Hoofdstuk 15 · 9 minuten lezen
Daan aan de overkant
Daan vroeg of ze bij de fietsenstalling achter de muziekschool kon komen. Hij moest om vier uur beginnen met een groep die voor het eerst samen speelde. Hester vroeg waarom hij niet binnen wilde afspreken. Hij antwoordde dat daar overal leerlingen rondliepen en dat hij hun namen nog niet eens kende. Het was een goede reden, vond ze, totdat ze hem buiten zag wachten met zijn gezicht naar het water.
Hij had een papieren tas bij zich. Daarin zat een broodje dat hij onderweg had gekocht. Hij bood haar de helft aan. Ze zei dat ze had gegeten, al was haar lunch beperkt gebleven tot twee beschuitjes uit Fleurs voorraadkast.
'Ik heb Ellen gebeld,' zei hij.
Hester bleef naast haar fiets staan. 'Echt?'
'Ik kreeg haar niet meteen. Ik heb mijn nummer achtergelaten. Ik wil je eerst zeggen wat ik ga vertellen, omdat ik het gisteren erger heb gemaakt.'
Ze wilde vragen of Robin dit wist. Ze hield zich in. Het gesprek was begonnen met wat hij zelf wilde doen. Ze kon hem vragen daarna rechtstreeks met Robin contact op te nemen, maar niet ieder woord alvast voor haar innen.
Daan legde de tas op de bagagedrager van zijn fiets. 'Ik zag Ruben het pad op komen. Die avond. Van de poort bij De Werf. Niet alleen ergens in de buurt. Hij kwam uit de tuin en ging naar rechts, langs het water.'
'Waar stond jij?'
'Verderop. Bij het bankje dat er toen stond. Er staat nu zo'n kast voor glasvezel. Ik rookte. Brecht vond het vies, dus deed ik het buiten.'
'En je hebt hem aangesproken?'
'Nee. Hij keek niet naar mij. Ik dacht dat hij gelukkig oprotte.'
Hester hoorde het lelijke woord en herkende voor het eerst iets dat niet was bijgeschaafd. Ruben had ruzie met Brecht gehad, daar hadden ze het dinsdag over gehad. Daan had Brecht willen verdedigen en Ruben niet gemogen. Dat hij hem liet lopen, was een keuze geweest waar hij toen tevreden mee kon zijn.
'Wist je toen al waarover ze ruzie hadden?'
'Ik had stukken gehoord. Hij vond dat ze hem iets had beloofd over een klus. Zij vond dat hij niet luisterde. Het ging niet over je moeder.'
Hester keek naar de glazen schooldeur. Aan de binnenkant hing een vel met lestijden, handgeschreven correcties naast een uitgevallen middag. Ze dacht aan Brecht die weg wilde, met te weinig geld en te veel mensen die iets van haar verwachtten. Niet elke botsing in haar laatste week hoefde tot één ruzie te worden teruggebracht.
Daan nam zijn telefoon uit zijn jaszak en legde hem op de tas. 'Daarna ging ik weer naar het hek. Ik wilde niet meteen naar binnen. Ik was kwaad, ik wilde dat ze me zou zoeken. Daar schaam ik me meer voor dan voor dat roken.'
'Hoorde je iets?'
'Niet duidelijk. Ik weet dat Ruben later terugkwam. Toen was er binnen geschreeuw. Maar of ik een klap heb gehoord of pas een stem, dat kan ik niet eerlijk meer uit elkaar halen.'
Hester dacht aan zijn antwoord dinsdag, dat hij niets zeker wist. Deze keer benoemde hij iets dat hij wel wist en liet de rest ongemoeid. Ze vroeg of hij zich een tijd herinnerde. Hij schudde meteen zijn hoofd.
'Ik droeg een horloge. Dat is niet hetzelfde als erop gekeken hebben. De les begint hier op een vaste tijd, maar dat deed die avond niet.'
Ze was blij dat hij haar vraag niet beloonde. Alles in haar wilde minuten verzamelen, een heldere lijn van het hek naar de trap, van Ruben naar de plek waar hij niet was geweest. De foto van Tessa had even de verleiding geboden dat ze de hele avond kon terugbouwen. Maar een buitenopname gaf geen seconde cadeau die er niet in zat.
'Waarom heb je het niet gezegd?' vroeg ze.
Daan tilde zijn tas op toen een jongen zijn fiets naast de zijne zette. Hij groette de jongen bij zijn achternaam en corrigeerde zichzelf met diens voornaam. Ze wachtten totdat de schooldeur dichtviel.
'Ik heb gezegd dat hij weg was geweest,' antwoordde Daan. 'Maar niet helder. Ik heb het laten klinken alsof het ook na de val kon zijn geweest. Niemand bleef er toen op doorvragen, voor zover ik weet. Later vertelde ik mezelf dat ze het wel opgeschreven zouden hebben.'
'Dat kon je toch nakijken? Of vragen?'
'Ja.'
Hij trok de papieren tas open. Het broodje zat nog in een tweede servet. Hij vouwde beide lagen terug, keek ernaar en vouwde ze weer dicht.
'Ik wilde dat hij iets verloor,' zei hij. 'Brecht was dood. Robin was bij Else. Er stonden mensen maaltijden te maken en briefjes in mijn bus te doen, en niemand kon me zeggen wat ik nu moest. Ruben kon naar zijn werk. Dat vond ik onverdraaglijk.'
'Je wist niet wat hij verloor.'
'Nee. Ik heb het ook niet gevraagd.'
Hester zette haar fiets tegen het rek. Ze dacht aan de maanden waarin ze zelf nauwelijks had kunnen verdragen dat Ruben iets anders wilde dan bij haar op de bank zitten alsof alles weer gewoon kon worden. Zijn boosheid had zij gelezen als gevaar. Zijn vertrek was een bevestiging geworden van iets wat ze al niet had willen onderzoeken.
'Ik wil niet dat je dit tegen mij zegt omdat ik je makkelijker kan vergeven,' zei ze.
'Dat zou ik wel willen,' antwoordde Daan. 'Makkelijk. Maar daarvoor ken ik je te goed.'
Ze moest ondanks zichzelf lachen. Hij keek op en glimlachte even, zonder er meer van te maken. Daarna vroeg hij of Robin bereikbaar was. Ze werkte, zei Hester. Hij kon haar een bericht sturen en vragen wanneer ze tijd had. Geen lang verslag dat zij tussen zware panelen door moest lezen.
Daan typte. Hester keek weg, naar twee duiven die onder het bankje naar brood zochten. Ze liet de afstand bestaan. Toen zijn telefoon ging, stopte hij midden in een zin en nam op. Hij zei zijn naam, luisterde en keek naar Hester.
'Ja,' zei hij. 'Ik kan morgen na half twee. Maar als het vandaag moet, regel ik vervanging.'
Daan vroeg of hij ook een kort bericht over de route moest sturen. Daarna zei hij dat hij het begreep en dat hij zelf zou komen. Hester keek naar zijn hand op de papieren tas. Ze vond het bijna pijnlijk hoe gewoon een afspraak met de politie kon klinken.
Toen hij had opgehangen, zei hij dat hij donderdag zou worden gesproken. Hij moest opschrijven wat hij zich herinnerde en onderscheid maken tussen wat hij wist en wat hij later had gehoord. Hester knikte. Ze wilde geen leesversie van zijn notities.
'Loop je nog even mee?' vroeg hij. 'Tot het einde van de straat. Dan kan ik dat broodje eten en jij hoeft niet op mij te letten.'
Ze liepen langs de gevel van de muziekschool. Uit een open raam klonk een ladder van losse tonen, steeds terug naar dezelfde fout. Daan wachtte met eten tot ze de hoek om waren. Hester vroeg of hij graag lesgaf. Hij keek verbaasd, alsof zijn werk deze week alleen had bestaan om zijn afspraken moeilijk te maken.
'Meestal wel. Vandaag verwacht ik vier klarinetten en een meisje dat denkt dat ze met een saxofoon is ingeschreven. Haar vader heeft dat geregeld.'
'Dat kan tegenvallen.'
'Voor die vader zeker.'
Hij vertelde over een volwassen leerling die sinds zijn pensioen trompet speelde en elke les een ander instrument uit de koffer probeerde te halen omdat hij thuis de koffers van zijn kleinkinderen verwisselde. Hester lachte echt. Daan veegde een kruimel van zijn trui. Het verhaal maakte hem niet beter of onschuldiger, maar het gaf hem weer een gewone werkdag, iets wat Hester de laatste dagen bij iedereen was vergeten te zien.
Bij de hoek bleef hij staan. 'Ik heb Else er ook mee belast. Eerst net genoeg zeggen om haar ongerust te maken, dan weer terugkrabbelen. Zij moest me bijna helpen om iets over haar eigen dochter te vertellen.'
'Dat weet ze.'
'Dat maakt het niet beter.'
'Nee.'
Zijn telefoon trilde. Hij keek op het scherm en gaf het daarna niet aan Hester. 'Robin wil vanavond tien minuten bellen. Dat kan.' Hij typte een antwoord. Hester zag zijn duim even boven het scherm hangen voordat hij de telefoon wegborg.
'Ik moet terug,' zei hij.
Ze liep met hem mee naar haar fiets. Hij gooide de lege tas in de afvalbak, miste en raapte hem op. Bij de schooldeur draaide hij zich nog eenmaal om.
'Ik ga Ruben zelf vragen of hij mijn verklaring wil horen. Geen excuses aan hem via jou.'
'Goed.'
'En jij hoeft dat ook niet voor mij makkelijker te maken.'
Toen hij binnen was, stond Hester nog een minuut bij het rek. Ze had hem willen vertellen dat ze haar alibi tegenover iedereen zou corrigeren, maar had het ingeslikt. Zijn stap verdiende geen tegenprestatie waar hij onmiddellijk getuige van moest worden.
Ze reed niet direct naar De Werf. Bij het water stapte ze af. Het pad liep achter de huizen door, met aan de ene kant lage schuttingen en aan de andere kant een rij palen waar ooit bootjes aan hadden gelegen. Vanaf hier was het hek van De Werf zichtbaar wanneer ze haar hoofd iets opzij hield.
Ze keek waar het hek uitkwam en hoe de achtertuin door de schutting aan het zicht werd onttrokken. Vervolgens belde ze Ruben.
'Ik heb met Daan gesproken,' zei ze toen hij opnam. 'Hij wil zelf contact met je opnemen.'
'Waarover?'
'Wat hij toen buiten zag. Hij heeft een afspraak om het aan de politie te vertellen.'
Aan de andere kant hoorde ze een printer aanslaan. Ruben vroeg of ze hem nu belde om te zeggen dat hij Daan aardig moest ontvangen. Ze zei dat dat niet haar bedoeling was, en merkte terwijl ze sprak dat ze graag zou hebben gewild dat het gesprek rustig verliep.
'Ik wilde je niet laten overvallen,' zei ze. 'Meer kan ik er niet van maken.'
'Goed. Laat hem dan zelf bellen.'
Hij moest een overleg in. Ze wenste hem succes en kreeg een kort dankjewel terug. Na het gesprek tikte ze geen bericht ter verduidelijking. Haar scherm bleef leeg totdat Fleur haar belde.
'Waar ben je?' vroeg Fleur.
'Bij het pad. Wat is er?'
'Kom even naar de voorkant. Er hangt hier iets op de deur.'
Hester keerde haar fiets. Ze kon in twee minuten achterom op de binnenplaats staan, maar Fleur had de voorkant gezegd. Ze koos de straat. Bij de hoek zag ze al dat de glazen deur niet langer alleen openingstijden en een vers gedrukt programma droeg. Een wit vel hing over de flyer heen, met twee brede stroken doorzichtig plakband. Erboven stond in grote letters dat de bijeenkomst niet doorging.