Hoofdstuk 23 · 10 minuten lezen
Geen broer om achter te schuilen
Ruben wachtte bij het plein met een envelop tussen zijn handen. Hij hield die dubbelgevouwen vast, hoewel er iets hards in zat dat niet meeboog. Toen Lena naar hem toe liep, legde hij het pakje op de rand van de bloembak. Zijn nagels waren aan één hand afgekloven.
‘Mieke is nog aan het bellen,’ zei hij.
‘Ik weet het.’
‘Ik dacht dat je al weg was.’
‘Jij vroeg of ik terug wilde komen.’
Hij knikte en keek naar haar been. Lena had hem telefonisch verteld dat er een aanval was geweest en dat zij niet wist wie daarachter zat. Ze wilde het niet nog een keer uitleggen om de spanning uit het gesprek te krijgen.
‘We kunnen binnen wachten,’ zei ze.
Ruben pakte de envelop. In de hal van Miekes kantoor bleven ze naast de kapstok staan. Er hing een fietshelm met een witte streep aan een haakje. Lena duwde een losgeraakt bandje omhoog omdat het tegen haar schouder kwam. Ruben volgde de beweging. Hij wilde ergens beginnen, dat zag ze, maar iedere keer keek hij weer naar de dichte deur.
Mieke kwam hen halen. Ze had drie stoelen bij haar bureau gezet en een blocnote klaargelegd.
‘Je wilde dat Lena erbij was,’ zei ze tegen Ruben. ‘Vertel even waarom.’
‘Omdat ik de vorige keer tegen haar gelogen heb.’
Lena ging zitten. Ze voelde de rand van haar knie tegen de onderkant van het bureau en schoof haar stoel opzij. Ruben bleef staan tot Mieke naar de derde stoel wees.
‘Over Sofie,’ zei hij. ‘Over wanneer ze weg was. Ik deed alsof ze aan het verhuizen was en dat de datum wel kon kloppen. Ik wist dat ze er in mei zat.’
‘Waarom zei je dat?’ vroeg Lena.
Ruben legde de envelop neer. ‘Omdat mijn naam ook ergens zou opduiken. Ik wilde kijken hoeveel jij al wist.’
Het antwoord maakte haar bozer dan een nieuwe verklaring over zorgen om zijn zus zou hebben gedaan. Hij gaf haar tenminste geen vriendelijke reden meer om de woorden in te pakken.
‘Dus als ik minder wist, had je het erbij gelaten.’
‘Misschien.’
Hij keek omlaag. Mieke onderbrak de stilte niet. Vanuit de keuken klonk een klik, waarschijnlijk de koelkast. Ruben trok de envelop naar zich toe en haalde er een mapje uit met afdrukken, een klein schrift en zijn telefoon.
‘Ik heb voor Noordhuis gewerkt. Voor die verhuizingen. Tijdelijk. Ze noemden het begeleiding. Bewoners helpen om ergens anders te gaan kijken, formulieren verzamelen, soms een bus regelen.’
‘Dat weten we,’ zei Lena.
‘Ja. Maar ik zei dat ik alleen de praktische dingen deed.’
Hij schoof een afdruk naar voren. Lena herkende de zakelijke vormgeving van Noordhuis. Mieke pakte het vel op, las de bovenkant en vroeg of dit zijn eigen overeenkomst was. Ruben bevestigde het.
‘Ik kreeg een vaste vergoeding en iets extra’s voor dossiers die klaar waren. Klaar betekende dat een vertrekverklaring getekend was. Dat hoefde nog niet te betekenen dat iemand echt een andere woning had.’
Lena dacht aan het woord begeleiding. Zij had het ook gebruikt als zij een bewoner voor de overdracht hielp aangeven wat aan een huis moest worden hersteld. Een woord met koffie, uitleg en tijd erin. Op deze overeenkomst zat er een einddatum aan.
‘Wie bepaalde dat het dossier klaar was?’ vroeg Mieke.
‘Marten. Soms via Niels. Ik mailde wat er lag, zij zeiden of er nog iets ontbrak.’
‘En je wist dat mensen druk ervoeren?’
Ruben trok aan een hoek van het schrift. ‘Ik hoorde het.’
‘Dat is een andere vraag.’
‘Ja. Ik wist het.’
Hij vertelde over een vrouw die hem drie keer had gevraagd of ze eerst naar een andere woning mocht kijken. Hij had gezegd dat het verhuisbedrag alleen beschikbaar bleef als ze voor vrijdag tekende. Dat had hij van Niels gehoord. De vrouw had uiteindelijk haar dochter gebeld. Ruben was in de gang blijven wachten terwijl zij ruzie maakten.
‘Ik dacht dat ze dat geld tenminste kreeg,’ zei hij. ‘Als ze helemaal weigerde, zou ze misschien niets hebben.’
‘Wat zei je dat er gebeurde als ze niet tekende?’ vroeg Mieke.
‘Dat het plan dan zonder haar verderging. Dat haar huis binnenkort toch leeg moest.’
‘Wist je dat?’
‘Nee.’
Lena keek naar zijn handen. Ze lagen nu vlak op zijn bovenbenen. Hij kon deze dingen rustig zeggen omdat hij ze blijkbaar al in zichzelf had herhaald. Rust maakte ze niet kleiner.
‘En Sofie?’ vroeg ze.
Ruben zei dat hij eerst trots had verteld dat hij aan het project werkte. Hij dacht dat hij iets voor haar kon regelen. Een beter huis, geld voor de verhuizing, een contactpersoon die geen stapel brieven stuurde. Sofie wilde weten waarheen. Hij had een kaartje van een nieuwbouwplan laten zien waar zij geen aanspraak op had.
‘Ik had geen aanbod. Alleen een plaatje.’
‘Heb je dat ook aan andere bewoners laten zien?’ vroeg Mieke.
‘Ja.’
‘Met welke uitleg?’
Ruben keek naar de afdrukken. ‘Dat de nieuwe woningen beter zouden zijn. Ik zei niet dat ze die zouden krijgen. Maar ik liet mensen er wel over nadenken. Als iemand vroeg of er een lift kwam, antwoordde ik op de vraag over de lift. Ik zei niet dat ik niet wist of ze daar ooit zouden wonen.’
Lena kon het gesprek voor zich zien. Een bewoner die eindelijk een huis zonder trappen voor zich kreeg, een begeleider die alleen het prettige deel van haar vraag beantwoordde.
‘Er was een man die vroeg of hij daar zijn scootmobiel kon opladen,’ zei Ruben. ‘Ik heb gezegd dat daar bij het ontwerp rekening mee werd gehouden. Dat stond in de brochure. Ik heb niet gekeken of hij voor die woning in aanmerking kwam.’
‘Dat moeten we per persoon vastleggen,’ zei Mieke. ‘Geen nieuwe algemene belofte dat het nu alsnog geregeld wordt.’
‘Ik heb daar niks voor.’
‘Dan zeg je dat. Tegen ons, en in je eigen verklaring.’
Ruben pakte het schrift. Hij bladerde naar een pagina met huisnummers, aarzelde en schoof het naar Mieke. Hij wilde niet dat Lena de namen van bewoners meenam die daarvoor geen toestemming hadden gegeven. Dat was een kleine beperking die hij nu zelf uitsprak. Zij hield haar hand bij haar eigen aantekeningen.
Mieke schreef iets op. Lena dacht aan bewoners die een plattegrond bekeken en hun bed een plaats probeerden te geven voordat iemand een huurprijs had genoemd.
‘Ik zei dat ze moeilijk deed. Dat is het ergste. Voor mij waren andere mensen dossiers. Bij haar wist ik gewoon wat er op het spel stond.’
‘Heb je haar vertrekverklaring gemaakt?’ vroeg Mieke.
‘Ik heb een formulier gebracht. Ze heeft het niet ondertekend toen ik erbij was. Ik weet niet wat ze later onder haar naam hebben gezet.’
‘Geloofde je dat ze op eenendertig maart was vertrokken?’
‘Nee. In april heb ik bij haar gegeten. Begin mei ook. Ze had vroeg gewerkt en ik bracht iets mee. Ze woonde er nog.’
Hij noemde de data die hij zeker wist en liet het andere open. Mieke vroeg hem diezelfde onderscheidingen in zijn verklaring te behouden. Geen maaltijden op kalenderdagen leggen omdat een andere getuige ze beter kon gebruiken.
‘Waarom ben je niet eerder naar de politie gegaan?’ vroeg Lena.
Ruben legde zijn telefoon op tafel. ‘Omdat er geld op mijn rekening stond. Omdat ik berichten had gestuurd waar ik geen uitleg voor had. En Niels zei dat mijn zus nergens mee geholpen zou zijn als iedereen hoorde dat haar broer bewoners had lastiggevallen.’
‘Dat had je ook.’
‘Ja.’
Hij keek naar haar. Ze wachtte op een toevoeging over zijn eigen problemen. Die kwam niet.
‘Sofie vroeg of ik nog voor hen werkte,’ zei hij. ‘Ik zei dat ik ermee was gestopt. Maar er kwam nog een betaling. Voor verklaringen die eerder waren ingeleverd. Ik heb haar dat niet verteld.’
‘Dus jij hielp haar beoordelen of ze jou kon vertrouwen, met informatie waarvan je een deel wegliet.’
Mieke legde haar pen neer. Ruben wreef zijn handen over zijn broek en knikte.
‘Ik heb haar gisteren gebeld. Ze vroeg hetzelfde. Of er nog geld was gekomen. Deze keer heb ik ja gezegd.’
‘Wat zei ze?’
‘Dat ik niet moest bellen om me beter te voelen.’
De envelop lag open op tafel. Een kassabon stak tussen de bladzijden van het schrift. Lena vroeg waarom die erbij zat. Ruben keek en haalde hem eruit. Het was een ontvangstbewijs van een tankstation, van een andere week. Hij had alles uit het vakje van zijn tas op tafel gelegd omdat hij geen ordening meer vertrouwde waarin hij zelf had gekozen wat belangrijk was.
Mieke zei dat niet alles voor deze afspraak relevant was. Ze zouden zijn eigen documenten afzonderlijk beschrijven, en hij moest de oorspronkelijke berichten behouden. Zij was zijn huurdersadviseur niet, en een verklaring over zijn betaalde werk kon gevolgen voor hem hebben. Hij kon daarvoor onafhankelijk juridisch advies vragen.
‘Ik wil niet dat je denkt dat ik dan weer iets wegstop,’ zei hij.
‘Dat denk ik niet omdat je advies vraagt. Wel als je daarna alleen een nieuw net verhaal vertelt.’
Hij glimlachte niet. ‘Kan ik Anouk nu bellen?’
Mieke schoof haar telefoon niet naar hem toe. ‘Met je eigen telefoon. Je kunt uitleggen dat je over je rol wilt verklaren en eigen stukken hebt. Zij maakt verdere afspraken.’
Ruben vroeg Lena om Anouks nummer. Ze wees hem op het contact dat hij eerder had gekregen; hij vond het na even zoeken. Terwijl hij in de gang belde, ging Lena naar het raam. De bloembak op het plein was weer leeg. Mensen liepen erlangs met tassen die niemand probeerde af te nemen.
‘Ik wil hem niet bedanken,’ zei ze.
‘Dat hoeft niet.’
‘Hij doet nu iets nuttigs.’
‘Dat is waar. Het maakt de andere dingen niet ongedaan.’
Mieke pakte de overeenkomst opnieuw. Ze mocht met Rubens toestemming een kopie maken voor de woningkwestie, de oorspronkelijke stukken moesten via hem naar de juiste mensen. Lena mocht kijken naar de regels die haar eigen opdracht betroffen. Ze zag geen knop of paraaf waarmee dit hele verhaal in één keer kon worden hersteld. Er stonden gewone betalingen in, gewone omschrijvingen. Een contract dat in een administratie had kunnen verdwijnen als de huizen op tijd leeg waren geraakt.
Ruben kwam terug. Hij had een afspraak om zijn verklaring af te leggen en de overdracht van zijn materiaal te bespreken. Hij zei wanneer. Mieke vroeg of hij zelf een lijst kon maken van wie hij had benaderd en welke toezeggingen hij had gedaan. Voor de bewoners, niet om hen opnieuw te overreden.
‘Ik heb sommige nummers nog,’ zei hij.
‘Je gaat hen niet bellen om verhalen op elkaar af te stemmen. Geef aan wat je hebt; contact verloopt zorgvuldig en met toestemming.’
Lena keek op. Ze was opgelucht dat Mieke het zei. Ruben had zojuist bewezen hoe gemakkelijk hij helpen kon verwarren met zorgen dat anderen de juiste woorden kozen.
Voordat hij vertrok, bleef hij bij haar stoel staan.
‘Weet jij waar ze is?’
‘Nee.’
‘Ik ook niet. Ze heeft wel verteld dat ze bij Yara is. Maar die is verhuisd. Ik wil haar niet gaan zoeken.’
‘Doe dat dan ook niet.’
Hij knikte. ‘Ik had nog spullen van haar willen brengen.’
‘Vraag aan haar of ze dat wil. Via de manier waarop je haar nu kunt bereiken. Niet aan mij.’
Ruben stopte de telefoon in zijn zak. Hij hield de envelop onder zijn arm, met het mapje zorgvuldig teruggevouwen. Bij de deur vroeg hij of hij de betaling moest terugstorten. Mieke zei dat hij daar advies over moest vragen en de informatie moest bewaren. Een handeling aan zijn bankrekening ging zijn vroegere gedrag niet uit de verklaringen halen.
Toen hij weg was, nam Lena de bus terug naar haar werkruimte. Tom zat nog in een rit; ze had hem gezegd dat hij niet hoefde om te rijden. Ze stuurde Mieke dat ze onderweg was en ging dicht bij de chauffeur zitten. Bij iedere halte keek ze door het raam naar de mensen op de stoep. Ze was niet alleen maar bang. Ze was ook boos dat ze aan de manier waarop iemand een tas droeg nu dacht te kunnen zien of diegene iets van haar wilde.
In de loods lag het formulier van haar verzekeraar in de mail. Ze opende het en schreef bij de vraag naar controle van de definitieve versie: Niet uitgevoerd. Ik vertrouwde op de collega die de bundeling verzorgde. Daarna beschreef ze welke eigen controle ontbrak. Ze noemde Jip niet.