk te zijn?'
'Om te eten.'
'Daar heb ik geen tijd voor nodig.'
Beneden konden ze nog aanschuiven. Ze aten aan een tafel bij het raam, waar hun spiegelbeelden dicht naast elkaar in het donker zaten. Marten vertelde over een man uit zijn vroegere ploeg die bij ieder ontbijt beweerde dat hij niet bijgelovig was, maar altijd wachtte tot iemand anders een ei had gepakt. Hij deed de man niet na. Hij vertelde het zo dat Fenna steeds vroeger begon te lachen, omdat ze wist waar de volgende koppigheid moest verschijnen.
'En jij deed zeker nooit iets raars,' zei ze.
'Ik had er geen tijd voor. Ik moest de eieren pakken.'
Ze vroeg hem hoe het was geweest om al die ochtenden met dezelfde mensen op pad te zijn. Dit keer kreeg ze geen samenvatting van het slechte slapen en de sporttas. Hij vertelde over een rit waarop niemand wist waar ze logeerden en iedereen te trots was om de jongste te bellen, die het wel had opgeschreven. Over de verveling, en de vreemde opluchting dat iedereen tegelijk was veroordeeld tot hetzelfde uur op dezelfde parkeerplaats. Hij had er plezier aan beleefd. Ze kon het zien aan zijn gezicht.
'Dat zou ik willen,' zei ze.
Hij keek naar haar. 'Op een parkeerplaats staan?'
'Ergens bij horen. Op die manier. Een tijdlang gewoon daar zijn om dit te doen.'
Ze wees niet naar haar fiets, die boven in de gang naar hun kamer stond, maar hij begreep haar. Hij knikte en vertelde verder. Fenna liet haar hand op tafel liggen tot hij de zijne erop legde. Ze hield van zijn verhalen zolang hij niet probeerde er een bewijs van te maken dat hij het leven al kende waar zij nog zo graag heen wilde.
Op de kamer trok ze hem naar zich toe voordat hij het licht bij het bed had gevonden. Hij lachte in haar haar. Ze wist waar zijn mond naartoe ging en had toch haast om er zelf te zijn. Later lagen ze wakker zonder meteen over morgen te beginnen. Ze vertelde hoe ze als kind had geprobeerd harder te fietsen dan haar eigen schaduw, omdat die in de bocht telkens terugkwam naast haar. Hij zei dat hij daar een heel seizoen voor nodig had gehad. Ze voelde zijn borst bewegen onder haar hand.
Pas toen hij vroeg hoe laat ze wakker moest zijn, begon de volgende dag. 'Halfacht,' zei ze.
'Dan al?'
'Ik moet om negen uur bij de baan zijn.'
Marten draaide zijn hoofd naar haar. 'Ik dacht dat het een kort blok was.'
'Dat is het ook. Alleen met heen en weer rijden.'
Ze had hem verteld dat ze op zaterdag trainde. Ze had niet verteld hoeveel voorbereiding en wachten er om dat blok heen zat, omdat ze zelf ook graag had willen geloven dat het weinig ruimte innam. Gita had de tijd niet gisteren verzonnen. Het was de beschikbare ruimte voor de sprintgroep, en Fenna had zich ingeschreven terwijl dit weekend al in hun agenda stond.
'Hoe laat ben je terug?' vroeg hij.
'Tegen de lunch. Eén uur, denk ik.'
Hij keek naar het plafond. 'Dan ga ik 's ochtends wel alleen lopen.'
'Je kunt ook mee.'
'Ik hoef niet te kijken hoe jij traint.'
Zijn toon was minder hard dan de woorden. Ze moest toch de neiging onderdrukken om uit te leggen dat het voor haar ook prettiger was als hij daar niet uren zat te wachten. Dat zou hem niet dichterbij brengen. Ze kuste zijn schouder en vroeg of hij morgen iets lekkers voor de lunch uit wilde kiezen. Hij zei ja. Ze draaide zich naar hem toe en sliep pas in toen hij zijn arm over haar heen had gelegd.
De volgende ochtend lag er rijp in het gras achter het pension. Fenna reed weg terwijl Marten nog boven was. Ze had hem willen laten slapen, maar bij het dichtdoen van de kamerdeur had hij haar gedag gezegd. Hij was blijkbaar al wakker.
Op de baan was het onmogelijk aan de kamer te blijven denken. Gita had een scherp doel voor de sessie. Fenna moest aandacht houden bij haar eigen keuzes onder druk, niet alleen bij het moment waarop ze eindelijk voluit kon. Madelon kwam naast haar staan met een blik die duidelijk maakte dat ze vandaag geen zin had om iemand gratis vertrouwen te geven.
'Heb je slecht geslapen?' vroeg Fenna.
'Nee. Jij?'
'Prima.'
'Je ziet eruit alsof je erover wilt liegen.'
Fenna schoot in de lach. Daarna waren ze bezig. Er was niets vrijblijvends aan de manier waarop Madelon reed. Fenna moest ophouden het blok als iets tussen twee afspraken te behandelen. Ze kwam hier voor dit werk en merkte, toen het lukte haar aandacht erbij te houden, hoeveel plezier dat nog steeds gaf. Geen restaurant, geen kamer, geen aardige man kon dit soort concentratie vervangen. Dat was geen oordeel over al die andere dingen. Het was haar eigen lijf dat op deze plek iets te doen had.
Toen ze klaar was, wilde Gita nog terugkomen op een moment uit het laatste stuk. Fenna luisterde en stelde een vraag. Het werd een echt gesprek over haar sport. Ze keek pas op de tijd toen Madelon afscheid nam. Ze moest douchen, haar spullen inladen en terug. Het was later dan ze Marten had voorgesteld.
Ze belde hem voordat ze ging rijden. 'Ik ben onderweg. Tegen halftwee ben ik er.'
'Goed. Ik ben weer terug.'
'Hoe was het lopen?'
'Mooi.'
Ze wilde meer horen. Hij begon niet uit zichzelf en zij vroeg niet verder omdat de auto achter haar al aan het wachten was om uit zijn vak te komen. Ze beëindigde het gesprek en reed terug met haar aandacht bij de weg. De goede training bleef nog onder haar huid zitten. Ze had niet verwacht dat ze zich daar schuldig over kon voelen.
Marten zat beneden met een boek dat ze hem nog niet had zien lezen. Zijn vinger lag tussen de bladzijden. Ze kuste hem en ging tegenover hem zitten.
'Ben je al ver?'
'Genoeg om te weten dat ik de verkeerde man verdacht.'
'Misschien lost hij het zelf ook pas op het einde op.'
Hij glimlachte. Ze had hem graag willen vragen die glimlach vast te houden tot ze de lunch door waren. Dat was een vervelend verlangen; ze herkende het en ging toch nog een grap maken. Over het pension dat op de website geen speciaal pakket had aangeboden voor mensen die op hun geliefde wachtten. Zijn glimlach verdween.
'Je hoeft het niet leuker te vertellen dan het is,' zei hij.
Ze knikte. 'Ik ben later. Sorry.'
'Ja.'
Ze bestelden eten. Fenna vroeg naar zijn wandeling en nu vertelde hij wel. Over het brede pad waar iedereen elkaar tegenkwam en de smallere afslag waar hij opeens bijna een uur niemand had gezien. Ze wilde daar met hem heen. Hij keek even naar buiten, waar de middag nog helder was, en zei dat het kon als ze nu gingen. Ze at het laatste stuk van haar brood op en stond op voordat een van hen iets anders kon bedenken.
In het bos liep ze de eerste tien minuten te snel. Marten liet haar voorgaan en zei uiteindelijk dat hij zijn rugnummer thuis had gelaten. Ze keek om en lachte. Ze ging naast hem lopen. Hun handen raakten elkaar een paar keer voordat hij de hare pakte.
Het pad liep langs een laag stuk waar water tussen de bomen stond. Ze bleven kijken naar een hond die aan de verkeerde kant van zijn baas naar een stok zocht. Het dier bleef met onwankelbaar vertrouwen terugkomen op een plek waar niets lag. Fenna werd er vrolijk van. Ze wees, riep zacht iets wat de hond niet kon horen en kreeg Marten aan het lachen toen ze voorspelde dat het beest straks de hele boom mee zou nemen.
Ze zaten een tijdje op een bank zonder iets te hoeven bekijken. De lucht was koud genoeg dat haar neus ervan ging lopen. Marten vertelde dat hij hier vanmorgen niet was geweest. Hij had het pad pas op de terugweg gezien. Fenna was onverwacht blij dat er iets van deze middag voor hen samen overbleef dat hij niet alleen had gedaan.
'Ik wil nog een keer met je weg,' zei ze.
'We zijn hier nog.'
'Ik weet het.'
Hij keek naar de bomen. 'Ik wil niet de hele tijd wachten tot het begint.'
Ze kneep in zijn hand. Ze had een antwoord dat feitelijk klopte: ze zaten hier, ze had twee nachten vrijgemaakt en morgen hadden ze nog een ochtend. Het zou alleen klinken alsof hij niet goed telde. Ze bleef naast hem zitten en probeerde de middag niet meteen te verbeteren met de optelsom van alles wat ze wel had gedaan.
Toen ze opstonden, trok hij haar tegen zich aan. Ze kuste hem, haar handen onder zijn open jas, het koude puntje van haar neus tegen zijn wang. Een wandelaar groette hen bij het voorbijgaan. Marten groette terug zonder haar los te laten. Ze lachte tegen zijn mond. Het was heerlijk om niet een minuut later ergens klaar voor te hoeven staan.
Terug bij het pension keek ze naar haar fiets in de gang. Op de kamer zag ze zijn jas over de stoel hangen. Daarna ging ze douchen terwijl hij beneden een tafel reserveerde. Ze wilde ze allebei in haar leven. Dat was vanmorgen tijdens de training niet minder waar geweest dan nu, met warm water over haar schouders en het vooruitzicht dat hij straks weer naast haar lag.
Tijdens het eten vroeg ze hem wat hij morgen wilde doen. 'Rustig ontbijten,' zei hij. 'En daarna zien we wel.' Ze hoorde de voorzichtigheid, maar ook dat hij er nog iets van wilde maken. Ze ging met haar voet tegen zijn been zitten. Ze aten langzaam. Het was een goede avond. Later, in de gang, riep Marten haar bij haar naam. Ze draaide zich om en hij kuste haar alsof hij nog lang niet klaar was met haar.