Hoofdstuk 10 · 10 minuten lezen
Een val is nog geen verklaring
De fiets van een agent stond tegen het raam van de spreekkamer. Op het zadel zat een dunne laag stuifmeel. Lena had bij binnenkomst haar eigen fiets in het rek gezet, maar zag nu pas dat er aan de andere kant van het gebouw ook een ingang was. Ze was omgelopen langs twee glazen deuren en een bord waarop bezoekers werden verwezen naar een bel. Anouk van Dalen had haar opgehaald voordat ze wist of de bel werkte.
‘Wilt u koffie?’
Lena schudde haar hoofd. Ze had in de loods al twee bekers gedronken. Haar tas bleef op schoot; aan de riem zat een rafel die ze steeds tussen duim en wijsvinger nam.
Anouk schoof een glas water naar haar toe. In de hoek stond een computer, maar op tafel lag alleen een schrift. Ze had de melding gelezen, zei ze. Ze wilde eerst van Lena zelf horen wat haar reden was om contact op te nemen.
‘Ik ben op zes mei in dat huis geweest. Sofie van Dijk woonde er toen. In het rapport dat nu rondgaat, staat dat het sinds eind maart leeg is.’
‘En u heeft dat rapport gemaakt?’
‘Het oorspronkelijke verslag. Dit niet.’
Anouk wachtte. Lena hoorde hoe stellig het klonk en zette haar tas op de grond.
‘Ik heb mijn tekst naar een collega gestuurd. Zij bundelde de dossiers voor die opdracht. Dat doet ze vaker. Toen mijn dochter een ongeluk kreeg, heb ik niet gekeken naar wat er uiteindelijk in het portaal stond.’
‘Wanneer was het ongeluk?’
‘Zeven mei. De avond. De mail was van de ochtend.’
‘Heeft u nog toegang tot die mail?’
‘Ja. Tot het bericht en de bijlage. En tot mijn foto's.’
Ze had een map meegenomen met afdrukken. Thuis had ze overwogen alles op volgorde in plastic hoesjes te stoppen. Uiteindelijk had ze alleen datum en bestandsnaam bovenaan de uitdraaien gezet. Anouk nam de papieren aan en legde ze met de tekst naar boven neer, zonder onmiddellijk te lezen.
‘Papier helpt om samen te kijken. We hebben ook de oorspronkelijke bestanden nodig. Niet alleen een doorgestuurde versie.’
Lena haalde haar telefoon uit haar tas en legde hem naast het glas. ‘Ik kan het hier laten zien.’
‘Dat mag. Ik ga niet in uw telefoon zoeken. U laat zien wat u bedoelt. Daarna spreken we af hoe u de stukken aanlevert.’
Ze opende haar verzonden berichten. Het scherm ging steeds donker wanneer ze uitlegde wat er in de bijlage stond. De derde keer veranderde ze de schermtijd niet, hoewel haar vinger al bij de instellingen was. Anouk boog naar de telefoon, las de datum en keek vervolgens terug naar Lena.
‘Wat was de opdracht op zes mei?’
‘Een lekkage beoordelen. Vocht bij de aansluiting van de achtergevel. Ik moest vaststellen waar nader onderzoek nodig was. Ik heb geen reden gevonden om het hele huis onbewoonbaar te verklaren.’
‘Geen reden gevonden, of vastgesteld dat het veilig was?’
Lena trok haar hand terug. ‘Dat laatste heb ik niet geschreven. Het was een beperkte inspectie. Voor sommige onderdelen is aanvullend onderzoek nodig. Maar de gebreken die in deze export staan, heb ik niet vastgesteld.’
Anouk maakte een aantekening. Ze verbeterde Lena niet verder. De nauwkeurigheid gaf haar enige ruimte; ze hoefde hier geen zekerheid te leveren die ze niet had.
Op het tweede blad wees ze het aantal sleutelsets aan. Ze vertelde over twee sets, over de zeven in de latere versie en over de reservesleutel die nog in de keukenla had gelegen. Bij het blauwe lusje stopte Anouk haar.
‘Dat heeft u op beide bezoeken gezien?’
‘Op zes mei liet Sofie me haar reservesleutel in de keukenla zien. Daarna legde ze hem terug. Op achttien mei lag hij er nog.’
‘Heeft u die sleutel meegenomen?’
‘Nee.’
‘Wie heeft u toestemming gegeven voor het tweede bezoek?’
Lena vertelde over Pieter Drost, het verzoek om controle en de toegang die bij de opdracht hoorde. Ze legde uit op welk moment ze was gestopt. Toen ze begreep dat het huis mogelijk helemaal niet verlaten was, had ze geen andere kamers meer onderzocht.
‘Maar u bent al wel binnen geweest.’
‘Ja.’
Ze wilde zeggen dat iedere inspecteur dat zou hebben gedaan. Het was niet waar, en het hielp ook niet. Ze had een opdracht vertrouwd omdat de namen op het scherm haar bekend waren. Anouk zette een streep onder een woord in haar schrift.
‘Er is een verschil tussen uw toestemming en wat u ter plaatse aantreft. Het is goed dat u beschrijft waar dat verschil zichtbaar werd.’
‘Gaat dit dan over mijn toegang?’
‘Het gaat over wat er gebeurd is. Daar hoort uw handelen bij.’
De fiets buiten zakte langzaam van zijn standaard en bleef tegen het raam rusten. Lena keek ernaar totdat Anouk haar naam zei.
‘Ik wil nu de volgorde. Vanaf zes mei. Wat weet u zelf, en wat heeft iemand u verteld?’
Ze begonnen opnieuw. Het bezoek op woensdag, de mail op donderdag, de nieuwe export op vrijdag. Anouk vroeg naar degene die de tekst had ontvangen en naar de versiecode die Lena in het portaal had gezien. Ze vroeg niet om Lena's verklaring van die code. Toen Lena zei dat het tijdstip Eva's ingreep kon bewijzen, legde Anouk haar pen neer.
‘Het kan laten zien dat er een andere versie is opgeslagen. We moeten nog vaststellen door wie, en wat er met die bestanden is gebeurd.’
‘Eva had toegang.’
‘Dat zegt u. U heeft haar ook gesproken?’
‘Ze zegt dat ze niets inhoudelijks heeft veranderd.’
‘Dan schrijft u dat erbij. Liefst de datum van het gesprek. Geen reconstructie in haar woorden maken als u niet meer precies weet wat zij zei.’
Lena dacht aan alle zinnen die ze de afgelopen dagen in haar hoofd had herhaald. Bij iedere herhaling was Eva's toon veranderd. Een tegenvraag was een waarschuwing geworden. Ze kon de woorden misschien nog terughalen, maar het moment eromheen niet netjes bewaren.
Ze draaide het glas een halve slag. Het liet een vochtige cirkel op tafel achter.
‘Ik denk dat Sofie onder druk is weggegaan. Er zijn meer bewoners bij wie wordt gedaan of vertrek al geregeld is. Mieke Kraan heeft stukken gezien.’
‘Heeft mevrouw Kraan toestemming om die te delen?’
‘Van een deel. Ze verzamelt per bewoner toestemming.’
‘Dat is belangrijk. Uw eigen waarneming van zes mei staat los van wat anderen over hun huis verklaren. We gaan die niet tot één verhaal samenvoegen voordat we ieder hebben gehoord.’
Anouk pakte een nieuwe bladzijde. Ze liet het schrift even open liggen terwijl ze vroeg wanneer Lena voor het eerst had gehoord dat Henk Roos overleden was.
‘Deze week. Bij Cor Meijer, de slotenmaker. Daarna heb ik Ria gesproken.’
‘U kende meneer Roos?’
‘Nee. Cor heeft me over hem verteld. Ik herkende zijn achternaam, maar ik kon er geen gezicht bij plaatsen.’
‘Wat maakt dat u zijn overlijden met deze stukken verbindt?’
Lena wees niet naar de afdrukken. Daar stond niets over Henk in. Ze vertelde dat hij Sofie hielp met brieven, dat hij nog op veertien mei met haar bezig was geweest en dat hij bij de achtertrap was gevonden. Halverwege hoorde ze zichzelf een mogelijkheid in de verleden tijd uitspreken: hij had iemand aangesproken op de sleutels.
‘Dat weet ik niet,’ zei ze. ‘Dat laatste is mijn gedachte.’
Anouk knikte en schreef niet verder.
‘Een oudere man valt van een trap en dan is het makkelijk om het daarbij te laten,’ zei Lena.
‘Voor wie is dat makkelijk?’
‘Voor de mensen die die huizen leeg willen hebben.’
‘Ik bedoel: voor wie weet u dat?’
Lena zat stil. Ze had niet verwacht dat deze vrouw ongeïnteresseerd zou zijn. Toch had ze zich voorbereid op een deur die dichtging, op een gesprek dat ze met de goede nadruk open moest houden. Nu moest ze telkens ruimte vrijlaten voor wat ze niet wist.
‘Voor niemand,’ zei ze.
‘Een val kan een ongeval zijn. Het woord val beschrijft ook niet vanzelf hoe iemand daar terechtkomt. Ik kan hier niet alle gegevens over meneer Roos met u bespreken. Uw informatie wordt bekeken naast wat er al is. Dat er aanvankelijk een ongeluk mogelijk lijkt, betekent niet dat nieuwe informatie wordt weggegooid.’
‘En Sofie?’
‘We willen dat zij kan laten weten hoe het met haar gaat. Heeft iemand rechtstreeks contact met haar gehad sinds veertien mei?’
‘Niet iemand met wie ik heb gesproken.’
Anouk vroeg naar familie en werk. Lena kende de broodfabriek alleen uit haar gesprek tijdens de inspectie. Ze wist dat Sofie vroege diensten had en soms moeite had een afspraak midden op de dag te maken. Haar broer kende ze niet. Ze had via Mieke om contact gevraagd; die wilde hem eerst zelf bereiken.
‘Ga niet naar haar werkgever om daar haar rooster op te vragen,’ zei Anouk. ‘Dat levert u geen recht op die gegevens op. Als zij contact zoekt en haar verblijfplaats niet wil delen, hoeft ze die niet aan u te geven. Ze kan met ons spreken of via haar eigen adviseur contact laten leggen.’
‘Als ze bang is voor iemand die sleutels heeft?’
‘Dan willen we weten waarvoor ze bang is. Van haar. Waar mogelijk kan ze de berichten bewaren. U hoeft haar verklaring niet voor te bereiden.’
Het woord voorbereiden prikte. Dat was wat Lena al haar hele werk deed: een bezoek bruikbaar maken, zorgen dat er geen vraag overbleef die later nog een dag zou kosten. Ze pakte haar telefoon op en sloot de mail.
‘Ik heb het dossier gisterenavond schriftelijk gecorrigeerd. Vanmorgen kreeg ik de reactie. Noordhuis wil me van die opdracht halen.’
Anouk vroeg of daar een dreigement bij zat.
‘Het is een zakelijke reactie. Betaling afhankelijk van een afgerond dossier. Ze zeggen dat ik verwarring veroorzaak.’
‘Bewaar ook die reactie. Ik kan uw contract niet beoordelen. Mocht iemand u bedreigen of opzoeken, meld het. U hoeft niet eerst te beslissen of het ernstig genoeg is.’
Ze bespraken de aanlevering. Lena kreeg een adres voor de stukken die zij zelf mocht verstrekken en een referentienummer voor verder contact. Anouk liet haar op een blad zetten welke bestanden origineel waren en welke zij uit het portaal had gedownload. De afdrukken bleven voorlopig bij haar; er werden geen papieren meegenomen zonder afspraak. Dat voelde minder indrukwekkend dan een verzegelde doos en was waarschijnlijk nuttiger.
Bij de deur vroeg Lena of ze Niels nog mocht benaderen. Anouk antwoordde dat ze haar niet kon verbieden iemand een gewone zakelijke vraag te stellen.
‘Maar wat verwacht u dat een nieuw gesprek oplevert?’
Lena keek naar haar map. De vragen die ze hem wilde stellen waren dezelfde als gisteren, alleen met minder geduld.
‘Dat hij ophoudt mijn tekst te gebruiken.’
‘Die correctie heeft u verstuurd. Zorg dat u nu kunt laten zien wat u weet. Ga geen situaties maken om hem op een antwoord te betrappen.’
Buiten had iemand de fiets rechtgezet. Lena liep om het gebouw terug naar haar eigen rek. Haar telefoon meldde een gemiste oproep van Mieke. Ze luisterde het bericht af met één hand op haar stuur.
Mieke had Ruben van Dijk bereikt. Hij wilde Lena spreken over het huis van zijn zus. Zijn zakelijke nummer mocht ze doorgeven. Hij kon die middag een halfuur vrijmaken, maar niet in Miekes kantoor.
Lena zette de afspraak niet meteen in haar agenda. Ze stuurde eerst de bestanden aan Anouk volgens de zojuist gemaakte afspraak. In het veld voor toelichting schreef ze kort welke tekst zij zelf had opgesteld. De zin over wat Henk mogelijk had geweten haalde ze weg. Die behoorde voorlopig nergens tot de feiten.
Daarna belde ze Ruben. Hij nam op terwijl ergens dicht bij de telefoon een bestelwagen achteruitreed. De piep herhaalde zich vier keer.
‘Ik kan om drie uur,’ zei hij. ‘Maar ik ga niet zitten luisteren naar alles wat iedereen over mijn zus zegt.’
‘Ik wil horen wat u zelf weet.’
Hij noemde een café bij het bedrijventerrein. Lena schreef de naam op de achterkant van haar eigen ontvangstbrief. Toen ze haar fiets uit het rek trok, zat het achterwiel vast in de lage beugel. Ze moest hem opnieuw optillen, met beide handen, voordat hij meeging.