Hoofdstuk 4 · 10 minuten lezen
De vrouw die bleef
De vrouw met de boodschappentas heette Ria Visser. Dat ontdekte Lena pas toen ze voor haar deur stond. Het naamplaatje was met twee schroefjes vastgezet, maar een ervan hing los. De V stond lager dan de andere letters.
Lena belde aan en wachtte. In de gang naast het melkglas bewoog een schaduw. Ria keek eerst door het kleine zijraam en deed de deur daarna op de kierstand open.
‘U was gisteren aan de overkant.’
‘Ja. Ik wilde vragen of we even kunnen praten. Als u daar geen zin in hebt, laat ik het hierbij.’
Ria hield haar blik op Lena's gezicht. Ze droeg geen jas meer maar een schort met een donkere vlek ter hoogte van haar buik.
‘Bent u van de woningcorporatie?’
‘Nee. Ik heb voor hen werk gedaan, via een opdrachtgever. Maar mijn eigen bureau zit aan de Vlasstraat.’
‘Dat zegt u nu.’
‘Daarom heb ik een kaartje meegenomen. U kunt het controleren voordat u mij iets vertelt.’
Lena stak het door de opening. Ria pakte het vast alsof het nog nat was. Ze bekeek de voorkant, draaide het om en liep ermee naar een tafel die Lena vanuit de gang kon zien. Het veiligheidshaakje bleef tussen hen zitten. Lena wachtte op de stoep. Aan de overkant ging een voordeur open en een jongen kwam naar buiten met een vuilniszak die onderaan droop.
Na een paar minuten schoof Ria de haak weg.
‘Ik kan uw telefoonnummer nog wel bellen,’ zei ze.
‘Dat kan.’
‘Maar dan neemt u zelf op. Daar word ik ook niet veel wijzer van.’
Ze deed de deur verder open en liet Lena binnen. Op het fornuis stond een pan met soep. Op het aanrecht lag een bergje kleingesneden prei. De helft van een ui bleef ongebruikt liggen, met de snijkant op een bordje. Ria schoot een lepel in een mok en deed de keukendeur dicht, hoewel ze er allebei bij stonden.
‘Ik wil nergens tussen komen,’ zei ze.
‘Dat begrijp ik.’
‘Dat begrijpt iedereen altijd. Totdat je iets gezegd hebt.’
Lena ging nog niet zitten. Ze legde uit welk bezoek ze op zes mei had gedaan en waarom haar controle gisteren was afgebroken. Ze noemde de verkeerde vertrekdatum. Over Henk begon ze niet meteen. De vrouw die haar gisteren uit een leeg huis zag komen, hoefde niet ineens het gevoel te krijgen dat ze voor een politieverhoor in haar keuken had getekend.
Ria wees naar een stoel. ‘Dus u zegt dat het huis volgens een papier al leeg was toen u er was.’
‘Ja.’
‘Daar hoef ik u niet bij te helpen. U hebt Sofie zelf gezien.’
‘Dat klopt. Ik wil weten hoe dat verschil er kan zijn gekomen. En ik zoek een manier om Sofie te bereiken, zonder zomaar haar gegevens op te vragen.’
‘Ik heb haar nummer.’
‘Zou u haar willen laten weten dat ik haar iets wil vragen? U hoeft het nummer niet aan mij te geven.’
Ria keek naar het kaartje op tafel. ‘Ze antwoordt niet.’
‘Hoelang al niet?’
‘Een paar dagen.’
Ze trok een stoel naar achteren en ging er op het randje zitten. In de kamer achter Lena tikte een klok die nog wel liep. Er waren meer planten dan ruimte bij het raam. Twee grote bladeren hadden elkaar over de vensterbank geschoven.
‘Vorige dinsdag heb ik haar nog gesproken,’ zei Ria. ‘Ze had haar tas bij zich. Ze kwam van haar werk. Bij de voordeur, niet hier. Ik heb haar gevraagd of ze de paarse plant nog wilde. Hij krijgt te weinig licht aan deze kant.’
‘Dinsdag twaalf mei?’
Ria hield haar ogen halfdicht. ‘Ik doe op dinsdag boodschappen. Ik denk het wel. Nee, wacht. Vorige week ben ik op woensdag gegaan. Mijn afspraak was dinsdag verplaatst.’
Ze stond op, haalde een kalender van de zijkant van de koelkast en legde hem neer. Achter de twaalfde stond een naam met een streep erdoor. Daaronder, kleiner, boodschappen.
‘Het was woensdag,’ zei ze. ‘Dertien mei. Ik ben daarna bij mijn zus geweest. Sofie zei dat ze vroeger thuis was dan gewoonlijk.’
Lena had haar pen nog niet gepakt. Ze wilde Ria niet een tijd laten vasthouden die alleen was ontstaan omdat er iemand zat mee te schrijven.
‘Is dat iets wat u zeker weet, of ongeveer?’
‘Dat ik haar hier zag staan weet ik zeker. Welke dag, daar moest ik naar kijken. Schrijf maar dat ik dat even op mijn kalender heb opgezocht.’
‘Mag ik aantekeningen maken?’
‘Ja. Maar ik wil ze lezen.’
Ria keek mee terwijl Lena de paar regels opschreef. Ze veranderden vroeger thuis in klaar met de dienst. Het waren Sofies woorden geweest, zei Ria. Dan was die formulering beter.
Lena vroeg of er daarna een verhuisauto was geweest.
‘Er rijden hier tegenwoordig zoveel busjes. Voor onderhoud, zeggen ze. Maar dan loop je langs een dak waar het nog precies even hard doorheen lekt.’
‘Op het huis aan de overkant was gisteren nog geen herstel te zien.’
‘Dus zij had gelijk.’
‘Wie?’
‘Sofie. Ze zei dat ze niet kon begrijpen waarom het zo slecht moest zijn dat ze eruit moest, als niemand iets kwam maken.’
Ria pakte de lepel uit de mok, keek naar de soep en zette hem weer terug. Ze had nauwelijks iets gezegd en Lena merkte hoe groot het werk al voelde dat ze daarna nog moest doen. Niet voor Lena: voor zichzelf, voor het besluit dat ze een ander liet weten wat Sofie tegen haar had gezegd.
‘Heeft ze u een brief laten zien?’ vroeg Lena.
‘Nee. Ze wilde daar niet zoveel over vertellen. Soms kwam ze met brood en dan bleven we over brood praten. Hoe vroeg ze op moest. Dat de zakken nooit allemaal precies recht zaten. Zulke dingen.’
‘Ze werkt in een broodfabriek.’
‘Ja. Ze bakt daar niet zelf. Dat denken mensen meteen. Het meeste loopt over banden. Maar ze nam wel eens iets mee dat niemand meer zou kopen. Er was niks mis mee.’
In Lena's notities kwam werk erbij. Niet om Sofies dienstrooster te reconstrueren; daarvoor had ze andere redenen en toestemming nodig. Het maakte de vrouw in het lege huis iets vollediger dan een opgegeven vertrekdatum. Lena had bij hun inspectie naar haar werk gevraagd en het antwoord half bewaard, omdat de maat van een vochtplek er belangrijker was geweest.
‘Ik hoorde van Cor dat Henk Roos haar hielp met brieven,’ zei ze.
Ria ging achterover zitten. ‘U bent ook bij Cor geweest.’
‘Over de extra sleutels. Hij vertelde dat Henk dood was. Ik kende hem niet echt.’
‘Nee.’
Ria zei dat kort, maar niet onvriendelijk. Ze zocht met haar hand naar een hoekje van haar schort en rolde het tussen twee vingers.
‘U kende hem wel?’
‘Veertien jaar hier tegenover. Dan ken je iemand. Niet alles. Henk wilde nogal eens dat ik iets net zo belangrijk vond als hij. Als er een afvalbak verkeerd stond, moest iedereen het weten.’
‘En Sofie?’
‘Die was wel blij met hem. Hij kon een brief lezen zonder dat je je dom voelde. Tenminste, meestal. Hij vond ook dat dingen in één keer goed moesten. Daar kon hij behoorlijk lastig mee zijn.’
Ria glimlachte, verlegen bijna, omdat ze iets onaardigs over een dode had gezegd. Daarna werd haar gezicht weer vlak.
‘Donderdagavond was hij achter bezig. Ik hoorde stemmen. Van mijn tuin uit. Niet wat er gezegd werd.’
‘Met wie?’
‘Weet ik niet. Ik heb geen gezichten gezien. Ik wilde juist mijn vuilnisbak klaarzetten en bedacht dat ze die de volgende dag helemaal niet kwamen ophalen. Daarna ben ik naar binnen gegaan. Het was pas vrijdagmorgen dat ik iemand voor de overkant zag staan.’
‘Hebt u dat aan de politie verteld?’
‘Ze zijn langsgekomen. Ja.’
Ze wees nu met de lepel naar Lena's schrift. ‘Dat hoeft u niet allemaal weer op te schrijven. Ik heb het hun verteld. Het is ook alles wat ik weet. Ik kan er niet meer van maken omdat iemand behoefte heeft aan meer.’
Lena legde de pen neer. ‘Dat is juist goed.’
‘Ik weet niet of het goed is.’
Ze bleven een tijdje zitten. Buiten kwam de vuilniswagen nu wel langs. Een klap tegen een metalen rand, daarna het schuren van wielen. Ria had haar bak kennelijk voor de verkeerde dag willen klaarzetten en hem daarna toch op tijd buiten gezet. Dat was wat dagelijkse handelingen deden: ze pasten zich aan zonder dat je iedere correctie onthield.
‘Wilt u straks een kopje soep?’ vroeg ze.
‘Ik wil u niet ophouden.’
‘U zit hier toch.’
Ze stond op en zette twee kleinere pannen op het fornuis, alsof de eerste te vol was om daaruit te schenken. Lena pakte op Ria's aanwijzing de kommen uit de kast. Er stonden vijf dezelfde, twee met een andere rand. Ze koos de gewone. Ria deed in elke kom een scheut soep en een halve lepel room.
Tijdens het eten vroeg ze Lena of ze hier wel vaker huizen had bekeken. Lena noemde een paar opdrachten en vertelde dat ze meestal voor kopers werkte, soms voor verhuurders, maar geen woningen verdeelde en niemand een huurderstatus gaf.
‘U schrijft wel iets waar ze dat op laten volgen,’ zei Ria.
Lena zette haar lepel neer. ‘Dat kan. Daarom moet kloppen wat ik schrijf.’
‘En wat zij zeggen dat u schrijft.’
‘Ja.’
Ria hield haar blik nog even op haar. ‘Daar zult u dan iets aan moeten doen.’
Na het eten liet Lena de vrouw haar aantekeningen lezen. Ria wilde geen foto van haar kalender in het dossier van een bedrijf zien. Ze schreef zelf de datum onder de twee regels en zette haar naam erbij. Lena maakte duidelijk dat ze daarmee alleen instemde met de vastgelegde herinnering, niet met wat Lena ervan dacht te kunnen afleiden.
Ria pakte haar telefoon. Ze typte langzaam en las hardop wat ze wilde sturen: Sofie, Lena Wouters, die de lekkage kwam bekijken, vraagt of ze je iets mag vragen over haar rapport. Het nummer staat op haar kaartje. Zal ik dat sturen?
‘Zo is het goed,’ zei Lena.
‘Dan doe ik dat. Daarna moet zij het maar weten.’
Ze gaf Lena niet het nummer. Die hoefde het ook niet te zien.
Bij het vertrekken keek Lena naar het huis aan de overkant. Het gordijn met het rode herstelstukje hing nog aan het achterraam; van deze kant was het niet zichtbaar. De voorkant had een rolgordijn dat iets scheef was opgerold. Bij de vlier lag een aangebroken stapel nieuwe stenen. Op het pad erachter stonden twee gesloten deuren tegenover elkaar, de ene van een schuur, de andere van de aanbouw van nummer 16.
Ria kwam in de deuropening staan. ‘Als u naar achteren wilt: dat stuk aan de straatzijde is een gezamenlijk pad. Maar ga niet over iemands tuin. Daar heeft u geen boodschap.’
Lena knikte en liep naar de opening tussen de huizen. Ze bleef aan het begin van het pad staan. Een oude betonnen trede stak dwars voor de deur van de aanbouw uit. Er was geen leuning. Daarachter lagen een paar platte stenen die niet meer op dezelfde hoogte zaten.
Ze hoefde geen val na te spelen om te zien dat dit een ongelukkige plek was. Cor had ook niet beweerd dat het onmogelijk was geweest. Dat moest ze onthouden. Het lege huis, de sleutels en die trede waren op dit moment geen verhaal dat ze aan elkaar mocht vastmaken. Er waren mensen die ertussen leefden. Ria had haar er één laten zien, de vrouw die op dertien mei nog van haar dienst thuiskwam.