Hoofdstuk 30 · 10 minuten lezen
De verkeerde bezoeker
De bezoeker aan de voorkant was een vrouw met twee oude sleutels aan een ring. Ze wilde weten of er nog een nieuwe van gemaakt kon worden voordat ze haar moeder uit het ziekenhuis ophaalde. Lena bleef bij de opening naar de winkel staan. De vrouw legde de sleutels op de balie en verontschuldigde zich voor het korte tijdsbestek.
Cor zei dat het deze middag niet meer ging. Hij zou haar een andere werkplaats aanraden. De leverancier stond met een pakbon te wachten bij de deur. Achter hem was de laadklep van de vrachtwagen nog open.
‘Ik kan niet door alle afspraken heen,’ zei Cor. ‘Anders mis ik vanmiddag de afspraak die ik juist moet halen.’
De vrouw knikte en raapte haar sleutels op. Ze vroeg of die andere zaak ver weg was. Cor schreef het adres op de achterkant van een visitekaartje. Toen ze vertrok, zei hij dat ze voor de zekerheid moest bellen. Lena zag dat het hem moeite kostte haar naar een ander te sturen. Voor de werkplaats hing het bord met de openingstijden, en hij stond zelf achter de balie; voor sommige klanten waren dat de enige twee feiten die telden.
Lena kreeg een bericht van Mieke. De stukken voor de bewoners zouden niet die middag worden verstuurd maar maandag, nadat ieder zijn eigen gegevens had kunnen controleren. Er stond geen nieuwe informatie over Sofie in. Lena antwoordde dat haar bouwkundige correctie klaar was en ze de betreffende bijlagen veilig zou aanleveren. Ze liep naar de achterkamer en zette de map in haar tas.
Cor kwam even mee om een laatste envelop uit de kast te halen. Hij schreef het adres van Ria erop en liet de envelop open; Nora zou haar de papieren brengen.
‘Dat andere dossier,’ zei hij, wijzend naar Lena’s tas. ‘Moet je daar nog wat van zien?’
‘Nee. Alleen de lijst. De originelen zijn waar ze horen.’
‘Goed. Ik wil niet alles hier hebben liggen.’
Hij pakte het pakket met de andere dossiers van de tafel. ‘Neem die lijst pas mee als ik hem zelf ook heb. Ik moet anders weer uitzoeken wat ik aan wie heb gegeven.’
Lena hield hem haar kopie voor. Onder iedere regel had ze ruimte gelaten. Ze noteerde welke documenten zij meenam en schreef erbij dat het geen verklaring was over de gebeurtenissen bij de trap. Cor las het en veranderde één adresnummer. Daarna liepen ze samen naar de printer voorin. Het apparaat had lang nodig om wakker te worden en trok het eerste vel scheef naar binnen.
‘Dat bedoel ik,’ zei hij. ‘Dat spul wil altijd alleen werken als ik het niet nodig heb.’
Lena haalde haar telefoon uit haar zak, zag een gemiste oproep van een klant en liet hem voor later staan. Toen het papier uiteindelijk uit de printer kwam, vroeg Cor haar te wachten met de lijst tot hij de adressen nog eenmaal had vergeleken. Ze wachtte. De leverancier keek ongeduldig naar zijn horloge, maar Cor las door.
Bij het laatste adres zette hij zijn paraaf. Lena deed hetzelfde bij de ontvangstregel. De twee bladen gingen uiteen: één naar haar map, één in zijn administratie. Cor deed er geen grap over dat nu iedereen voor alles tekende. Hij ruimde zijn eigen blad weg voordat hij zich weer naar de vrachtwagen draaide.
Hij wreef over zijn kin en keek naar de opening. De leverancier riep dat hij de profielen weer in de wagen zou zetten als er niemand tekende. Cor antwoordde dat het niet nodig was om te dreigen voor twee handtekeningen.
‘Heeft Nora haar spullen?’ vroeg Lena.
‘Bijna. Ze maakt de achterbank vrij. Ze dacht eerst dat alles in die kar paste.’
Hij knikte naar de doos die Lena nog op tafel had laten staan. ‘Kun je haar dat straks brengen? Eerst dat liniaaltje weer in het etui. Anders denkt ze dat ze nog terug moet.’
Lena ritste het etui dicht en legde het boven op de kaartenmap. Cor liep naar de leverancier. Aan de voorkant viel de deur dicht. De bel gaf een kort, onvolledig geluid, doordat het metalen klepeltje ergens tegenaan bleef hangen.
Toen Lena de doos optilde, ging de bel opnieuw. Ze keek nog niet op. Ze zette de doos tegen haar heup, zoals Nora had gedaan. Op de balie werd iets neergelegd. Cor zei een naam, vraag en waarschuwing in hetzelfde woord.
‘Niels?’
Lena zette de doos terug.
Ze hoorde de leverancier vragen waar hij de vrachtpapieren moest achterlaten. Cor zei dat hij erbij kwam en toen, zachter, iets tegen Niels. Daarop volgden voetstappen. Niels verscheen in de opening naar de achterkamer, met zijn telefoon in zijn hand. Hij had geen jas aan. Op zijn donkerblauwe trui zat een kleine droge verfveeg bij de buik.
‘Je bent hier dus nog,’ zei hij.
‘Ik heb een afspraak.’
‘Ja. Daar hadden ze het voorin over.’
Lena keek langs hem heen. Cor stond bij de buitendeur met de leverancier. Nora zag ze niet. Haar tas stond tegen de stoel, haar fiets bij het pad achter de loods. Ze zette haar telefoon niet in haar tas. Ze hield hem in haar linkerhand, laag naast de tafel.
‘Als je iets over de bonnen wilt vragen, moet je bij Cor zijn.’
‘Ik kom geen sleutel bestellen.’
Hij stapte naar de tafel. Op het etui rustte een ansichtkaart die uit de kaartenmap was gevallen. Lena pakte hem op en legde hem terug onder de band. Niels keek naar de spullen van Henk.
‘Hoe lang denk je dit vol te houden?’ vroeg hij.
Lena antwoordde niet. Ze voelde haar hart sneller gaan en ergerde zich heel even aan de reactie van haar lichaam. Niels had haar nog niets gedaan. Die gedachte schoof ze meteen weg. Ze mocht wachten met vaststellen wat een handeling betekende zonder te wachten met zichzelf beschermen.
‘Cor is voor,’ zei ze. ‘Ik ga zo weg.’
‘Je hoeft nu niet te doen alsof we geen normaal gesprek kunnen hebben.’
‘Ik heb je al gezegd wat ik over mijn verslag te zeggen heb.’
Hij legde zijn telefoon op de tafel, het scherm naar beneden. ‘De helft van die mensen wil niet eens blijven. Ze tekenen iets, krijgen geld en vervolgens zeggen ze dat ze niets begrepen hebben. En dan kom jij er tussen.’
‘Ik was op zes mei in een bewoond huis. Daar heb ik een verslag van gemaakt.’
‘Iedereen weet wanneer je daar was.’
‘Dat stond niet in het dossier dat je gebruikte.’
Niels haalde zijn hand door zijn haar. Zijn nagel bleef aan een draadje van de trui haken. Hij trok het los en liet zijn hand op de tafel vallen.
‘Jij hoort een verhaal en je gelooft het omdat iemand kan huilen. Ik heb tien jaar met die bewoners te maken. Ik weet ook wat er niet klopt.’
Lena zette een stap naar haar tas. Niels legde zijn hand op de rugleuning van de stoel die ervoor stond. Hij verplaatste hem niet; de boodschap kwam toch aan. Zij bleef waar ze was.
‘Zet die stoel weg,’ zei ze.
Hij keek naar zijn hand. ‘Doe niet zo raar. Ik houd iets vast.’
‘En ik wil langs je.’
‘Dan luisteren we allebei even. Ik heb ook dingen die ik moet afmaken.’
Buiten sloeg de laadklep met een zware dreun tegen de vrachtwagen. De leverancier riep iets over maandag. Lena kon Cor niet meer zien vanaf haar plek naast de tafel. Er waren enkele meters tussen haar en de opening, Niels stond ertussen. De andere kant van de kamer was vrij. Het pad naar de achterdeur begon voorbij de kast met poetsmiddelen.
Ze wilde haar locatie niet in een reeks bewegingen aan Niels laten zien. Ze hield haar blik bij zijn schouder en stak haar telefoon in haar broekzak. Met haar rechterhand trok ze haar tas een stukje uit de ruimte achter de stoel. Niels schoof de stoel nu wel.
‘Wat zit daarin?’
‘Mijn werk.’
‘Laat zien.’
‘Nee.’
Hij keek naar de map die boven de rand uitstak. ‘Je hebt hier niets mee te maken. Dit is administratie van de corporatie. Cor moet die niet op straat leggen.’
‘Vraag het hem.’
‘Ik vraag het aan jou.’
Aan de voorkant klonk een claxon, kort en fel. Door het hoge zijraam zag Lena de schaduw van een openstaande autodeur. Nora was blijkbaar nog bij haar auto. Lena dacht aan het bericht van Anouk: geen inhoudelijk gesprek om ons te helpen. Ze hoefde Niels niet uit te leggen waarom zijn eigen woorden tegen elkaar ingingen. Ze hoefde niet uit te zoeken hoe hij wist wat er in haar map zat.
‘Ik ga geen stukken aan jou geven,’ zei ze. ‘Die bespreek je met degene die erover gaat.’
‘Je kunt in één mail zeggen dat je een verkeerde conclusie hebt getrokken. Dat is alles. Niet over die lekkage, dat mag je houden. Over de rest.’
Hij wees op haar telefoon in haar zak. Lena hoorde de woorden maar keek naar zijn vingers. Hij had zijn hand ontspannen toen zij bleef staan. Zijn houding veranderde zodra ze haar tas weer aanraakte.
‘Er komt geen andere mail,’ zei ze.
‘Dan bel je. Je hebt dat nummer toch.’
Hij kwam dichterbij en Lena liep achteruit tot ze de rand van de tafel tegen haar dij voelde. Ze legde de tas los op het blad. Als hij hem wilde hebben, kon hij hem pakken. Haar telefoon zat in haar broekzak. De originelen waren niet hier. Zelfs als ze dat niet waren geweest, had deze map haar niet in de kamer mogen houden.
‘Blijf daar,’ zei ze.
Niels keek haar kort aan. ‘Jezus, Lena. Ik ben niet iemand van de televisie.’
De zin kwam zo gewoon dat zij er bijna antwoord op gaf. Hij klonk geërgerd, vermoeid door een lastig overleg. De werkplaats bleef de werkplaats, met de bekers op de kast en de radio die Nora had meegenomen. Het was moeilijker om de ruimte als gevaarlijk te zien dan om de uitgang te onthouden.
Niels sloeg de bovenkant van de tas open. Lena pakte zijn pols niet. Ze schoof opzij, haar heup langs de tafelrand. Hij trok de map eruit en blies door zijn neus toen hij het voorblad zag.
‘Kopieën. Wat moet je daarmee? Alles is al verstuurd.’
‘Inderdaad.’
Hij klapte de map dicht. Een los vel viel op de vloer. Lena zag het adres niet, alleen het rode stempel waarmee Cor had aangegeven dat het om een kopie ging. Ze liet het liggen.
‘Waar is zij?’ vroeg Niels.
Lena voelde kou tussen haar schouderbladen. Ze keek naar de opening. Cor kwam nog niet terug. Buiten begonnen twee mannen tegen elkaar te praten; de stemmen kwamen uit de vrachtwagen.
‘Over bewoners praat ik niet met jou.’
‘Jij weet het.’
Hij hield de map in zijn linkerhand, met de rug naar beneden. ‘Ze heeft haar broer erin meegesleept. Weet je dat ook? Het is altijd iemand anders die moet betalen als zij wegloopt.’
Lena hoorde Sofie bij de tafel in Miekes kantoor. Haar precieze aarzelingen, haar correcties op wat ze aanvankelijk had verteld. Ze zou Niels geen detail geven dat hem vertelde wat Sofie had gezegd of waar zij kon zijn.
‘Ik ga nu naar buiten,’ zei ze.
Niels zette een voet opzij. ‘Je gaat eerst zeggen dat je met me praat.’
Cor stond ineens in de opening. ‘Ze gaat naar buiten als ze dat wil.’
Niels draaide zijn hoofd. ‘Ik kom hier voor mijn bonnen.’
‘Die heb ik niet meer. Dat heb ik je al gezegd.’
‘Je hebt kopieën.’
Cor keek naar de map in Niels’ hand. Hij bleef in de opening staan, met een pen achter zijn oor. ‘Dat is niet jouw map. Leg die neer.’
Niels pakte zijn telefoon van het blad en stak die in zijn zak. Toen liep hij naar Cor toe. Lena zag dat hij de map nog vaster vastpakte. Cor hief zijn handen niet en kwam hem niet tegemoet. Hij bleef staan met een hand tegen de zijkant van de opening. Aan de voorkant zei Nora: ‘Cor? Wat is er?’
Niels wees haar met een korte armbeweging terug. ‘Dit is een werkoverleg. Jij hoeft er niet bij.’
‘Ik bepaal hier wie erbij mag,’ zei Cor.
Lena keek over de werktafel naar de gang. Vanaf haar nieuwe plek hoefde ze niet meer langs Niels om die te bereiken. Ze draaide haar lichaam een beetje en zette haar hand tegen het tafelblad. Nora’s gezicht was nu zichtbaar achter Cor. Haar ogen gingen van Niels naar Lena. Lena schudde eenmaal haar hoofd. Nora bleef niet staan om een uitleg af te wachten. Ze stapte terug naar de winkel, haar telefoon al bij haar oor.