Hoofdstuk 31 · 10 minuten lezen
De deur naar het achterpad
Lena pakte de doos met Henks spullen niet. Ze duwde hem verder het tafelblad op, weg van de rand. Daarna liep ze naar de gang langs de voorraadplanken.
‘Waar ga jij heen?’ vroeg Niels.
Ze hoorde zijn voet over de vloer schuiven. Achter haar zei Cor dat hij moest blijven staan. Niels antwoordde iets over gestolen administratie. De woorden waren harder dan zijn stem een ogenblik eerder. Lena keek eenmaal om. Cor stond nog in de opening naar de winkel. Niels had de map tegen zijn buik gedrukt en hield met zijn andere hand Cors bovenarm vast.
‘Laat hem los,’ zei Lena.
Niels keek over zijn schouder. Cor trok zijn arm terug. De beweging bracht hem dicht bij de houten stijl van de opening. Hij zette zijn vrije hand ertegen en bleef overeind.
‘Ga maar naar buiten,’ zei Cor.
Lena stond stil. Er was iets in haar dat terug naar de tafel wilde, naar de twee mannen, naar de map. Ze wist niet wat ze daar zou doen. Ze kon haar hand naast die van Cor tegen de stijl zetten. Ze kon Niels nogmaals zeggen dat hij moest ophouden. Ze kon de situatie groter maken door erin te blijven. Cor keek haar aan en knikte naar de gang.
‘Ga,’ zei hij, harder nu.
Ze liep door. Voorbij de planken veranderde het daglicht van kleur; het kwam door het kleine raam boven de achterdeur. Er stonden geen dozen in de doorgang. Cor had de lege verpakkingen de vorige keer al weggehaald omdat hij zijn lange werkstukken langs deze route naar buiten bracht. Lena zag de deurmat, een stuk gescheurd vinyl dat soms omkrulde. Ze stapte eroverheen en drukte de klink naar beneden.
De deur ging open tegen de koele lucht van het achterpad. Haar fiets stond links, het voorwiel tegen de lage muur. Ze liet hem staan. De sleutel zat in de zak van haar jas, maar haar jas hing over de stoel in de werkplaats. Ze had haar telefoon bij zich. Dat was genoeg om nu weg te komen.
Er klonk een slag achter haar, metaal tegen iets hards. Ze draaide zich niet om om vast te stellen wat het was. Ze liep naar het einde van het pad. Op het vochtige deel onder de regengoot dreigde haar schoen weg te glijden. Ze zette haar voet opnieuw neer en ging verder zonder te rennen. Haar gekneusde heup deed pijn als ze haar pas verlengde.
Bij de hoek van de muur haalde ze haar telefoon tevoorschijn. Ze zag geen bericht, geen foto en geen lijst met recente namen; ze zag het scherm dat open moest. Haar duim voelde te groot. De eerste poging lukte niet. Ze bleef staan, zette haar vrije hand tegen de muur en probeerde het opnieuw.
Nora had hulp ingeroepen. Lena belde toch zelf het noodnummer. Ze was degene die kon vertellen wat ze zojuist achter zich had gelaten. Ze noemde haar naam en het adres van de werkplaats. Daarna zei ze dat ze via de achterkant buiten was, bij het pad naar de zijstraat.
‘Een man hield me tegen. Hij heeft mijn map gepakt en hij houdt de eigenaar vast. Die is nog binnen.’
Ze keek het pad terug in. De deur was nog open. Niels verscheen niet in de opening. Ze kon evenmin zien waar Cor was.
‘Bent u nu op een veilige plaats?’
‘Buiten. Ik loop verder naar de straat.’
De medewerker vroeg of de man een wapen had. Lena zei dat ze er geen had gezien. Ze moest zijn naam, uiterlijk en de naam van de eigenaar geven. Ze beschreef de verfveeg op zijn trui, de map en de opening waar Cor had gestaan. Toen ze zijn naam noemde, haperde haar stem. Haar mond was droog. Ze vroeg niet of er al iemand onderweg was voordat ze het adres nogmaals had herhaald.
‘Ik ben eerder aangevallen op de fietsbrug,’ zei ze. ‘Daar loopt een melding over. Maar ik weet niet of deze man dat ook was.’
Het kostte moeite om dat laatste toe te voegen. Het voelde nog steeds alsof ze een kans liet liggen wanneer ze niet méér zei dan ze kon weten. Ze gaf de naam van Anouk en vertelde dat die wist van haar afspraak. De medewerker vroeg haar aan de lijn te blijven en verder afstand te nemen.
Aan het eind van het pad stonden twee bakken met resthout. Erachter was de zijstraat, breed genoeg voor een busje, met een stalen hek aan de overkant. Een man in een vuilwit shirt droeg een krat naar een open loods. Hij keek op toen Lena voor hem stilhield.
‘Gaat het?’ vroeg hij.
Lena hief haar hand, met de telefoon tegen haar oor. Ze wees naar het achterpad en zei dat er bij de werkplaats problemen waren. De man zette het krat neer.
‘Moet ik gaan kijken?’
‘Nee. Laat niemand naar binnen gaan.’
Ze vond het prettig dat ze hem dat kon zeggen zonder eerst te moeten uitleggen waarom. Hij pakte een tweede krat uit de looproute en wees naar een bankje net binnen zijn eigen loods.
‘Kom hier. Hier kunnen we de straat zien.’
Lena vroeg aan de medewerker of ze daar mocht gaan staan. Die wilde weten waar het was. Ze las de naam op het bord boven de loods en het huisnummer naast het hek. De man zette een van de deuren verder open, zodat zij niet in de smalle kier hoefde te blijven. Er hing een geur van houtstof en verf. Lena ging niet zitten. Ze stond achter de deurpost, vanwaar ze het einde van het pad kon zien.
De man zei dat hij Cor kende, maar Niels niet persoonlijk. Hij bood haar water aan. Ze schudde haar hoofd en wees naar de telefoon. Hij knikte, liep een paar passen terug en liet haar spreken.
Bij de hoek verscheen Niels. Hij liep het pad uit met de map in zijn hand. Lena drukte haar schouder tegen de deurpost. Hij zag haar niet onmiddellijk. Ze hoorde hem haar naam roepen. Zijn stem had dezelfde werkmatige toon gekregen waarmee hij haar vroeger over een vergeten sleutel belde.
‘Lena! Je tas staat hier nog.’
Ze antwoordde niet. Aan de lijn vertelde ze dat hij nu buiten was en waar hij liep. De man uit de loods keek langs haar heen, maar ging niet naar hem toe. Niels kwam twee passen verder de straat in. Hij keek naar haar fiets achter de muur en daarna naar de auto's. De map hing slap langs zijn been. Even dacht Lena dat hij hem op de grond zou gooien. Hij hield hem vast.
Vanuit de andere kant van de straat klonk een auto die hard remde. Niels draaide zich erheen. Lena kon vanuit haar plek niet zien wat voor auto het was. Ze bleef aan de lijn. De medewerker zei dat agenten onderweg waren en dat zij uit de buurt van Niels moest blijven. Ze vroeg of hij nog liep.
‘Hij staat stil. Hij kijkt naar links. Ik weet niet wat hij ziet.’
Niels trok zijn telefoon uit zijn broekzak. Hij keek naar het scherm en stopte hem weer weg. Toen draaide hij terug naar het pad. Bij de muur verloor Lena hem uit het oog. Ze hield haar ogen op de opening gericht. Van daaruit kon ze niet zien of hij naar binnen ging.
De man uit de loods schoof haar een plastic stoel toe. ‘Je staat te trillen.’
‘Ik wil kunnen blijven kijken.’
‘Van hier zie je hetzelfde.’
Ze ging zitten. Nu merkte ze dat ze haar telefoon met beide handen vasthield. Haar knokkels deden pijn. De medewerker stelde nog een paar vragen. Waar was Nora? Was er behalve Cor iemand in de achterkamer geweest? Lena gaf alleen antwoord op wat ze wist. Nora was naar de voorkant gegaan om te bellen. De leverancier had bij de winkel gestaan. Lena kon niet zeggen of die al vertrokken was.
Uit de hoofdstraat kwam geen sirene. Lena had die verwacht en keek telkens naar de hoek. De afwezigheid gaf de minuten geen vorm. Er was het geluid van een draaiende motor, een deur die dichtviel, voetstappen op de stoep buiten haar zicht. Ze liet haar schouder zakken. Toen ze opnieuw naar het pad keek, stonden er twee mensen bij de ingang, één in een politie-uniform.
Lena beschreef wat ze zag. De medewerker zei dat ze voorlopig op haar plek moest blijven. Ze kon de uniformen niet meteen verbinden aan Anouks onderzoek; het waren mensen die naar een actuele melding kwamen. Ze hoefde niet te weten hoeveel er waren om te doen wat haar werd gevraagd.
De man naast haar noemde eindelijk zijn naam: Arend. Hij vroeg of ze iemand wilde bellen zodra het kon. Lena knikte. Ze keek naar het scherm en zag een gemiste oproep van Nora verschijnen. Ze wilde opnemen, maar de medewerker was nog aan de lijn. Ze zei dat Nora haar belde. Even later mocht ze de verbinding beëindigen, met de instructie niet naar de werkplaats terug te gaan.
Ze belde Nora meteen. Die nam bijna direct op.
‘Waar ben je?’
Lena noemde de loods en zei dat er iemand bij haar was. ‘Waar is Cor?’
‘Hij is voor. Agenten zijn binnen. Ik sta buiten met een van hen.’
‘Kan hij praten?’
‘Ja. Hij praat te veel. Hij wil uitleggen waar Niels wel en niet aan mag zitten.’
Lena liet haar hoofd tegen de muur achter de stoel rusten. Ze ademde uit en hoorde hoe ongelijk die adem was. Nora vroeg of ze gewond was. Lena zei dat ze nog last had van de eerdere val en dat ze er nu niet opnieuw een klap bij had gekregen.
‘Ik heb mijn tas daar gelaten.’
‘Die loopt niet weg. Blijf zitten.’
Het was de tweede keer in korte tijd dat iemand haar zei te blijven waar ze was. Ze deed het. Ze vroeg Nora niet om de map terug te pakken of haar jas uit de achterkamer te halen. Nora beëindigde het gesprek omdat de agent iets wilde weten.
Arend zette een beker water naast Lena neer. Ze kon hem met één hand oppakken. Het was een eenvoudige papieren beker, dezelfde als bij haar eigen printer op de plank stond. Ze dronk en merkte dat het water buitenlangs haar kin ging. Ze veegde het weg met haar mouw.
‘M'n werk is daar,’ zei ze, en ze wist niet waarom ze het tegen hem zei.
Arend keek naar het pad. ‘Dan komen ze dat straks brengen. Of je haalt het later.’
Lena knikte. Ze was zelf naar buiten gegaan. Dat was toch wat iemand haar zou hebben gezegd te doen? Haar spullen lagen nog bij de tafel: de oplader, de appel die ze niet had gegeten. Ze stopte haar vrije hand onder haar been omdat ze aan de appel begon te denken en haar hand nergens anders stil bleef liggen.
Aan het einde van de straat verscheen een tweede politieauto. Lena hoorde een radio, heel even, toen iemand het portier opende. Een vrouw keek langs het pad en kwam daarna naar de loods. Arend stak zijn hand op om haar te wijzen waar Lena zat.
De agent vroeg Lena haar naam. Ze gaf hem en kwam half overeind. De vrouw zei dat zitten goed was. Ze stelde zich voor, vroeg of Lena medische hulp nodig had en wachtte op een antwoord. Lena zei dat ze eerst moest weten of Cor veilig was. De agent knielde niet voor haar en pakte haar hand niet. Ze bleef op een gewone afstand staan.
‘Er is iemand bij hem,’ zei ze. ‘Mijn collega's zijn in de werkplaats. U hoeft daar nu geen taak meer te doen.’
Lena keek voorbij haar naar het pad. De achterdeur stond nog open. In de opening zag ze een stukje van de grijze vloer waar ze enkele minuten eerder had gelopen. Ze draaide haar gezicht terug naar de agent en gaf antwoord op de vraag die haar was gesteld.