Hoofdstuk 27 · 11 minuten lezen
Wat Sofie zag
Het kantoor was warmer dan Lena zich van gisteren herinnerde. Mieke had de lamp boven de ronde tafel aangedaan en de mappen van haar bureau gehaald. Op de vensterbank lag een pak koekjes waarvan de verpakking niet openging. Ze gaf het aan Lena, die de rand zo voorzichtig scheurde dat er uiteindelijk één koekje brak.
‘Laat maar zitten,’ zei Mieke. ‘Het is geen ontvangst in een hotel.’
Lena legde het pakje op een bord. Ze had haar tas in de gang gezet en alleen haar telefoon bij zich gehouden. Anouk wist dat ze hier was. De overdracht van Henks boekje en Cors oorspronkelijke bonnen was bevestigd. Zij hoefde die avond geen bewijsstukken aan iemand uit te delen.
Er werd gebeld. Mieke ging naar de deur. Lena hoorde eerst het draaien van het slot en daarna een vrouw die vroeg of ze haar jas hier kon hangen.
Sofie stond in de gang met dezelfde smalle schouders die Lena op zes mei had gezien, maar een andere houding. Ze hield haar kin een beetje naar voren en haar handen in haar jaszakken. Naast haar stond Yara. Ze had een lichte rugzak bij zich, keek even naar de uitgangen en liet toen haar jas van haar schouders glijden.
‘Hallo,’ zei Lena.
Sofie knikte. Ze keek naar Lena’s knie en keek weer omhoog. ‘Het lopen gaat?’
‘Ja.’
Ze gaven elkaar geen hand. Lena wist niet of ze er een had moeten uitsteken. Mieke nam hun jassen aan en vroeg waar Sofie wilde zitten. Zij koos de stoel naast het raam, met zicht op de deur. Yara ging ernaast zitten en schoof haar rugzak onder haar eigen stoel.
‘Anouk spreekt je zo zoals jullie hebben afgesproken,’ zei Mieke. ‘Ze is in het gebouw. Je kunt eerst het gesprek met haar doen als je liever hebt dat Lena wacht.’
‘Ik wil Lena eerst spreken.’
‘Goed. En als je wilt stoppen, doen we dat.’
Sofie pakte haar telefoon uit haar zak en legde die met het scherm naar beneden op tafel. Er zat een klein barstje in de hoek van het hoesje. Lena keek ernaar en daarna naar haar gezicht.
‘Ik heb het echte verslag meegenomen in de overdracht,’ zei Lena. ‘Niet hier om het je te laten beoordelen. De mensen die het onderzoeken hebben wat ik schreef en verstuurde. RietWonen heeft mijn correctie ontvangen. Ze laten de dossiers onafhankelijk nakijken.’
‘Zijn ze gestopt met zeggen dat ik er niet woonde?’
‘Ik weet niet wat er in ieder systeem al is veranderd. Ik heb gevraagd dat je contact hierover via een onafhankelijke route krijgt. Mieke helpt je daarmee.’
‘Dus je weet het niet.’
‘Nee.’
Sofie pakte haar glas. Ze dronk niet. ‘Op zes mei zei je dat de vochtplek gerepareerd kon worden.’
‘Dat was mijn conclusie.’
‘Daarom snapte ik het daarna niet. Ik dacht eerst dat jij iets extra’s had gezien waar je niets over zei. Dat gebeurt. Mensen kijken, gaan weg en dan krijg je een brief.’
Lena had gedacht dat de uitleg over Eva eerst zou moeten komen. Nu hoorde ze hoeveel tijd Sofie had gehad om van haar bezoek een andere herinnering te maken.
‘Ik heb die andere tekst niet geschreven. Ik heb wel nagelaten te controleren wat er uiteindelijk met mijn naam werd verspreid. Daardoor stond er iets waarvan jij mocht aannemen dat het van mij kwam.’
Sofie keek naar Yara. Die liet haar uitspreken.
‘Ik dacht dat ik het zelf niet begreep. Ruben zei dat ik niet iedere keer dezelfde vragen moest stellen. Niels zei dat het technische deel bij jou lag. Toen de stroom uitging, werd alles zo’n gedoe. Naar mijn werk, mijn telefoon opladen, spullen bij iemand in de koelkast zetten.’
‘Op elf mei,’ zei Lena, en hield op. ‘Vertel maar in jouw volgorde.’
‘Ja. De maandag. Hij zei dat er gewerkt moest worden en dat het niet lang zou duren. Ik kwam thuis en het was nog uit. Dat klokje stond stil. Het brood dat ik voor de volgende dag had gekocht kon ik in het donker zoeken.’
Ze schoof met haar hand het glas over het hout. ‘Henk bracht een zaklamp. Een slechte, met batterijen die het niet lang hielden. Hij werd kwaad op dat ding, ging weer naar huis en kwam terug met een andere. Hij zei dat hij alles dubbel had omdat één altijd verdwenen was.’
Lena glimlachte even. Nora’s potlood lag nog vers in haar gedachten. Ze vertelde er niets over. Deze herinnering moest geen plaats vinden tussen hun gedeelde weetjes over Henk.
‘Hij schreef op met wie ik moest praten. Niet alleen hij. Ria ook. Ik had toen nog geen idee wat ik allemaal zou moeten bewaren.’
‘Wat gebeurde er op veertien mei?’ vroeg Mieke.
Sofie keek naar de deur. ‘Ik heb Anouk al gezegd dat ik er was. Zij zei dat ik precies moet vertellen wat ik zelf heb gezien.’
‘Ja,’ zei Mieke. ‘En hier hoef je niets te vertellen omdat wij het verwachten.’
‘Ik wil dat Lena het weet.’
Lena legde haar handen stil op haar benen. Ze had de afgelopen dagen geprobeerd dezelfde plek uit dossiers, herinneringen en gesprekken te reconstrueren. Nu mocht ze niet kiezen welke vraag bij een ontbrekend stukje paste.
‘Ik was boven,’ zei Sofie. ‘Bij het achterraam. Ik had een raam opengezet omdat het benauwd was. Beneden werd gepraat. Eerst niet hard. Ik zag Henk bij de trap. Niels stond op het pad.’
Ze hield op en keek naar het oppervlak van het water. Yara verschoof haar voet, verder niets.
‘Ik weet niet hoe laat. Het was nog licht. Ik had gegeten, of ik was iets aan het klaarmaken. Dat weet ik niet meer goed. Dat moet ik niet verzinnen. Ik herinner me dat Henk zijn telefoon vasthield. Ik kon niet zien wat erop stond.’
‘Je hoeft ons geen tijd te geven,’ zei Lena.
Sofie knikte. ‘Niels stak zijn hand uit. Hij wilde iets hebben. Ik hoorde hem zeggen: geef die hier. Henk zei nee. Of nee, jij. Het ging snel. Daarna praatten ze harder. Henk draaide een beetje van hem weg met die telefoon.’
Ze deed een kleine beweging met haar eigen hand en legde die meteen weer neer.
‘Niels liep naar hem toe. Ik kende hem, zijn jas, zijn gezicht. Niet alleen iemand die op hem leek. Hij stond schuin onder mijn raam. Henk stond hoger, bij de rand van de trap. Niels pakte eerst naar zijn arm. Ik zag hoe Henk die terugtrok. Toen duwde Niels hem hier.’
Sofie legde haar vlakke hand kort op de voorkant van haar eigen borst.
‘Met zijn handen. Het zag eruit als één duw. Hard. Henk ging achteruit. Hij stond daar verkeerd voor, heel dicht bij de trede. Hij viel.’
Lena dacht aan de woorden ongelukkige val en aan Anouk die had gezegd dat een begin van onderzoek nog geen verklaring was. Het moment had voor Sofie niet het nette formaat van zo’n woord. Een man had zijn handen uitgestoken. Een ander had geen stap meer kunnen zetten waar een vloer was.
‘Ik kon daarna niet alles zien,’ zei Sofie. ‘De stenen vlak onder het raam zie je niet goed als je binnen staat. Ik hoorde wel iets. Een hard geluid. Ik ging achteruit.’
Yara pakte niet haar hand. Sofie kneep haar vingers in elkaar, trok ze los en ging verder.
‘Ik stond naast het raam, tegen de muur. Ik dacht dat Niels omhoog zou kijken. Dat had hij misschien al gedaan. Ik weet niet of hij me zag terwijl ik nog voor het raam stond. Ik durfde niet opnieuw te kijken.’
‘En daarna?’ vroeg Mieke.
‘Ik ging naar beneden. Mijn spullen lagen klaar omdat ik misschien een paar nachten ergens anders zou gaan slapen. Niet zo weg. Gewoon, omdat de stroom het nog steeds niet goed deed en ik niet op nog een bezoek van hem zat te wachten. Ik pakte mijn telefoon en de tas. Ik dacht dat ik terug zou komen zodra hij weg was.’
Lena hoorde hoe ze de gewone plannen in haar eigen verhaal probeerde terug te vinden. Een tas die al klaarstond, een bezoek dat je wilde vermijden, het voornemen terug te komen.
‘Ik ging langs het andere stuk van het pad naar de straat. Ik heb Henk niet benaderd. Ik heb niemand gehaald. Dat heb ik niet gedaan.’
Ze keek Lena nu rechtstreeks aan.
‘Je kunt me zeggen dat ik moest bellen. Dat heb ik zelf vaak genoeg gezegd.’
Lena dacht aan hoe ze bij de brug twee mensen had gehad die bleven staan terwijl zij belde. Ze zei niet dat alles begrijpelijk was. ‘Ik ben blij dat je het nu vertelt.’
‘Daar is hij niet mee geholpen.’
‘Nee.’
Sofie pakte haar glas en dronk twee kleine slokken. Haar hand was rustiger dan haar stem.
‘Niels belde. Ik nam niet op. Toen kwamen berichten. Hij schreef dat ik daar was geweest. Dat ik wist dat er een ongeluk was gebeurd. Hij zei dat ik mijn broer erin zou meenemen als ik dingen anders vertelde. Hij wist welke dienst ik zou werken. Ook de nieuwe tijd. Ik had dat aan Ruben gezegd.’
‘Weet je of Ruben die tijd aan hem heeft gegeven?’ vroeg Mieke.
‘Ik weet het niet. Misschien. Ik zei dat tegen Anouk ook. Ik kan zeggen aan wie ik het vertelde, niet wat er daarna met die informatie is gebeurd.’
Lena bleef naar Sofie kijken. Ze had redenen genoeg om Ruben ervan te verdenken. Sofie ging hem niet om haar eigen antwoord heen gebruiken.
‘Die berichten staan er nog,’ zei ze. Ze tikte met één vinger op de telefoon. ‘Ik heb er geen zinnen van overgetypt. Yara zei dat ik het moest laten zoals het was.’
‘Sommige had ze al aan mij laten zien,’ zei Yara. ‘Toen ze kwam. Ik heb haar niet gezegd wat ze moest verklaren.’
‘Ik kwam bij haar omdat ik nergens anders naartoe wilde,’ zei Sofie. ‘In Duinwaard. Zij had ruimte. Ik durfde niet naar Ruben, want Niels kende hem en ik wist niet meer wat hij doorvertelde. Yara was kwaad op me omdat ik eerst alleen zei dat ik een paar dagen wilde slapen.’
‘Kwaad omdat je dacht dat je me er niet mee mocht belasten,’ zei Yara.
‘Ook kwaad omdat ik niet belde.’
‘Ja.’
Mieke vroeg of Sofie even pauze wilde. Zij zei nee, schoof het glas van zich af en keek naar de deur. Ze vroeg of Anouk kon komen. Zij wilde de berichten laten zien en haar verklaring afleggen.
Mieke ging haar halen. Lena wachtte tot de deur dicht was en zei dat zij voor de formele verklaring ergens anders zou zijn.
‘Ik wil niet dat je mijn woorden aanvult,’ zei Sofie.
‘Dat zal ik niet doen.’
‘Ook niet om me zekerder te laten klinken.’
‘Nee.’
Sofie leunde voor het eerst tegen de rug van haar stoel. ‘Je hebt me op zes mei gevraagd of je een foto mocht maken. Dat vond ik netjes. Ik dacht dat ik iemand binnenliet die wist waar ze mee bezig was.’
Lena voelde haar wangen warm worden. Er was geen beschuldiging die ze kon corrigeren zonder Sofie opnieuw iets af te nemen.
‘Dat had je moeten kunnen blijven denken,’ zei ze.
Anouk kwam met Mieke binnen. Ze groette Yara en Sofie, vroeg hoe het tot nu toe was gegaan en zei dat Lena en Mieke buiten het afzonderlijke gesprek zouden wachten. Voor de verdere verklaring maakte zij met Sofie de eerder besproken afspraken, ook over wie in welk deel van de begeleiding aanwezig kon zijn. Zij legde niet in de groep uit wat al onderzocht was of welke conclusies dit mogelijk maakte.
Sofie pakte haar telefoon. Haar duim bleef even op het beschadigde hoesje liggen. Anouk vroeg welke originele berichten zij wilde tonen en benadrukte dat onzekerheden over tijd, positie en woorden ook bij haar verhaal hoorden.
Lena stond op. Ze wachtte niet op een vraag over Henk die zij misschien kon beantwoorden. In de gang pakte ze haar tas. Mieke ging met haar mee naar de keuken en zette de waterkoker aan.
‘Ze heeft gezien dat hij duwde,’ zei Lena zacht.
‘Dat heeft ze verteld. Zij legt nu haar eigen verklaring af. De andere gegevens worden er zorgvuldig naast gelegd.’
Lena knikte. Ze had Niels gesproken terwijl hij aardig klonk. Hij had haar gevraagd snel klaar te zijn. Hij had toegang geregeld, met sleutelsets gewerkt en een tekst laten veranderen. Nu had Sofie verteld wat diezelfde man met Henk had gedaan. Zijn gewone stem van dat gesprek bleef in Lena’s hoofd zitten.
Mieke gaf haar een beker thee. Ze gingen in de wachtruimte zitten, bij een rek met folders over verhuizing en energiekosten. Lena keek niet op toen er binnen een stoel schoof. Het gesprek achter de deur was niet van haar.
Later kwam Anouk nog even naar buiten. Het verdere onderzoek liep; zij deed geen mededelingen over andere personen. Voor morgen stonden de afspraken over aanvullend materiaal en de overdracht van Henks overgebleven spullen. Lena moest het laten weten als daar iets veranderde. De informatie over Niels betekende niet dat Lena hem nu zelf moest gaan vragen waarom.
‘Dat doe ik niet,’ zei Lena.
Ze stuurde Tom dat ze bijna klaar was. Ze schreef geen naam van een verblijfplaats, geen woorden uit Sofies verklaring. Alleen dat hij haar bij Miekes kantoor kon ophalen. Toen zij later afscheid nam, was Sofie moe en stiller, maar ze stapte zelf naar de kapstok en trok haar eigen jas aan. Yara hield de deur voor haar open. Lena wachtte tot zij samen naar buiten waren en ging toen pas achter hen aan.