Hoofdstuk 11 · 10 minuten lezen
Rubens rekening
Het café bij het bedrijventerrein had een lunchkaart met nog één handgeschreven prijs. De rest zat onder nieuw geprinte strookjes. Lena koos een tafel waar ze de voordeur kon zien en zette haar map op de stoel naast zich. Achter de bar spoelde een vrouw glazen. Een man in een felgroene werkbroek at soep met zijn telefoon op het broodmandje.
Ruben van Dijk was te vroeg. Hij bleef in de deuropening staan toen hij Lena zag. Ze herkende iets van Sofies ogen, maar dat was een overeenkomst die ze misschien zou hebben gezocht bij iedere man die zich als haar broer voorstelde. Hij droeg een werkjas zonder bedrijfsnaam en had een schaafplek aan één knokkel.
‘U bent die inspecteur.’
Lena stond op. Hij ging al zitten voordat ze haar hand kon uitsteken.
‘Wouters,’ zei ze. ‘Lena.’
‘Ik heb niet lang. Mieke zei dat u vragen over de woning heeft.’
‘En dat u iets over Sofie kon vertellen.’
Hij legde zijn autosleutel op tafel en schoof hem met zijn duim heen en weer. Aan de ring zat een plastic winkelwagenmuntje. Lena keek kort naar de schaafplek en vervolgens naar zijn gezicht. Ze kon niet van ieder krasje een gebeurtenis maken.
De vrouw achter de bar kwam hun bestelling opnemen. Ruben wilde koffie en vroeg of hij kon betalen voor hij vertrok. Lena nam thee. Hij keek naar haar alsof ze opzettelijk iets had gekozen dat veel tijd kostte.
‘Wanneer heeft u haar voor het laatst gesproken?’
‘Ze heeft een hekel aan dat soort vragen.’
‘Dat kan. Wanneer was het?’
Ruben streek over de tafel, waar een opgedroogde koffiekring zat. ‘Vorige week. Woensdag. Toen was alles nog normaal.’
‘Normaal op welke manier?’
‘Ze moest werken. Ze had geen tijd.’
‘Heeft ze gezegd waar ze was?’
‘Ik vroeg het niet.’
Lena wachtte op zijn koffie voordat ze de volgende vraag stelde. Ruben tilde het kopje op, zette het meteen terug en hield het oor vast.
‘In het dossier staat dat ze op eenendertig maart is vertrokken. Klopt dat volgens u?’
‘Ze was aan het verhuizen.’
‘Naar welk huis?’
‘Dat hoeft ze u niet te vertellen.’
‘Mij niet. Maar ik heb haar op zes mei in de Bremstraat gesproken. In haar keuken. Ze liet me zien waar de vochtplek terugkwam. Dat is de reden dat ik vraag wat die vertrekdatum betekent.’
Hij keek naar de map op de stoel.
‘Heeft u overal foto's van?’
‘Van de schade. Met haar toestemming.’
‘Geen foto's van haar spullen?’
‘Niet om te bewijzen hoeveel ze bezit. Ik had toen geen aanleiding om haar bewoning te onderzoeken.’
‘Dan kunt u ook niet zeggen dat ze daar sliep.’
De stelligheid kwam te snel. Lena zette haar glas neer zonder te drinken.
‘Ze vertelde me over haar diensten. Dat ze na een vroege dienst eerst wilde slapen. Ze vroeg of we de volgende afspraak op dezelfde manier konden maken. Ze had geen verhuisdatum genoemd.’
Ruben draaide het kopje zo dat het logo van haar af stond.
‘Mensen wonen wel eens tijdelijk ergens.’
‘In hun eigen huurhuis?’
‘U weet niet alles.’
Lena trok haar map niet naar zich toe. Ze wilde hem de afdruk met haar eigen verslag laten lezen, maar begreep dat hij waarschijnlijk alleen naar de regels zou zoeken waarmee hij dit gesprek kon beëindigen.
‘Dat weet ik. Ik weet ook niet hoe het nu met haar gaat. Daar maak ik me zorgen over.’
Hij gaf een klein, boos lachje. ‘Iedereen opeens. Waar waren al die mensen toen ze om de haverklap belde over die lekkage?’
‘Ik ben gekomen toen ik die opdracht kreeg. Ik had daarna beter moeten controleren wat er met mijn verslag gebeurde.’
Hij verwachtte kennelijk een verweer. Zijn mond bleef een ogenblik open. In de hoek tikte de man in de werkbroek met zijn telefoon tegen de rand van het broodmandje.
‘Ze zegt altijd dat niemand luistert,’ zei Ruben. ‘En als je iets voor haar probeert te regelen, bemoei je je ermee.’
‘Wat heeft u geregeld?’
‘Hulp bij haar verhuizing.’
‘Heeft ze daarom gevraagd?’
Hij dronk nu wel. De koffie was nog heet; hij trok lucht naar binnen langs zijn onderlip. ‘Het werd aangeboden. Er kwam geld vrij om die mensen te helpen. Niet iedereen heeft een bus of iemand die dozen tilt.’
‘Door Noordhuis?’
Ruben keek op. ‘Wat zei Mieke daarover?’
‘We spreken over uw zus. Ik vraag u wie die hulp aanbood.’
‘Ja. Noordhuis. Ik deed tijdelijk werk voor ze. Ik heb toch gezegd dat ik moest werken?’
Lena hoorde buiten het brommen van een motor die niet aansloeg. Ruben draaide zijn hoofd naar het raam. Er stond een bestelwagen tussen twee personenauto's geparkeerd, maar ze wist niet of hij van hem was.
‘Wat voor tijdelijk werk?’
‘Verhuizingen begeleiden. Afspraken maken, vervoer regelen. Zorgen dat er iemand is als een bewoner zelf niet kan. Dat klinkt toch niet erg?’
‘Dat klinkt als werk. Waren die bewoners al akkoord met hun vertrek?’
Hij zette zijn kopje zo hard neer dat er koffie over de schotel liep. ‘Er waren verklaringen. Er waren bedragen afgesproken. Ik ging niet beslissen of ieder formulier wel genoeg vinkjes had.’
De vrouw achter de bar keek even naar hun tafel. Ruben pakte een servet en drukte het in de schotel.
‘Sorry,’ zei hij, zonder duidelijk te maken tegen wie.
‘Wie maakte die verklaringen?’
‘Die zaten bij de opdracht.’
‘Van Noordhuis?’
‘Van verschillende mensen. Ik kreeg een lijst.’
‘Met woningen die leeg moesten?’
‘Met afspraken.’
Lena liet het woord staan. Ze zag Sofie weer bij de achterdeur, haar schouder tussen het kozijn en de koelkast, omdat Lena met de meetlat niet goed bij de aansluiting kon. Sofie had de deur verder opengezet en gevraagd of die vlek ook droog kon lijken terwijl er achter het stucwerk nog vocht zat. Er was niets geweest waaruit bleek dat ze haar huis alleen nog bezocht om het op te ruimen.
‘Is uw zus een van die afspraken geworden?’
Ruben legde de natte prop naast zijn kopje. Zijn vingers waren bruin van koffie.
‘Ik wilde het makkelijk voor haar maken.’
‘U zei zojuist dat ze aan het verhuizen was.’
‘Dat was ook de bedoeling.’
‘Haar bedoeling?’
Hij schoof zijn stoel naar achteren. De poten schuurden over de vloer. Lena dacht dat hij weg zou gaan, maar hij boog zich alleen om zijn telefoon uit zijn jas te halen.
‘Ik weet niet waar ze is,’ zei hij. ‘Daar hoeft u niet omheen te blijven praten. Als ik het wist, had ik haar zelf wel gesproken.’
‘Heeft u geprobeerd haar te bereiken?’
‘Natuurlijk.’
Hij ontgrendelde zijn telefoon en scrolde. Daarna legde hij hem weer met het scherm naar beneden. Hij liet haar niets zien en ze vroeg niet om het om te draaien.
‘Ze heeft vorige week gezegd dat ik haar met rust moest laten. Dat doe ik nou dus niet, maar ze neemt niet op. Als ik bel, krijg ik niets. Soms gaat hij over. Wat zegt dat?’
‘Daar kan ik niets uit afleiden.’
‘U denkt dat er iets met haar gebeurd is.’
‘Ik hoop dat ze veilig is en zelf kan laten weten wat ze wil. Ik heb vanmorgen met de politie gesproken.’
Zijn hand sloot zich om de telefoon. ‘Over Sofie?’
‘Over mijn rapport. Haar bewoning. Dat niemand met wie ik sprak recent van haar had gehoord. Ik heb geen verhaal over haar ingevuld.’
‘Mijn naam genoemd?’
‘Ik heb gezegd dat ik u nog niet kende.’
Hij keek naar de deur. De soepeter was vertrokken en had zijn stoel scheef laten staan. Ruben stond op, liep naar de bar en betaalde zijn koffie. Hij nam zijn sleutel niet mee. Lena bleef zitten. Nadat hij had afgerekend, keerde hij terug en schoof de munt onder zijn kopje vandaan.
‘Wie heeft u gesproken?’
Ze gaf hem Anouks naam en het algemene contact dat zij mocht delen. Ze zei dat hij rechtstreeks kon vertellen wat hij wist. Hij stopte haar notitie in het borstzakje van zijn werkjas, dat half loshing.
‘Als ze mij iets laat weten, ga ik haar niet meteen aan iedereen doorgeven.’
‘Dat vraag ik niet. Haar adres behoort haar toe. Als u haar bereikt, vertel haar dat ze met Mieke of met Anouk kan spreken. Zonder via mij te hoeven.’
Hij bleef naast de stoel staan. ‘U zegt het allemaal heel netjes. Maar u kunt ook gewoon ophouden. U hoeft daar niet meer te werken.’
‘Mijn naam staat onder iets dat ik niet heb geschreven.’
‘Dan haalt u uw naam eraf.’
‘En blijft de rest staan?’
Ruben keek naar de plek waar zijn kopje had gestaan. ‘Ik heb niet bedacht hoe het moest.’
Hij liep weg voordat ze antwoordde. Buiten ging inderdaad de schuifdeur van de bestelwagen open. Er stond een lege steekwagen in en een opgevouwen verhuisdeken. Hij keek niet meer naar het raam toen hij wegreed.
Lena bleef zitten totdat haar thee lauw was. Ze had tijdens het gesprek niets opgeschreven. In haar tas zat een pen, maar ze wilde niet dat het gesprek veranderde in een verhoor dat zij niet hoorde te voeren. Nu haalde ze het kleine notitieblok tevoorschijn dat ze voor maten gebruikte. Ze zette de tijd bovenaan en noteerde wat Ruben over zijn werk had verteld. Naast zijn woorden over Sofies vertrek schreef ze: aanvankelijk vertrek gesuggereerd; later bedoeling genoemd. Ze had geen verklaring van hem gekregen en zou die ook niet kunnen maken.
Op de terugweg stopte ze bij de loods. Het was stiller dan op andere vrijdagen. Iemand had het rolhek achter het gebouw dichtgetrokken; in de gedeelde hal lagen twee pallets met tegels waarop natte schoenafdrukken stonden. In haar werkruimte brandde het lampje op de oplader, groen en nutteloos. Ze had de accu van haar vochtmeter thuis laten liggen.
Ze belde Mieke. Die nam niet meteen op en belde vijf minuten later terug, buiten adem.
‘Ik loop met een bewoner naar de bushalte. Wat heeft hij gezegd?’
Lena vertelde het gesprek in de volgorde waarin het was verlopen. Bij het vertrek op eenendertig maart onderbrak Mieke haar.
‘Heeft hij dat bevestigd?’
‘Nee. Hij zei eerst dat ze aan het verhuizen was. Later dat het de bedoeling was.’
‘Laat dat verschil staan. Hij wil zijn zus beschermen en mogelijk ook zichzelf. Wij weten niet waartussen hij kiest.’
‘Hij werkte voor Noordhuis. Met verklaringen en afspraken.’
‘Vraag hem niet om haar spullen. Als hij eigen stukken wil laten beoordelen, kan hij ze meenemen. Dat aanbod heeft hij al.’
Lena liep naar het raam. Onder de buitenkraan druppelde water op de hoek van een krat.
‘Mag ik hem zeggen dat ik denk dat er iets mis is gegaan?’
‘Dat weet hij. Jij hoeft zijn onrust niet groter te maken om een antwoord te krijgen.’
Ze spraken af dat Mieke opnieuw een veilig contactverzoek aan Sofie zou doorgeven als ze daartoe een gelegenheid kreeg. Lena gaf Ruben niet aan Amir door. Ze stuurde Anouk een korte aanvulling: gesproken met broer, geen verblijfplaats bekend, eigen tijdelijk werk voor Noordhuis genoemd. De aantekening uit haar matenboek bleef van haar. Als Anouk die wilde zien, zou ze uitleggen wanneer en hoe ze hem had gemaakt.
Thuis stond Jip bij het aanrecht een broodje open te snijden. De lege verpakking lag naast haar; ze zocht de clip om de rest weer op te bergen. Lena zette haar tas neer en keek naar de knie waarmee Jip een lade half dicht hield.
‘Zal ik dat doen?’
‘Nee. Kun je zeggen waar het kleine mes is?’
Lena trok de lade naast de oven open. Daar lag het mes tussen een dunschiller en de kaasschaaf. Ze gaf het aan en zette daarna water op. Jip vroeg niet naar de map. Lena wilde iets vertellen over Ruben, over het moment waarop hij het woord bedoeling had gebruikt, maar wist niet waarvoor ze het haar dochter zou laten dragen.
‘Ik heb vanmiddag iemand gesproken die haar ook probeert te bereiken,’ zei ze.
Jip zette het mes neer. ‘De vrouw van het huis?’
‘Ja. Als ik weet hoe het met haar gaat, vertel ik het.’
‘En tot die tijd?’
Lena draaide de waterkoker aan. ‘Tot die tijd eet ik met jou. Als jij nog wilt eten met mij.’
Jip schoof de tweede helft van het broodje naar haar toe. Op het snijvlak zat een strookje plastic van de verpakking. Lena haalde het weg en legde het bij de clip die achter de broodtrommel bleek te liggen.