Hoofdstuk 16 · 11 minuten lezen
Aan de andere kant van de lijn
Om drie uur liet Lena de telefoon liggen toen hij ging. Ze had hem het afgelopen uur bij ieder kort geluid opgepakt; nu klonk een oproep langer dan een melding en wist ze opeens niet hoe ze moest beginnen. Op het scherm stond het nummer dat Mieke had doorgegeven voor het bemiddelde gesprek.
‘Met Lena Wouters.’
‘Ik weet niet of ik uw werk verstoor.’
Ze herkende de stem niet meteen. Tijdens het huisbezoek waren er water, deuren en verkeer omheen geweest. Nu bleef er een zachte stem over en ergens daarachter het geluid van iemand die een pan neerzette.
‘U stoort niet.’
‘Sofie. Van het huis.’
Lena pakte de rand van haar tafel. Ze kon niet tegelijk blij zijn en de juiste eerste vraag bedenken. Sofie zei dat Mieke had aangeboden mee te luisteren. Ze had liever eerst zelf gebeld. Er was een vriendin bij haar, maar die zat niet naast de telefoon.
‘Dank je dat je belt,’ zei Lena. ‘Ben je veilig op dit moment?’
‘Ja. Hier wel.’
‘Je hoeft me niet te zeggen waar hier is.’
Aan de andere kant ging een deur dicht. Sofie ademde hoorbaar uit.
‘Ik dacht dat u meteen naar het huis zou vragen.’
‘Ik heb vragen over het verslag. Maar ik wilde vooral weten of je hulp hebt die jij zelf vertrouwt.’
‘Mieke zei dat het verslag veranderd was.’
Lena schoof het document niet naar zich toe. De telefoon had de hele ochtend tussen de stukken gelegen; nu wilde ze het gesprek niet laten beginnen met de regel waarvoor iemand Sofie uit haar woning had geschreven.
‘Mijn oorspronkelijke tekst beschrijft ons bezoek. Jij was thuis. We hebben de lekkage bekeken. Ik heb geen vertrek op eenendertig maart vastgelegd.’
‘Ik was de dag ervoor bij mijn broer aan het eten. Toen moest hij nog vragen of ik een sleutel bij me had. Later deed hij of ik daar nooit meer woonde.’
Lena hoorde het verdriet pas toen de zin al voorbij was. Ze wilde zeggen dat ze Ruben had gesproken en wist niet of dat Sofie gerust zou stellen.
‘Ik heb je broer vrijdag gezien. Hij weet niet waar je bent, zei hij. Ik heb hem gezegd dat je zelf kunt kiezen hoe contact gaat.’
‘Hij vroeg het me de hele tijd. Waar ik was, wat ik ging doen. En als ik over mijn huis begon, moest ik praktisch denken.’
Er klonk een korte tik. Sofie zei dat ze haar glas op de vensterbank had gezet. Lena keek door haar eigen raam naar een lege aanhanger op het terrein. Ze zou niet kunnen weten of aan Sofies kant ook iets te zien was als zij die vraag niet stelde. Ze liet het zo.
‘Ik wilde u nog vragen over die vochtplek,’ zei Sofie. ‘Op zes mei. U zei dat hij niet hetzelfde hoefde te betekenen als wat je achter de muur aantrof. Ik dacht dat er eindelijk iemand niet zomaar iets riep.’
Lena zag het smalle stuk gordijn weer, de rode reparatie en Sofies sleutel met het blauwe lusje. Ze noemde het gordijn niet om haar te testen. Sofie kwam er zelf op terug toen ze vroeg welke foto's in het rapport zaten.
‘U had gevraagd of de spullen aan de rand uit het beeld moesten. Ik zei dat het voor de schade was. Niet voor een folder met een leeg huis.’
De stem, hun eerdere gesprek en de manier waarop zij over het bezoek sprak, pasten bij de vrouw die Lena ontmoet had. Het bemiddelde contact gaf een controle die een onbekend nummer alleen niet had gegeven. Ze hoefde haar niet met een reeks huisdetails te laten bewijzen dat ze haar eigen leven had gehad.
‘Er zijn foto's anders uitgesneden. En tekst is vervangen. Ik heb daarover geschreven aan de opdrachtgever en de stukken aan de politie gegeven. Mijn naam staat onder de versie die niet klopt. Ik had die moeten nakijken.’
‘Dat verandert mijn deur niet.’
‘Nee.’
Sofie bleef een paar seconden stil. Lena liet haar eigen uitleg liggen. Als zij vertelde hoe Jips ongeluk tussen de mail en de export was gekomen, moest Sofie iets wegen dat niet van haar was.
‘Hebt u mijn sleutel meegenomen?’
‘Nee. Hij lag in de keukenla. Ik heb hem laten liggen.’
‘Daar moest hij ook blijven. Als mijn broer hem kwam halen, kon hij tenminste niet zeggen dat hij er niet in kon.’
Lena vroeg niet waarom Ruben binnen moest. Sofie ging zelf verder.
‘Ik was niet vertrokken zoals ze wilden. Er was geen ander huis voor me. Er waren voorstellen, bedragen, een formulier dat alvast klaar moest zijn. Als ik vroeg waar ik dan heen ging, ging het gesprek weer over geld.’
‘Heb je iets getekend?’
‘Ik wil dat eerst met Mieke bekijken. Er liggen papieren waar ik niet meer naar kan kijken zonder boos te worden. Ik heb sommige alleen ontvangen, andere teruggestuurd met opmerkingen. Ik wil niet zeggen dat ik nergens iets op heb gezet als ik dan een blad vergeet.’
‘Dat is goed. Zij kan ze met je doornemen.’
Sofie vertelde over de stroom. De koelkast werd warm en de klok in de keuken bleef staan. Er was gezegd dat dat met renovatie te maken had. Ze had eten naar iemand anders gebracht, haar telefoon buitenshuis opgeladen en gedaan of het een tijdelijke ergernis was.
‘Dat was elf mei,’ zei ze. ‘Ik weet het omdat ik die dag vroeg werkte. Ik heb een bericht over de afsluiting. Ik hoef het niet aan die klok te vragen.’
Lena schreef alleen elf mei op een schoon blad. Niet het tijdstip waarop de keukenklok was blijven staan. Ze vertelde Sofie dat zij die berichten kon bewaren en rechtstreeks met Mieke of Anouk kon bespreken. Zij zou ze niet namens haar aan Noordhuis sturen.
‘Dus niet nog een afspraak waarbij hij erbij moet zitten?’
‘Wie bedoel je?’
‘Niels.’
Sofie zei zijn naam zonder aarzeling en werd daarna zachter. Hij had nog sleutels, zei ze. Hij wist hoe haar diensten lagen. Als zij ergens anders sliep, deed hij of dat bewees dat de woning leeg was. Als zij er bleef, noemde hij haar aanwezigheid een belemmering voor werk dat al was ingepland.
‘Hij kon op een dinsdag heel vriendelijk bellen. Dan moest ik hem helpen omdat anders ook mijn broer problemen zou krijgen. Woensdag zei hij dat het allemaal mijn eigen keuze was.’
‘Heeft hij je bedreigd?’
‘Ja. Ik heb de berichten nog. Niet alles was een bericht.’
Lena pakte haar pen en legde hem onmiddellijk weer neer. Ze wilde Sofie niet door de momenten heen loodsen om zelf iets compleet te krijgen. Ze zei dat Anouk haar apart wilde spreken en dat zij zelf mocht bepalen of Mieke daarbij hielp het contact te leggen.
‘Ik kan toch niet bewijzen hoe iemand kijkt,’ zei Sofie.
‘Je kunt vertellen wat hij zei en deed. Wat jij zelf hebt gezien. De berichten erbij houden. Je hoeft het hele onderzoek niet alvast op te lossen.’
‘Dat zeggen jullie makkelijk.’
‘Ik weet niet hoe het voor jou was.’
Sofie schoof kennelijk van haar stoel; Lena hoorde een lange schurende beweging. Er volgde een stilte waarin zij de telefoon even van haar oor haalde om te zien of het gesprek nog liep. Ze voelde zich ongemakkelijk omdat ze niet kon onderscheiden of Sofie nadacht of weg was.
‘Henk is dood,’ zei Sofie.
‘Ik heb het gehoord.’
‘Wat hebben ze u verteld?’
‘Dat hij gevonden is bij de achtertrap. Dat een val mogelijk leek. Ik heb Anouk verteld wat ik weet van zijn hulp aan bewoners. Ik was er niet bij.’
Sofie reageerde niet meteen. Achter haar klonk opnieuw iets in de keuken. Lena hoorde een tweede stem, te ver weg om de woorden te verstaan.
‘Ik wil dit niet nu aan iedereen vertellen,’ zei Sofie. ‘Als ik het eenmaal begin, maken mensen er hun eigen volgorde van. Ruben deed dat al met iets gewoons. Met mijn verhuizing.’
‘Je hoeft het nu niet aan mij te vertellen.’
‘Ik ben weggegaan die avond. Donderdag. Veertien mei. Ik kon daar niet blijven.’
Lena zette haar voet plat op de vloer. Ze keek naar de datum op haar notitie en hoorde hoeveel zij tussen die twee regels wilde schrijven.
‘Ik ben bij een vriendin. Buiten Rietdam. Zij kent me al langer. Ze helpt me uitzoeken met wie ik kan praten.’
‘Dat is goed om te horen.’
‘Ze vindt dat ik niet zo kan blijven zitten.’
‘Wil jij dat zelf ook?’
Sofie lachte één keer, kort en zonder plezier. ‘Ik wil naar mijn werk zonder dat iemand mijn rooster voor een afspraak met hem gebruikt. Ik wil een deur die ik dicht kan doen. Ik wil niet eerst alles vertellen voordat ik de vraag mag stellen of ik ergens kan wonen.’
Lena had geen passend antwoord klaar. Ze voelde hoe dichtbij het gebruikelijke aanbod lag: ik zal voor je kijken. Haar ervaring met woningen gaf haar geen recht om nu ook de andere woning van Sofie te kiezen.
‘Mieke kan die vragen met je bespreken. Los van wat je de politie vertelt. Ik kan uitleggen wat er in mijn verslag hoorde te staan en wat ik heb gezien. Verder moet ik niet bepalen wat jij eerst doet.’
‘Hebt u het al aan mijn broer verteld?’
‘Dat jij leeft? Nee. Ik wist het pas toen je belde.’
‘Zeg hem mijn adres niet. Ook als hij zegt dat ik dat goed vind.’
‘Ik weet je adres niet. En ik ga het niet vragen voor hem.’
Sofie zei dat ze hem zelf zou laten weten dat zij veilig was. Niet onmiddellijk tijdens dit gesprek. Ze wilde eerst praten met iemand die geen belang had bij hoe haar verklaring klonk. De vriendin had dat ook gezegd: je broer is je broer, maar daarom is hij nog niet de beste persoon om dit met je te regelen.
Lena gaf Anouks naam. Mieke had het nummer al; Sofie hoefde het niet via een bericht van Lena op te slaan als ze dat niet wilde. Ze bespraken wie na dit gesprek contact mocht opnemen. Sofie gaf toestemming aan Mieke te vertellen dat ze gesproken hadden en aan Anouk dat zij bereid was een zelfstandig contact te overwegen. Geen adres, geen werkgever bellen, geen familie namens haar informeren.
‘En die man van de krant?’ vroeg Sofie.
‘Die heeft mijn stukken gecontroleerd. Hij weet niet waar je bent. Ik laat je contact niet aan hem over zonder jouw toestemming.’
‘Voorlopig niet.’
‘Dan blijft dat zo.’
Het gesprek werd rustiger toen de afspraken afgebakend waren. Sofie vroeg wat Lena nog in het huis had gezien. Zij vertelde geen inventarislijst, maar dat de plek waar zij de schade had bekeken herkenbaar was en dat zij was gestopt toen de beweerde leegstand niet klopte. Sofie wilde weten of een raam openstond. Lena herinnerde zich dat niet met zekerheid en zei het.
‘Ik moet er later nog in voor mijn spullen,’ zei Sofie. ‘Niet alleen.’
‘Bespreek dat met Mieke. Zorg dat de toestemming en toegang goed geregeld worden. Ik ga niet alvast voor je naar binnen.’
Sofie bedankte haar niet voor de verdwenen mogelijkheid. Ze zei alleen goed. Lena merkte hoeveel rust dat woord kon hebben wanneer niemand het namens een ander gebruikte.
Toen ze ophingen, bleef de pen op dezelfde plek liggen. Ze wilde het hele gesprek onmiddellijk opschrijven, maar maakte eerst een korte zakelijke notitie van de toestemming en de contactafspraken. Daarnaast schreef ze dat Sofie zelf had gezegd op veertien mei te zijn weggegaan, uit angst, en bedreigende berichten te bewaren. Over Henk noteerde ze alleen dat Sofie niet telefonisch over de gebeurtenissen wilde spreken. Zij had geen beschrijving van een val, ruzie of duw gehoord.
Mieke nam op toen ze belde. Lena hield zich aan wat ze mocht doorgeven. Ze hoorde de opluchting aan de andere kant en daarna meteen de vraag of Sofie zelf mocht bepalen hoe de volgende stap ging.
‘Dat hebben we besproken. Zij wil eerst met jou.’
‘Dan bel ik haar. Jij hoeft geen afspraak voor ons te maken.’
Lena stuurde Anouk de beperkte update. Haar eigen aantekening bewaarde ze met de datum en tijd van het gesprek. Het telefoontje had meer veranderd dan de twee documenten die die ochtend naast elkaar hadden gestaan. Er was iemand die kon vertellen wat een formulier aanrichtte, maar het was nog steeds haar keuze aan wie.
Ze belde Jip. Die nam op met de achtergrond van een schoolgang en zei dat ze over een minuut buiten was. Lena wachtte, hoorde een zware deur sluiten en vertelde toen dat de vrouw contact had opgenomen.
‘Sofie. Ze is veilig op de plek waar ze nu verblijft. Ik weet niet alles, maar dit weet ik wel.’
Jip vroeg niet naar de plek. Ze zei dat ze blij was en daarna dat haar bus kwam. Lena liet haar gaan. Ze stond nog in haar werkruimte, tussen de lege vakken in haar planning en de map die niet opgelost was. De telefoon legde ze terug op tafel. Ze hoefde hem deze keer niet vast te houden totdat er weer een geluid kwam.