Hoofdstuk 4 · 10 minuten lezen
De achterdeur
Ruben duwde met zijn schoen een prop bouwfolie onder de deur vandaan. 'Als dit er zondag ligt, struikelt iemand die naar zijn telefoon kijkt.'
'Dat geldt voor bijna iedereen.'
'Dan is het een representatieve testgroep.'
Hester glimlachte voordat ze kon bedenken hoe het eruitzag. Hij bukte, raapte de folie op en droeg hem naar de afvalcontainer. Ze had hem gevraagd waar hij een levering zou laten binnenkomen. Het was een gewone vraag geweest. Ze had het prettig gevonden dat hij geen oude rechten ontleende aan de vraag of aan het gebouw.
De tuin was niet groot genoeg voor zowel een laadplek als publiek, zei hij. Als de cateraar achter moest lossen, moesten de bezoekers later komen. Hij keek naar de scheve plantenbakken en stelde voor die tegen de muur te laten staan. Amir had daar al een plek voor vrijgemaakt. Hester tekende een pijl op de plattegrond.
'Achter afleveren tot twaalf uur. Daarna dicht voor auto's.'
'Ik zou het ook echt tegen die chauffeur zeggen. Anders ziet hij toch een mooie lege plek.'
Ze schreef het erbij. Haar eigen banketbakker had haar eens twintig kratten gebracht via een bruidsentree, dwars door de fotografen heen, omdat niemand had gezegd dat een rode loper niet voor steekwagens bestemd was. Ruben lachte om het verhaal en vertelde over een monteur die zich door een verkeerde huismeester bij een onbewoonde flat had laten binnenlaten. De bewonerscommissie had vervolgens dagenlang geïnformeerd wie daar een geheime verbouwing financierde.
Ze kende zijn gezicht nog wanneer hij plezier had. Het zat niet in zijn mond, maar in het moment waarop hij even niet oplette of de ander de grap begreep. Ze keek weg naar haar plattegrond. Ruben was geen gelegenheid om iets van vroeger terug te verdienen.
Ruben maakte een foto van de achterdeur voor de leverancier. Hij vroeg eerst of er nog nummers of contactgegevens op de muur hingen die niet mee moesten. Hester wees op een oud briefje achter het raam. Hij verschoof zijn standpunt zodat het buiten beeld viel.
'Vroeger stuurde ik gewoon een plaatje,' zei hij. 'Tot ik een keer een bewonersnaam op een prikbord meestuurde naar acht bedrijven. Dat leer je ook wel af.'
'Jij leert het tenminste.'
'Niet meteen. Eerst heb ik drie dagen uitgelegd waarom het volgens mij niet zo erg was.'
Ze kon om de bekentenis lachen omdat hij er geen succesverhaal van maakte. Hij sloeg de foto op bij de leveringslijst en vroeg of zij hem wilde doorsturen. Vervolgens bergde hij zijn telefoon weg. Geen interesse in het oude prikbord, geen behoefte om aan te wijzen waar ze vroeger elkaars namen hadden geschreven. Die praktische terughoudendheid maakte het Hester mogelijk om daarna wél iets over vroeger te vragen.
Bij het hek bleef hij staan. De vergrendeling zat hoog, op een houten plank die lichter was dan het oude frame. Hij trok het hek open en ging een stap opzij. Aan de andere kant liep het jaagpad tussen tuinen en water. Een vrouw met twee boodschappentassen passeerde zonder hen aan te kijken.
'Dit gebruikte je vroeger ook,' zei Hester.
'Ja.'
'Na je ruzie met Brecht.'
Ruben draaide het hek niet dicht. Hij keek langs de huizen naar de bocht waar het pad achter een rij garages verdween. Hester zag geen reden om haar vraag alsnog een werkvraag te noemen.
'Ik heb het toen ook gezegd,' antwoordde hij.
'Tegen mij niet zo.'
'Je wilde me niet zien.'
Ze had kunnen wijzen op de weken waarin hij haar had ontweken, op de berichten via anderen en op het feit dat zij ook nog maar tweeëntwintig was geweest. Allemaal waar. Hij had haar niet gevraagd de rekening van hun verhouding opnieuw te verdelen.
'Nee,' zei ze. 'Dat klopt.'
Ruben trok de mouw van zijn jas over zijn horloge. Hij had nog een kwartier voordat hij naar een afspraak moest. Ze kon het zien zonder dat hij demonstratief keek.
'Ik ben door de tuin naar dit pad gegaan,' zei hij. 'Niet langs de voorkant. Ik wilde niemand tegenkomen. Ik was kwaad en ik had iets gezegd wat niet terug kon.'
'Waar hadden jullie ruzie over?'
'Een bestelling. En iets anders, vooral dat andere. Ze had me gevraagd haar decorpanelen weg te brengen als ze vertrok. Ik had het toegezegd. Daarna wilde ik dat ze eerst zou vertellen waarheen en met wie. Alsof dat bij die rit hoorde.'
Hester keek naar hem. Ze had gedacht dat de ruzie ging over Brechts kritiek op de benefietavond. Dat had Jasper verteld; of ze had het zelf zo gemaakt omdat ze het beter kon verdragen.
'Ze zei dat ik haar verhuizer kon zijn of haar ondervrager, maar niet allebei. Ik maakte er iets over Daan van. Zij zei dat ik me met mijn eigen relatie moest bemoeien. Toen heb ik mijn jas gepakt.'
De schaamte zat niet in zijn stem als een verzoek. Hij beschreef iets dat hij niet meer kon bijstellen. Dat maakte het voor Hester moeilijker om er iets vriendelijks over te zeggen.
'En toen hoorde je…'
'Een klap. Ik was nog niet bij die garages. Ik dacht eerst dat er weer een paneel omviel. Toen werd er geroepen.' Hij wees niet naar een exacte plek. 'Ik ben teruggegaan. Door hetzelfde hek.'
'Heb je iemand gezien op het pad?'
'Daan. Verderop. Hij stond bij het water.'
'Heb je met hem gesproken?'
'Nee. Niet toen.'
Ruben deed het hek dicht en duwde ertegen om te controleren of het vastzat. De handeling was afgerond; het verhaal niet. Hester had de neiging hem op het bankje te laten zitten, hem nog eens te laten beginnen en de route op papier te zetten. Ze kende die neiging inmiddels. Hij was hier niet gekomen om zijn verleden aan haar administratie toe te voegen.
'Dat is heel anders dan hoe erover gepraat werd,' zei ze.
'Dat wist ik.'
'Ik heb het niet goed nagevraagd.'
'Je hebt helemaal niets nagevraagd, Hester.'
Ze keek hem aan. Zijn boosheid was niet luid. Hij had zijn handen naast zijn lichaam en wachtte niet zichtbaar op een ontkenning. Ze was blij dat hij geen vriendelijk gebaar maakte om haar over het moment heen te helpen.
'Daar heb je gelijk in.'
'Je moeder zei dat we elkaar eerst ruimte moesten geven. Fleur vond dat er geen kampvorming moest komen. Iedereen wist opeens hoe je verdriet netjes kon organiseren. Intussen dacht de helft van het dorp dat ik haar van die trap had geduwd.'
'De politie heeft dat niet gezegd.'
'Ik heb het over het dorp.'
Ze hoorde hoe haar correctie had geklonken. Alsof het onderscheid hem minder had moeten hinderen. Een officiële conclusie had hem niet bij een oude vriend aan tafel gekregen, had de vragen bij een sollicitatie niet voorkomen en had Hester niet doen terugbellen.
'Ik bedoel niet dat het daardoor minder was.'
'Ik weet niet wat je bedoelt. Dat is juist al heel lang het probleem.'
Amir kwam de tuin in met een snoeischaar en vroeg of ze klaar waren bij het hek. Ruben stapte opzij en bedankte hem voor de rondleiding alsof het gesprek over leveringen was gebleven. Hester liet Amir de plattegrond zien. Ze spraken af dat geen ontvangsttafel in de zijgang kwam. Vanaf de hal moest iedereen de achterdeur kunnen zien of tenminste zonder obstakels bereiken.
Toen Amir weer naar binnen ging, pakte Ruben zijn map van de vensterbank.
'Ik weet dat jij toen niet alles gezegd hebt,' zei hij.
Hester had niet verwacht dat hij het zo eenvoudig zou uitspreken. 'Wat weet je?'
'Dat je iets afschermde. Zodra iemand vroeg waar iedereen was, kreeg je die organisatiestem. Net als nu wanneer je zegt dat iets niet in het draaiboek staat.'
Ze wilde zeggen dat organiseren haar werk was. Dat wist hij. Hij had net een halfuur behulpzaam naast haar gelopen. Het ging hem niet om haar werk.
'Ik heb geen bewijs tegen je,' vervolgde hij. 'Ik heb geen map bijgehouden. Maar je was niet alleen verdrietig. Je was bang dat iemand iets verkeerds zou vragen.'
'Ik ben nog steeds bang voor verkeerde vragen.'
'Dat is in elk geval iets.'
Zij stond tussen de plantenbak en de achterdeur. Hij kon gewoon langs haar. Toch deed ze een stap opzij, alsof hij anders opnieuw om een doorgang moest vragen. Toen trok ze de deur voor hem open.
In de gang kwam Daan hun tegemoet. Hij had een platte tas bij zich met de naam van een muziekwinkel erop. Zijn overhemd zat slordig in zijn broek, en aan zijn sleutelbos hing een geel naamkaartje van een school. Hij stopte abrupt genoeg om de tas tegen zijn been te laten tikken.
'Ik zocht Fleur,' zei hij.
'In de foyer,' antwoordde Hester.
Daan keek naar Ruben. 'Hé.'
'Hé.'
Een ontmoeting van twee mannen van vijfenveertig kon precies even onbeholpen blijven als die van twee jongens, alleen hadden de mannen betere schoenen. Hester wachtte op een hand, een vraag naar werk, een willekeurige opening. Daan zette de tas steviger tegen zijn been.
'We liepen net de tuinroute na,' zei Hester. 'Ruben vertelde dat jij op het jaagpad stond die avond.'
Daan trok zijn sleutelbos uit zijn zak en stopte hem weer terug. 'Ik was wel eens buiten. Ik kan niet van elke minuut—'
'Dat vraag ik niet.'
'Zo klinkt het anders.'
Ruben keek niet meer naar hem. 'Ik moet gaan.'
'Vanavond halfacht,' zei Hester.
'Dat stond in de mail.'
Hij knikte tegen Amir, die vanuit de berging een doos droeg, en liep naar de voordeur. Daan bleef wachten tot het geluid van die deur was verdwenen. Daarna vroeg hij of Hester nog een stekkerdoos nodig had voor de kleine geluidsset.
'Daarvoor kwam ik. Fleur zei dat het handig was als iemand even keek.'
'Dan laat ik je de aansluitingen zien.'
Ze deed precies wat ze had aangeboden. Daan testte niets wat niet getest moest worden; hij bekeek alleen waar de set kon staan en vroeg naar het aantal microfoons. Eén, zei Hester. Geen presentaties met muziek onder verhalen, geen verplicht optreden. Hij leek daar opgelucht over. Hij gaf les aan een muziekschool in Vlietdam, vertelde hij. De eerstejaars zongen harder dan de laatstejaars en slechter, wat volgens hem de natuurlijke orde was. Ze herkende zijn droge manier van praten en vroeg waarom hij die niet eerder gebruikt had.
Dat vroeg ze alleen in haar hoofd. Hardop bedankte ze hem en zei dat hij het materiaal in de berging kon leggen. Hij ging direct weg. Geen bezoek aan het kantoor boven, geen herinneringen bij de oude foto's. Zijn tas was lichter toen hij de deur uitging.
Aan het eind van de middag haalde Hester haar reistas uit de auto. Haar tijdelijke studio in de Nieuwstraat lag op zeven minuten lopen van De Werf, op de begane grond achter een gewone voordeur. Een verhuurder had haar een code gestuurd en een te lange instructie over de afvalbakken. Ze had de week zelf betaald, uit het bedrag dat Fleur voor voorbereiding beschikbaar had gesteld. Ze was niet bij haar moeder gaan slapen en ze had haar moeder daarover ook geen debat aangeboden.
De kamer had een tweepersoonsbed, een kleine keuken en een tafel met twee stoelen. Op een richel stond een kunstplant die geen daglicht nodig had. Ze hing haar jas op en belde in Rotterdam terug over de tafelrokken. Het probleem was opgelost. Vervolgens kocht ze in de supermarkt brood, yoghurt en een fles afwasmiddel omdat ze op het aanrecht alleen een uitgedroogd stukje zeep had gevonden.
Toen ze terugkwam, zag ze dat haar moeder een bericht had gestuurd. Ze kon altijd logeren, er waren schone lakens. Hester antwoordde: Dank je, ik zit al goed. Geen verontschuldiging. Ze legde de telefoon op de tafel en pakte de aantekeningen van de achterroute erbij. Naast Daan op jaagpad zette ze geen vinkje. Ze schreef: Ruben zegt dit. Daan niet bevestigd. Dat onderscheid kostte nauwelijks papier. Ze had het veel eerder moeten maken.