Hoofdstuk 14 · 10 minuten lezen
Het vakje ernaast
Marten had de wekker uitgezet voordat hij afging. Fenna lag op haar zij met een knie op zijn helft van het bed. Hij wist inmiddels dat ze veel ruimte kon innemen zonder daar wakker voor te hoeven zijn. Op haar rug had ze gisteravond beweerd dat zij altijd keurig op haar eigen plek bleef. Hij had geen bewijsmateriaal verzameld. Daar was de avond te prettig voor geweest.
Hij stapte over haar tas en trok op de gang zijn broek aan. In de keuken lag de medaille op tafel, naast twee lege glazen. Ze had hem willen opruimen en was afgeleid geraakt. Marten tikte er met zijn vinger tegen. Het lint was gedraaid. Hij legde het recht, schaamde zich om de plechtigheid van die handeling en schoof het een stukje opzij om zijn ontbijt neer te zetten.
Op zijn telefoon stond een bericht van Bram: hoe laat hij bij de spullen werd verwacht. Geen wedstrijdpraat om halfzeven, alleen een tijd. Marten bevestigde. Hij kon vanochtend best iets laten zien. De laatste trainingen waren behoorlijk geweest, en gisteren had hij gezien hoe weinig een goede dag hoefde te lijken op een wonder. Fenna had gedaan wat ze kon. Dat wilde hij ook.
Toen hij zijn tas uit de gang pakte, verscheen ze in de slaapkamerdeur. Haar haar stond aan één kant plat en aan de andere kant op een onwaarschijnlijke manier omhoog.
'Ik heb niets gedaan,' zei hij.
'Dat lijkt me een groot woord voor deze ochtend.' Ze wreef in haar oog. 'Ben je klaar?'
'Bijna.'
Ze sloeg haar armen om zijn middel en zette haar gezicht tegen zijn borst. Dat had ze nog niet eerder precies zo gedaan. Zonder iets van hem te willen, behalve dat hij er even bleef staan. Hij legde zijn wang op haar haar.
'Ik kom later,' zei ze. 'Na mijn ontbijt. Anders moet ik de hele ochtend naar je kijken en daar gaat je concentratie aan.'
'Ik zal de organisatie waarschuwen.'
Ze kuste hem. Hij ging de deur uit met de onredelijke overtuiging dat de dag daardoor al voor een deel was gewonnen.
In de hal stonden meer mannen om de startlijst dan er ruimte was om hem te lezen. Marten kende het geluid: opgewekte afkeer van het vroege uur, een paar uitslagen die ter vergelijking werden opgehaald, de een die tegen de ander vertelde dat hij weinig verwachtte en ondertussen controleerde wie het hoorde. Hij begroette Rik van Os, die zijn tas half op de voet van een stoel had gezet.
'Jij was hier gisteren ook,' zei Rik.
'Ik controleer of ze de rondjes 's nachts niet veranderen.'
Rik knikte alsof dat de reden kon zijn. 'Schijnt een vriendin van je te rijden.'
Marten had het woord niet zelf gebruikt. Nu het van iemand anders kwam, vond hij het prettig. 'Ja. Fenna.'
'Goed brons.'
'Ja.' Hij hoorde zichzelf hetzelfde opgewekte ja zeggen als tegen Koen wanneer die vroeg of vrijdag nog stond. Een bevestiging waar meer achter zat dan hij op dat moment wilde uitpakken. Hij ging naar zijn eigen plek.
Bram nam het plan voor de scratch met hem door. De opdracht was herkenbaar, niet eenvoudig. Marten knikte op de juiste momenten, tot zijn coach vroeg wat hij net had gezegd. Hij herhaalde het laatste stuk. Bram keek hem een ogenblik aan en wees daarna naar zijn fiets.
'Ga maar verder met je voorbereiding.'
Hij was er niet met zijn hoofd bij geweest. Dat was nog geen verklaring voor wat er daarna gebeurde. In de eerste ronden van de wedstrijd reed hij wakker genoeg om de bewegingen te zien. Twintig mannen, een veld dat zich uitrekte en weer bijeenkwam, de eerste pogingen die er dapperder uitzagen dan ze waren. Hij hoefde niet op alles te antwoorden. Dat had hij zijn hele leven al moeten leren, en sommige dagen lukte het hem.
Dit was eerst zo'n dag. Hij zat waar hij wilde zitten, vond een wiel waar hij vertrouwen in had en liet een ander het onrustige werk doen. Toen Rik verder naar voren schoof, ging Marten mee. Het voelde goed, dat eenvoudige kiezen. Niet blijven kijken tot iemand anders voor hem bepaalde waar de wedstrijd plaatsvond.
Daarna liet hij een gat vallen dat hij zelf had kunnen voorkomen. Een moment van wachten op de renner voor hem, een halve verwachting dat die het nog zou oplossen. Het veld trok door. Marten moest harder werken dan hij had bedoeld om weer aan te sluiten. Toen dat lukte, was hij kwaad op de man voor hem, hoewel hij zelf al vroeg genoeg had gezien wat er gebeurde.
De volgende versnelling kwam terwijl hij nog zocht naar een plek om te herstellen. Hij ging mee omdat hij niet nog een keer wilde blijven zitten. Er kwam geen groot heldhaftig moment van. Hij kreeg de aansluiting, verloor haar weer en schoof terug tot hij tussen mannen reed die hij net zelf was gepasseerd. Zijn benen voelden niet leeg, alleen onbruikbaar voor alles wat hij tegelijk van ze wilde.
Hij zag Bram langs de baan. De coach gebaarde kort. Marten had de boodschap begrepen en reed toch een tijd alsof iemand anders het stuur vasthield. Hij was druk met wat hij al had laten gebeuren. Met hoe dit eruit moest zien voor mensen die hem kenden. Met Fenna, ergens op een plek waar hij niet naar kon zoeken zonder nog meer van de wedstrijd te missen.
Toen de bel voor de laatste ronde ging, zat hij te ver achterin om zijn middag nog mooi te maken. Hij kwam wel naar voren. Nog een wiel, nog een man, de lijn die geen belangstelling had voor wat hij had willen doen. Na de finish vond hij geen plotselinge ruimte in zijn lijf. Hij was moe op de meest onbevredigende manier die hij kende.
Elfde van twintig. Hij keek lang genoeg naar de uitslag om te weten dat er niets verschoof als hij bleef staan.
Bram vroeg hem eerst om zijn eigen lezing. Marten begon bij het gat en merkte dat hij weer de man voor hem beschreef. Zijn coach liet hem uitpraten.
'Die reed ook zijn eigen wedstrijd,' zei Bram.
'Dat zag ik.'
'Je zag dat gat zelf ontstaan,' zei Bram.
Marten knikte. Hij wilde het nog een keer proberen, meteen, in dezelfde opstelling, met dezelfde mannen. Hij wilde ook naar huis en niemand zien. De twee wensen konden moeiteloos naast elkaar bestaan.
Fenna had haar jas over de leuning van een stoel gehangen. Ze hield een fles voor hem vast, vermoedelijk omdat ze hem ermee had zien aankomen en niet wist waar ze hem moest laten. Het was een gewoon gebaar. Hij maakte het in zijn hoofd groter, een vrouw die hem kwam opvangen na een slechte race, en kreeg daar meteen een hekel aan.
'Wil je deze?' vroeg ze.
'Nee, ik verzamelde ze alleen.'
Ze keek naar hem. Hij pakte de fles aan. 'Dank je.'
Ze ging naast hem zitten. Hij kon aan haar merken dat ze hem niet zou vragen hoe het was gegaan. Daar had hij gisteren nog van gehouden. Nu voelde haar voorzichtigheid ook als iets wat hij haar had aangedaan. Hij dronk en veegde met de achterkant van zijn hand over zijn mond.
'Ik zou zeggen dat je goed reed,' zei ze, 'maar dan geloof je me de rest van de week niet meer.'
Het was een opening. Een kleine, aardige kans om samen te lachen. Hij zag hem en trapte ernaast.
'Jij had maar acht vrouwen nodig om derde te worden. Ik moest er negentien langs.'
Fenna bleef zitten zoals ze zat. Alleen haar hand verdween van zijn stoel. 'Dan waren er toch nog negen die je niet voor je hoefde te hebben.'
Hij lachte een halve keer. Ze niet.
'Ja, goed,' zei hij.
'Nee. Niet goed.' Ze stond op en pakte haar jas. 'Ik ga even iets eten.'
Hij had haar kunnen tegenhouden met een zin die snel genoeg kwam. Hij liet haar weglopen omdat hij haar antwoord oneerlijk vond. Negen mannen die hij achter zich had gehouden: dat was toch ook precies wat hem dwarszat? Pas toen ze uit zijn zicht was, hoorde hij wat hij zelf had gedaan. Haar goede dag naast zijn slechte leggen en dan het vakje aanwijzen waarin de hare kleiner leek.
Bij het douchen bleef hij langer staan dan nodig was. Niet om een groot inzicht op te doen. Er waren gewoon een paar minuten waarin niemand iets van zijn gezicht hoefde af te lezen. Daarna kleedde hij zich aan, bracht zijn spullen naar de auto en keerde zonder fiets terug de hal in.
Fenna zat bij het raam in de ontvangstruimte met een broodje op het papier ervoor. Een plak komkommer was ernaast gevallen. Ze keek op toen hij tegenover haar ging zitten.
'Dat was een rotopmerking,' zei hij.
'Ja.'
'Ik was kwaad. Op mezelf, eigenlijk.'
'Ik was niet in de war over wie er elfde was.'
Hij boog zijn hoofd. Daar verdiende hij geen grappig antwoord op. Ze trok het papier dichterbij en at verder. Hij wachtte tot ze haar hap had doorgeslikt.
'Gisteren was van jou. Het was goed. Ik vond het ook mooi om te zien.'
'Tot je zelf niet goed reed.'
'Ook daarna.' Hij voelde hoe graag hij haar wilde overtuigen. Het zou prettiger zijn als hij nu allebei hun stemmingen kon herstellen. 'Ik had het gewoon niet moeten zeggen.'
Ze keek langs hem naar buiten. 'Ik hoef niet iedere keer klein te doen als jij ergens van baalt.'
'Nee.'
Hij liet het daarbij. Buiten trok iemand een grote fietsdoos over de parkeerplaats. Een wiel van de doos bleef hangen in een naad. De man trok te hard en ging bijna mee. Fenna maakte een klein geluid in haar neus; Marten keek om. Toen hij weer naar haar keek, zag hij dat ze haar mondhoek niet helemaal onder controle had.
'Ga hem niet helpen,' zei ze.
'Ik zat nog.'
'Je keek al als iemand die een oplossing heeft.'
Hij legde zijn handen op tafel. 'Ik heb werkelijk geen enkele oplossing voor die doos.'
Ze duwde het broodje iets van zich af. Het was niet ineens over. Hij hoefde alleen niet meer van iedere seconde te verlangen dat ze bewees dat ze niet boos bleef. Ze vertelde dat ze morgen vroeg moest werken. Hij vroeg niet of ze dan vanavond nog kwam. Toen ze opstonden, pakte hij alleen zijn eigen jas.
Op de parkeerplaats sloeg hij de afslag naar zijn auto al bijna in toen ze zijn naam zei. Hij draaide zich om.
'Ik vond het fijn vannacht,' zei ze.
'Ik ook.'
'Dat staat daar gewoon nog naast.' Ze kwam naar hem toe en kuste hem op zijn mond. Korter dan vanmorgen. Hij voelde zich er niet mee vrijgesproken, wel opnieuw iemand die ze wilde aanraken.
Thuis belde hij zijn zus omdat zij had gevraagd welke kerstdag hij kwam eten. Zijn neefje wilde weten of hij nog steeds sneller fietste dan auto's. Marten zei dat hij vandaag waarschijnlijk moeite had gehad met een winkelwagentje. Zijn zus lachte en gaf een keuze uit twee dagen. Hij koos de tweede kerstdag en hoorde zichzelf daarna vragen of Fenna mee zou kunnen als ze wilde.
'Is dat die vrouw van je helm?' vroeg zijn zus.
'Ik ben inmiddels zonder helm bij haar op bezoek geweest.'
'Dan zet ik een bord bij.'
Na het gesprek keek hij naar de tafel. Fenna had de medaille meegenomen. Op de plek waar het lint had gelegen, zat een vochtige kring van een glas. Hij veegde hem weg en stuurde haar de uitnodiging, met de vraag of ze zin had. Daarna ging hij de pasta opzetten die hij voor zichzelf had gekocht. Het water kookte al toen zijn telefoon oplichtte. Ik moet nog even kijken welke dag bij mijn familie. Maar ja, lijkt me leuk. Hij las het terwijl de pan overkookte en moest hardop om zichzelf lachen. Daar had hij vandaag tenminste nog aanleg voor.