Hoofdstuk 21 · 10 minuten lezen
Wie ze wel belde
Jip deed open voordat Lena bij de deur was. Ze keek langs haar moeder naar Tom, die de fiets over het tuinpad duwde. Het voorwiel liep aan en maakte iedere omwenteling hetzelfde schurende geluid.
‘Wat heb je gedaan?’
Lena zette haar tas op de mat. ‘Ik ben gevallen. Iemand heeft geprobeerd mijn tas af te pakken.’
Jips gezicht bleef een paar tellen onbeweeglijk. ‘Hier?’
‘Op de havenbrug. De politie is geweest. Ik heb niets afgestaan en die man is weggereden.’
‘Wie?’
‘Dat weet ik niet.’
Tom bracht de fiets naar de schuur. Jip deed de deur dicht en pakte de tas op met haar goede hand. Ze liep ermee de kamer in. Lena moest vragen of ze hem op de tafel wilde zetten. Dat klonk te dringend. Jip legde hem heel voorzichtig neer.
‘Wil je dat ik papa vraag om te blijven?’
‘Hij is al hier.’
‘Dat zie ik. Dat bedoel ik niet.’
Lena ging op de rand van de bank zitten. Toen ze haar been boog, trok de stof langs haar schaafwond. Ze zette haar voet verder naar voren.
‘Ik weet nog niet wat ik voor vannacht prettig vind. Jij mag zeggen wat jij wilt.’
‘Ik wil dat je ophoudt zo te doen.’
‘Hoe?’
Jip wees naar haar knie. ‘Je zit alsof het je broek is die zeer doet.’
Lena keek omlaag en moest heel even lachen. Het kwam er schor uit. ‘Mijn knie doet ook zeer.’
‘Zeg dat dan.’
Tom kwam binnen met het fietssleuteltje. Hij legde het naast de fruitschaal. Het rijwiel had hij veilig gezet; daar kon morgen iemand naar kijken. Nu moest Lena eerst haar knie schoonmaken. Hij ging naar de keuken voor een schoon doekje en Jip wees naar de trap.
‘Ga een andere broek halen. Ik leg wel een handdoek op de bank.’
‘Je hoeft me niet te verzorgen.’
‘Je hoeft ook niet alles tegen te houden.’
Lena ging naar boven. In de badkamer hield ze zich aan de wastafel vast terwijl ze de beschadigde broek uittrok. Op haar heup ontstond een blauwe plek. Haar knie was geschaafd, haar elleboog gevoelig. Ze waste het vuil voorzichtig af. Een kort ogenblik moest ze gaan zitten op de gesloten toiletpot. Niet vanwege de pijn. Het omhooggekomen beeld van de hand bij haar jaszak maakte de badkamer kleiner.
Ze zette beide voeten stevig op de tegels en wachtte. Beneden hoorde ze Tom een lade openen. Jip zei dat er ergens nog grote pleisters waren, behalve de pleisters met dieren. Tom antwoordde dat hij een dier best toepasselijk vond. Jip lachte niet. Hij liet het erbij.
Toen Lena terugkwam, lag een handdoek op de bank. Tom had een beker water op tafel gezet en de kapotte broek over een stoel gehangen. Zij wilde die wegpakken, maar bedacht zich. Het kledingstuk hoorde misschien nog bij de melding. Ze hoefde de kamer niet te herstellen voordat er iemand iets van zou kunnen vinden.
‘Hebben jullie gegeten?’
‘Brood,’ zei Jip. ‘Ik wilde eigenlijk pasta maken.’
‘Waarom heb je dat niet gedaan?’
‘Omdat je niet wist wanneer je thuis zou zijn. Nu weet ik het.’
Lena schoof de beker een stukje opzij. ‘Doe maar pasta. Ik eet mee.’
Ze bleef aan tafel zitten toen Tom en Jip naar de keuken gingen. Jip kon de pan dragen als ze die met één hand aan de steel vasthield, maar Tom tilde hem met water naar het fornuis. Geen van beiden maakte daar een gesprek van. Lena merkte hoe moe ze was van alle handelingen waar thuis een verhaal over zorg achteraan werd geplakt.
Haar telefoon ging. Anouk vroeg of ze alleen kon praten.
‘Ik kan naar boven,’ zei Lena. Ze keek naar de trap en besloot anders. ‘Of jullie lopen even naar de keuken.’
Tom knikte, Jip trok de keukendeur dicht. Lena bleef aan tafel.
Anouk had de melding ontvangen. De agenten hadden de verklaringen van de getuigen genoteerd. Zij wilden Lena nog spreken voor de aangifte en hadden een afspraak geregeld. Anouk lichtte toe wat Lena nu zelf moest bewaren: haar eigen berichten, haar kleding, haar herinnering aan de volgorde. Lena had al een paar regels over de brug geschreven. Ze zou daar geen vermoedens tussen voegen om ze vollediger te maken.
‘Je zei tegen de agent dat het met je werk te maken zou kunnen hebben,’ zei Anouk.
‘Ik kan het niet bewijzen.’
‘Ik vraag waarom je het denkt.’
Lena noemde de kopieën in de tas en de gesprekken over intrekking. Ze vertelde ook dat ze niet had gehoord dat iemand om die stukken vroeg. Iedereen kon zien dat zij een tas bij zich droeg.
‘Goed dat je dat onderscheid maakt. We nemen de mogelijkheid mee. Maar ik kan je nu niet vertellen wie die man was.’
‘Hebben ze de bus gevonden?’
‘Daar kan ik je nu geen uitsluitsel over geven.’
Lena hoorde zichzelf ademhalen. De keukendeur had geen glas. Achter het hout tikte Jip met iets op het werkblad.
‘Ik wil Sofie niet bang maken met iets waarvan ik de oorzaak niet ken,’ zei Lena.
‘Je hoeft haar hierover niet zelf uitgebreid te informeren. Wij bespreken veiligheid rechtstreeks met haar. En als je contact hebt, geef je door wat er werkelijk is gebeurd.’
‘Ik heb haar adres niet.’
‘Dat weet ik.’
Anouk vroeg welke afspraken Lena de komende dagen had. Ze keek in haar agenda. Morgen zou ze Mieke spreken en later, op diens verzoek, Marten. Een zakelijke afspraak op een kantoor; Mieke zou erbij zijn. Donderdag stond er nog niets vast rond Sofie. De vrijdagse overdracht bij Cor en Nora moest worden bevestigd. Lena las de geplande tijden voor, maakte ze niet minder zeker om te voorkomen dat Anouk nee zou zeggen.
‘Mieke erbij is verstandig,’ zei Anouk. ‘Laat ons wijzigingen weten. Als je iemand aan je deur krijgt of opnieuw wordt gevolgd, wacht je niet met bellen.’
‘Moet ik alles afzeggen?’
‘Ik kan geen garantie geven dat een willekeurige afspraak zonder risico is. We bespreken met betrokkenen wat passend is. Je gaat niet naar een plek om iemand te confronteren of zelf bewijs uit te lokken. Die zakelijke afspraak hoeft niet door te gaan als je je daar niet goed bij voelt.’
Lena dacht aan Martens bericht. Hij wilde tot een praktische oplossing komen. De formulering had haar al geërgerd voordat de bus er was geweest.
‘Ik wil horen wat hij voorstelt. Met Mieke erbij.’
‘Bespreek dat met haar. En meld het adres en de tijd zodra die vaststaan.’
Na het gesprek legde Lena de telefoon op de tafel en schreef de afspraken onder elkaar. Ze begon bij de brug. Een man. Donkergrijze kleding. Twee zinnen. Ze streek het woord gevolgd door dat ze automatisch achter bus had gezet. Dat wist ze helemaal niet.
De keukendeur ging open. Jip kwam met een schaaltje kaas. Ze zette het midden op tafel en bleef staan.
‘Dus?’
‘Er is contact tussen de agenten en Anouk. Ik doe de aangifte verder zoals we hebben afgesproken. Ze weten nog niet wie het was.’
‘Maar het kan die man van die huizen zijn.’
‘Het kan ermee te maken hebben. Ik heb Niels niet herkend. Maar ik heb het gezicht niet goed gezien, dus ik kan hem ook niet uitsluiten. Ik weet gewoon niet wie het was.’
Jip trok haar stoel naar achteren. ‘Gaan we nu wachten tot er weer iets gebeurt?’
‘Nee. Ik ga afspraken delen en ik ga niet alleen naar gesprekken waarin ik druk verwacht.’
‘En fietsen?’
Lena keek naar Tom, die met de pan kwam. ‘Vanavond nergens meer heen. Morgen kijk ik wat nodig is.’
Jip zei dat dat geen antwoord was. Lena wilde haar uitleggen dat een hele stad niet onbegaanbaar kon worden omdat één man haar had laten vallen. Het zou waar zijn, en precies de verkeerde zin. Ze pakte haar vork.
‘Morgen laat ik me brengen voor de afspraken. Voor andere dingen overleg ik eerst. Ik kan het niet voor de hele week verzinnen terwijl de pasta afkoelt.’
‘Dat is tenminste een antwoord,’ zei Jip.
Ze aten. Tom had de saus niet pittig gemaakt. Jip vroeg of Lena haar kies tussen de middag nog had gevoeld; de afspraak bij de tandarts stond op de gedeelde kalender voor volgende week. Lena was de kies vergeten. De gewone vraag gaf haar de ruimte om het bord niet meer als een belemmering te zien waarover zij een grote verklaring moest afleggen.
Na het eten belde Mieke terug. Lena vertelde over de brug zonder Jip en Tom weg te sturen. Mieke vroeg of zij het bezoek van morgen liever bij Lena thuis zouden doen. Lena wilde niet dat haar eettafel nu ook de plaats werd waar ze dossiers met mensen besprak.
‘Op jouw kantoor,’ zei ze. ‘Ik kom met Tom. Als dat voor hem past.’
Tom keek naar zijn telefoon en knikte.
De zakelijke afspraak met Marten kon Mieke bijwonen. Ze wilde vooraf weten wat hij precies had gevraagd en liet Lena het bericht doorsturen. Ze zouden ook nadenken over het contact met Sofie. Niet proberen haar verblijfplaats te achterhalen. Via de afgesproken onafhankelijke contacten kon Sofie zelf bepalen wat er verder gebeurde.
‘Ik ben niet van plan naar haar toe te rijden,’ zei Lena.
‘Fijn. Dan hoef ik je daar niet van te overtuigen.’
Mieke klonk droog genoeg om Lena eindelijk te laten lachen. Jip keek op van haar telefoon. Lena vertelde wat Mieke had gezegd en Jip rolde met haar ogen.
‘Iedereen denkt blijkbaar dat je dat wel zou doen.’
‘Ik niet.’
‘Je wilt altijd iets kunnen afvinken.’
Lena keek naar het afgetekende vel op tafel. Onder Brug stond het tijdstip van de melding. Daarnaast drie namen die ze had gebeld. Ze sloeg de agenda dicht.
Om negen uur ging Tom naar zijn taxi om een tas met kleding te pakken. Hij had voor zijn late diensten vaak een schoon shirt bij zich. Zijn planning voor de avond kon een collega gedeeltelijk overnemen; dat kostte hem omzet. Hij zei het zonder er een gunst van te maken. Lena vroeg hoeveel en hij antwoordde dat ze daar morgen naar konden kijken.
‘Ik wil niet dat je hier vannacht zit omdat je denkt dat je bewaker moet zijn,’ zei ze.
‘Ik ga op de bank liggen. Jip wil niet alleen met jou zijn terwijl jij doet of je niets hebt.’
‘Dat heb ik niet zo gezegd,’ riep Jip vanaf de trap.
‘Wel ongeveer.’
Lena legde een laken neer. De bank was voor Tom net te kort. Ze had twee jaar geleden dezelfde lengte gehad, toch probeerde Lena met het verplaatsen van een kussen nog iets te verbeteren. Tom pakte het kussen aan.
‘Het hoeft niet perfect.’
Ze knikte en ging zelf naar boven. Jip stond voor haar kamer met een schoolboek tegen haar buik.
‘Ik ga morgen gewoon. Naar school.’
‘Goed.’
‘Als je me nodig hebt, bel je. Maar ik ben geen meldingendienst.’
‘Dat ben je niet.’
‘Ik wil wel weten wanneer je iets vertelt aan anderen,’ zei Jip. ‘Tess vroeg of ze haar moeder moest bellen. Ik heb gezegd dat dat niet nodig was. Als jij straks iedereen belt, weet ik het liever.’
‘Ik bel niemand uit jouw school. Jij kiest wat je daar vertelt. Als er voor jou iets moet veranderen, bespreken we dat eerst.’
‘Ook niet om te zeggen dat ze me in de gaten moeten houden.’
‘Ook niet daarvoor.’
Jip schoof het schoolboek naar haar andere heup. Ze hoefde kennelijk niets meer toe te voegen. Lena dacht aan haar eigen neiging hulp te organiseren via de mensen om iemand heen. Voor het eerst zag ze hoe dat voor Jip een kamer vol volwassenen kon opleveren die al een verhaal hadden voordat zij binnenkwam.
‘Als je wilt dat ik iemand spreek, vraag je het,’ zei Lena. ‘En papa weet wat er vandaag gebeurd is. Dat hoef jij niet tussen ons te dragen.’
‘Gelukkig maar. Ik heb al huiswerk.’
Jip keek of er nog een toevoeging kwam. Lena hield haar mond. Haar dochter stapte dichterbij en gaf haar voorzichtig een korte omhelzing, met de gewonde arm tussen hen in. Daarna ging ze haar kamer binnen.
Lena bleef op de overloop staan. Beneden hoorde ze Tom de voordeur controleren en de sleutel op de gebruikelijke plek leggen. Dat was geen oplossing voor de brug. Het hielp wel om straks het licht uit te doen.