Hoofdstuk 29 · 10 minuten lezen
Wat ze hem wilde vragen
De bevestiging kwam terwijl Fenna op de grond zat tussen twee dozen. De eerste keer dat ze haar telefoon hoorde, dacht ze dat het haar moeder was die vroeg of ze al onderweg was. Ze had nog een stapel handdoeken op te bergen en wist niet waarom een mens er zo veel kon hebben terwijl er op een wedstrijddag altijd een zoek was.
Ze las de afzender en ging rechtop zitten. Nordspor. Naja had haar vrijdag al verteld dat de middelen definitief verdeeld waren. Dit was de persoonlijke bevestiging, met haar naam en de afspraken waarvoor ze de afgelopen weken zo veel informatie had verzameld. Ze las langzamer dan nodig was. Er mocht niet ineens iets anders staan omdat ze zo graag wilde dat het hetzelfde bleef.
Zes maanden. De gemeubileerde kamer, de eigen sprintgroep, het baanwerk met Naja en de andere drie gefinancierde rijders. De afgesproken persoonlijke vergoeding bleef zoals zij die had doorgerekend. Geen bedrag waarvan ze ook nog onzichtbaar de kamerhuur moest betalen. Ze kon er wonen, eten, trainen en zelf blijven kiezen wat ze met het overblijvende deed.
Ze drukte haar duim tegen de rand van haar telefoon. Het was nu mogelijk. Niet als in: iemand vond het een mooi verhaal voor later. Ze kon haar spullen inladen en gaan. Voor het eerst die ochtend stond ze op zonder een doos aan te raken.
Naja belde op het afgesproken tijdstip. Ze spraken Engels. Haar stem klonk alsof er bij haar iemand in een andere kamer heen en weer liep. Ze vroeg hoe het met de benen was na gisteren. Fenna antwoordde eerlijk dat ze ze liever even niet op een trap tegenkwam.
Naja lachte. Ze had de uitslag gezien en feliciteerde haar. Daarna ging het over haar komst, de eerste ontmoeting met de groep en het tijdstip waarop ze de kamer in kon. Fenna hoorde zichzelf naar een parkeerplek vragen. Haar grote buitenlandse kans had opeens iets nodig wat op asfalt paste.
Er kwamen gewone afspraken, training, mensen die niet al jaren wisten hoe zij op een mindere ochtend praatte. Fenna vond het beangstigend en wilde zo snel mogelijk weten hoe het rook in die hal. Ze vroeg hoe haar eerste week eruit zou zien.
Naja legde uit wanneer ze elkaar zouden spreken en waar Fenna de eerste keer verwacht werd. Geen vol programma dat ze nog in Nederland moest proberen voor te leven. Ze moest aankomen, uitpakken en haar leren kennen. Fenna stelde nog twee vragen die ze had opgeschreven. Daarna keek ze naar de derde en zag dat die al beantwoord was.
'Ik kom,' zei ze.
Het was geen indrukwekkende Engelse zin. Naja zei dat ze daar blij mee was. Ze vroeg Fenna de schriftelijke bevestiging terug te sturen en zei dat ze haar volgende week zou zien. Toen ze ophingen, bleef Fenna met de telefoon in haar hand bij het raam staan.
Ze stuurde haar antwoord. Daarna belde ze Gita. Die nam niet meteen op. Fenna schreef haar het nieuws en maakte een foto van de lege plek in haar kast. Daar moest geen verklaring onder; ze wisten allebei hoe lang er al over dat vertrek werd gepraat.
Marten had gestuurd dat hij het werk had aangenomen. Ze las de woorden pas toen haar eigen antwoord al weg was. Ze glimlachte en stelde zich voor hoe hij bij Koen had gezeten, zijn grote hand rond een pen. Ze wilde weten hoe hij had gekeken toen hij tekende.
Ze wilde hem bellen. Ze keek naar de tijd en naar de dozen. Ze hadden afgesproken. Er was een hele middag waarin zij eerst iets anders moest doen. Ze legde haar telefoon neer en trok een doos dicht.
Haar moeder kwam naar beneden toen ze voorreed. Ze had gezegd dat ze niet hoefde te helpen, wat Fenna niet opvatte als een beschrijving van wat er ging gebeuren. Haar moeder pakte de lichtste doos, hield hem op heuphoogte en zei dat er dus geen boeken in zaten.
'Dat kun je van buiten niet zien.'
'Ik kan het aan jouw gezicht zien.'
Ze brachten de spullen naar de kamer waar ze voorlopig konden staan. Fenna had zelf de plek vrijgemaakt tijdens een eerder bezoek. Nu zette ze de laatste doos van deze rit erbij en keek hoeveel er nog in haar appartement overbleef. Niet veel. Het lukte haar steeds slechter om daar naartoe te gaan zonder alvast te zoeken naar iets wat ze nog moest meenemen.
Haar moeder vroeg of ze iets wilde eten. Fenna zei ja. Dat bleek het goede antwoord, want er stond al een pan op. Ze gingen aan de keukentafel zitten. Er lag een krant open op een puzzel die voor de helft af was. Fenna keek naar een omschrijving en gaf het antwoord. Haar moeder zei dat dat niet mocht, zette het woord erin en scheurde een stukje brood af.
Fenna vertelde over Naja. Niet over alle voorwaarden die haar moeder al drie keer had gehoord, maar over de stem, over de eerste week, over de naam van de plek die ze nu niet alleen op een scherm zou bekijken. Ballerup. Ze zei het nog eens, omdat het nog niet vanzelf in haar mond paste.
'En vanavond ga je naar Marten?'
Fenna keek op. 'Ja.'
'Goed.'
'Je weet niet eens wat we gaan doen.'
'Nee. Dat hoef ik ook niet helemaal te weten.'
Ze had daar een grap van kunnen maken. Ze at een hap en merkte hoe opgelucht ze was dat haar moeder niet meteen begon over zijn werk of haar afstand. Er was een man naar wie zij graag wilde. Meer kon ze er nu ook niet van maken.
Na het eten liepen ze samen naar de deur. Haar moeder vroeg of de medaille nog ergens te zien zou zijn voordat Fenna vertrok. Ze had er een foto van gezien, maar dat was toch iets anders. Fenna beloofde die mee te nemen bij haar volgende bezoek.
'Wel de echte,' zei haar moeder.
'Ik heb er maar één van gisteren.'
'Je kunt vast ergens een eerste plek kopen. Doe dat maar niet.'
Fenna gaf haar een kus en reed terug. Ze lachte nog toen ze het raam dichtdeed. Daarna kwam de onrust weer. Ze wist wat ze wilde zeggen. Ze wist ook hoe gemakkelijk ze er een lichtere versie van kon maken zodra Marten haar aankeek.
Thuis zette ze de spullen apart die ze voor de laatste schoonmaak nodig had. Ze belde de verhuurder terug over de overdracht op de afgesproken dag. Het gesprek duurde vier minuten. De sleutels moesten dan ook worden ingeleverd. Ze zou hier niet nog een kamer achter de hand houden als de eerste Deense avond tegenviel.
Ze bleef even in de woonkamer staan. De kast was bijna leeg. Ze had hier geleefd, ruzie gemaakt, veel te laat gegeten, met Marten gelachen en met hem geslapen. Dat zat niet in de huurafspraak die nu afliep.
Gita belde terug. Ze was blij met het nieuws. Ze spraken af wanneer Fenna nog langskwam. Gita wilde nog iets met haar doornemen voor ze vertrok; daarna hoefde ze niet in Nederland te blijven nadenken over wat haar oude coach ervan zou vinden.
'Naja gaat met jou werken,' zei ze. 'Daar moet jij met je eigen vragen heen.'
'Ik was niet van plan je dagelijks te bellen.'
'Je mag best bellen. Ik ga alleen niet ieder antwoord geven.'
Fenna grijnsde. Ze spraken af en hingen op. Ze legde haar telefoon neer en dacht aan hoe vaak ze met Gita had gewerkt zonder te beseffen dat dit ooit het laatste blok kon zijn. Ze hoefde vanavond geen afscheid van iedereen tegelijk te nemen.
Ze koos kleren die ze prettig vond en niet alleen makkelijk voor onderweg. Ze wist niet of dat verstandig was. Ze vond dat ze die vraag nu wel vaak genoeg had gesteld. In de spiegel zag ze een vrouw die zich bewust had omgekleed voor iemand. Ze draaide een stukje opzij en bleef met haar blik bij zichzelf, tot ze begon te lachen om de ernst waarmee ze dat deed. Tegen de avond stuurde ze Marten dat het Deense bericht definitief was en dat ze ja had gezegd. Zijn antwoord kwam voor ze haar jas aan had. Mooi. Tot straks.
Bij Marten stond ze even beneden voordat ze aanbelde. Ze kon hem niet alvast uitleggen dat ze niets van hem wilde eisen. Ze wilde namelijk wel iets. Niet dat hij zijn nieuwe werk liet schieten of dat hij met haar meeging om haar vertrek minder moeilijk te maken. Ze wilde met hem zijn, ook wanneer ze na deze week in twee landen woonden. Dat moest ze zelf durven vragen.
Toen hij haar binnenliet, voelde ze hoe graag ze hem wilde kussen en al het andere uitstellen. Hij keek haar aan. Ze bleef dichtbij genoeg om hem te kunnen aanraken.
'Gefeliciteerd,' zei ze.
'Jij ook.'
'We hebben het toch maar gedaan.'
'Ja.'
Ze wilde lachen, maar het kwam er niet goed uit. Hij vroeg of ze wilde zitten. Er rook iets naar eten. Ze liepen naar de tafel en zij ging op de stoel zitten waar ze vaak had gezeten. Zijn knie raakte de hare toen hij tegenover haar plaatsnam. Geen van hen schoof weg.
Hij vertelde dat Koen hem had gevraagd of hij nog ging koersen. Niet of hij nu eindelijk aan een echt leven zou beginnen. Fenna lachte. Ze wist hoe slecht Marten tegen die laatste soort vraag kon, ook als iemand het vriendelijk bedoelde.
'Wat heb je gezegd?'
'Dat ik het nog niet wist. Niet helemaal.'
'Dat is ook weleens handig. Je kunt nog alle kanten op met dat antwoord.'
'Ik heb er lang op geoefend.'
Ze zag hoe blij hij was met de winkel, ook terwijl hij er nog een beetje onwennig over praatte. Ze kon zich hem er voorstellen, luisterend naar iemand die een ander verhaal kwam vertellen dan het verhaal dat hij van wedstrijden kende. Ze had te weinig gezien hoe graag hij dit werk wilde. Ze was zo druk geweest met zelf verder willen dat ze hem er bijna kleiner om had gemaakt.
'Ik denk dat je er heel leuk bent,' zei ze.
'Alleen daar?'
'Ik probeer je iets aardigs te zeggen.'
'Ik hoorde het. Daarom wil ik graag weten hoelang het aanbod nog loopt.'
Ze lachte. Zijn knie raakte nog steeds de hare. Ze wilde met haar hand langs zijn kaak, waar de stoppels zichtbaar waren. Ze had vergeten hoe duidelijk iets kon ontbreken wanneer het opeens zo dichtbij was.
Hij stond op om het eten te halen en vroeg of ze honger had. Ze zei ja. Ze kreeg een bord, at een hap en besefte dat ze daar zelf even niet aan had gedacht. Hij ging weer zitten. Ze proefde tomaat en ui, iets dat niet bedacht was om indruk te maken en waar ze toch heel graag een compliment over wilde geven. Ze deed het. Marten keek tevreden en begon over de keer dat hij dit voor het eerst had gemaakt. Halverwege brak hij zijn eigen verhaal af.
'Ik praat om je heen,' zei hij.
Ze legde haar vork neer. 'Ja. Ik ook.'
'Ik heb de hele middag geprobeerd iets slims te bedenken,' zei ze.
'Dat klinkt vermoeiend.'
'Het viel tegen.'
Hij glimlachte. Ze keek naar zijn gezicht en voelde ineens hoe slecht ze dit kon als ze de belangrijkste woorden nog even wilde bewaren.
'Ik mis je,' zei ze. 'En ik wil je terug. Dat is niet alleen voor deze week.'
Zijn blik bleef op haar. Ze hoefde niet snel verder te praten om te doen alsof het minder was geweest. Ze wilde wel verder, omdat er nog iets uit moest wat ze tot nu toe steeds in gedrag had gestopt alsof dat vanzelf duidelijker sprak.
'Ik hou van je, Marten. Ik ga, en ik hou van je. Ik wil niet meer wachten tot dat ineens twee dingen worden die makkelijk bij elkaar passen.'
Ze voelde zijn knie steviger tegen de hare. Hij haalde adem. Ze legde haar hand op tafel, dicht bij de zijne, en liet de laatste vraag eindelijk komen.
'Wil jij weer met mij zijn?'