Hoofdstuk 22 · 10 minuten lezen
Wat Ruben niet terugkrijgt
De steekwagen stond achter een krat met de nieuwe glazen. Hester schoof de krat opzij en zag een kapot wiel onder het karretje van de locatie. Ruben zag het ook. Hij vroeg wie dat ding zaterdag zou gebruiken. Zij zei dat het buiten de werkvoorraad ging en pakte een kaart uit het ontvangstboek om eraan te hangen.
'Een duidelijke,' zei hij.
Ze schreef NIET GEBRUIKEN en bond de kaart aan het handvat. Daarna trok ze de wagen naar de berging, apart van het materiaal dat klaarstond. Ruben hoefde haar niet te vertellen hoe ze een defect ding buiten bereik moest houden. Toch was het prettig dat hij ernaar vroeg terwijl er nog geen halve zaal omheen liep.
'Mijn wagen kan tot zondag blijven,' zei hij. 'Ik gebruik hem dit weekend niet.'
'Je kwam hem juist halen.'
'Ik dacht dat hier ook een werkende stond.'
'Dan kom ik hem maandag brengen.'
'Dat zien we maandag wel.'
Hij zette het handvat terug en keek op zijn horloge. Zijn afspraak was vervallen. Een collega moest met een monteur mee en kon pas morgen bellen. Hij had nog een halfuur voordat hij naar zijn moeder ging. Zij hadden donderdag vaak samen gegeten, vertelde hij, sinds zij minder goed alleen kookte.
'Niet omdat ze dat wil toegeven,' zei hij. 'Ze heeft het over eten dat overblijft. Mijn moeder kookt blijkbaar consequent voor drie mensen die niet bestaan.'
'Kan ik daar zondag een beroep op doen?'
'Zij wil namen. En weten of ze een ovenschaal terugkrijgt.'
Hester dacht aan Marjans ingetrokken bijdrage en maakte de grap niet af. Ze vroeg of hij een klein eindje wilde lopen. Ze moest twee ontbrekende kaarten voor de garderobe halen bij de kantoorboekhandel. Ze kon hem ook alleen het adres geven als hij weg wilde.
'Je hoeft niet overal een uitweg bij te leveren,' zei hij.
Ze sloot de locatie af. De gewone sleutels zaten aan een blauwe ring die Hester nu in haar hand hield. De reservesleutel had ze in de kast voor Fleur opgeborgen. Dat zou ze vrijdag nogmaals met de medewerkers nalopen. Ruben wachtte op de stoep. Hij had zijn handen in de zakken van zijn jas en keek naar een man die een hond van het bloemenperk probeerde te overtuigen.
Ze liepen langs de bakker en de busplaats, naar de korte winkelstraat waar de kantoorboekhandel drie jaar eerder kleiner was geworden. Hester wist dat laatste omdat de eigenaar het op het raam had geschreven: alles wat u nodig hebt op minder meters. Ruben bleef even staan om te lezen.
'Een gevaarlijke belofte,' zei hij.
'Vooral als je een tafel nodig hebt.'
In de winkel kocht ze kaarten, een dikke stift en een doosje punaises dat achter de balie vandaan moest komen. De eigenaar herkende haar als de vrouw van De Werf en vroeg of het nu wel of niet doorging. Ze antwoordde dat het programma kleiner werd en dat vrijdag de bevestigde informatie beschikbaar zou zijn. Ze herhaalde niet het woord onbevoegd, want de man vroeg niet naar een onderzoek.
Ruben stond bij een rek met agenda's. Er lag er één met een rivier op de omslag. Hij pakte hem op, zag de prijs en legde hem terug. Bij de kassa betaalde Hester van haar zakelijke rekening en vroeg een bon. De eigenaar maakte er een zorgvuldig glad strookje van, alsof die handeling zijn bijdrage aan de bijeenkomst kon zijn.
Buiten vroeg Ruben of ze het vervelend vond dat iedereen haar aansprak. Ze zei dat dit bij het werk hoorde, al werd de verhouding tussen organiseren en uitleggen steeds vreemder. Hij knikte. Hij had op zijn huidige werk ooit een planning overgenomen waarvan iedereen dacht dat hij de fouten zelf had bedacht. Het had maanden geduurd voordat mensen vroegen waar een afspraak vandaan kwam, in plaats van hem ermee om zijn oren te slaan.
'En je bleef daar?' vroeg ze.
'Ja. Dat is het verschil met toen.'
Bij een bankje op het plein bleef Hester staan om de kaarten uit de verpakking te halen. Het doosje paste niet in haar tas en ze wilde het niet helemaal mee terug dragen. Ze legde de stift ernaast en zag dat Ruben naar haar handen keek.
'Ik heb Daan gesproken,' zei hij.
Ze hield op met peuteren aan het plastic. 'Wil je vertellen hoe het ging?'
'Niet aardig. Wel nuttig. Hij gaf geen reden waarom hij nu geloofwaardig zou zijn. Dat scheelde.'
Hester trok het plastic los. 'Hij zei mij dat hij wil vertellen wat hij zelf zag.'
'Dat heeft hij ook gezegd. En dat hij me iets wilde laten verliezen. Hij wist toen niet eens wat.'
Ruben keek naar het plein. Een bezorger reed langzaam tussen de mensen door en zette zijn fiets tegen de bank naast hen, zonder te vragen of ze er last van hadden. Hester schoof haar tas naar haar voeten. Ze wilde een vraag stellen over het verlies, maar hij begon zelf.
'Mijn vader heeft me destijds gevraagd of ik niets meer wist dan ik vertelde. Niet een keer. Hij bleef vragen of ik wel zeker wist dat ik niet terug naar boven was gegaan. Hij dacht dat hij me hielp. Dat ik iets kwijt moest. Op het laatst zei ik alleen nog dat ik er klaar mee was.'
'Wanneer?'
'Een halfjaar later. Hij had een knipsel bewaard. Ik vond het in zijn bureau toen hij zijn huis kleiner maakte. Hij had er mijn naam onder gezet, alsof het anders een los ongeluk was.'
Hester wist dat Rubens vader nog leefde. Ze wilde hem niet laten eindigen als een man die zijn zoon nooit meer had geloofd als dat niet waar was. Ze vroeg of ze het later hadden besproken.
'Een keer. Hij zei dat hij wilde weten hoe hij zich moest verdedigen als mensen iets vroegen. Ik zei dat hij mij niet hoefde te verdedigen, maar naar me moest luisteren. Een prachtgesprek voor de kerst.'
Hester keek naar de stift. Ze had hem op schoot gelegd met de dop half los. Ze drukte de dop dicht voordat hij haar broek bevlekte.
'Mijn moeder heeft toen aan mensen verteld dat je opvliegend was,' zei ze. 'Ik heb daar niets tegen gedaan.'
'Dat weet ik.'
'Ik wilde het toch zeggen.'
'Dat mag. Maar je hoeft niet alles van je moeder op te nemen in jouw lijst. Dan blijf je nog steeds degene die voor haar de afhandeling doet.'
Dat was precies het soort zin dat hij niet achteloos kon zeggen, maar hij keek er niet belangrijk bij. Hij trok zijn mouw naar beneden omdat de wind op zijn pols kwam. Hester liet de zin bestaan.
Hij vertelde dat hij na hun breuk een baan in een andere stad had aangenomen. Niet helemaal vanwege Vlietdam, al had hij het vroeger graag zo verteld. De baan betaalde beter. Hij kon er een opleiding naast doen. Hij had vrienden gemaakt die nooit bij De Werf waren geweest en met wie hij over niets bijzonders kon eten.
'Je hebt dus ook een leven gehad,' zei Hester.
'Vooral een leven. Niet alleen een wachtkamer tot jij me terugbelde.'
'Dat dacht ik niet.'
Hij keek haar aan, met een bijna vrolijke strengheid. Ze dacht aan de versie waarin ze zelf de centrale fout was geweest en dus ook de centrale hersteller kon worden. Misschien had ze het toch gedacht, in een onuitgesproken vorm waarin zijn andere jaren minder echt waren.
'Misschien een beetje,' zei ze.
'Dat is eerlijker.'
Een vrouw aan de overkant zwaaide naar Ruben. Hij zwaaide terug en vertelde dat ze vroeger bij dezelfde sportvereniging hadden gezeten. Hij liet de toelichting daarbij. Hester hoefde geen overzicht van de vrouwen die hij in haar afwezigheid had gekend.
Ze stond op om de verpakking in de afvalbak te doen. Toen ze terugliep, schoof Ruben zijn tas opzij zodat ze nog even kon zitten. Het gebaar deed haar onverwacht goed. Ze kon het aannemen zonder te vragen wat het voor later betekende.
'Ik wil niet dat je me vraagt om zondag ergens vooraan te staan,' zei hij. 'Niet omdat mijn naam op de lijst van zeven staat. Als ik kom, kies ik zelf waar ik ga zitten. Als ik niet kom, klopt het programma nog steeds.'
'Dat heb ik vanmiddag ook zo tegen Robin gezegd.'
'Dan hoef je het alleen nog te doen.'
Hester knikte. Zij wist hoe vaak een voornemen in haar vak verdween zodra er een fotograaf kwam en iemand riep dat het anders geen mooi beeld gaf. Deze keer zou het lege stukje beeld het probleem van de fotograaf zijn.
'En maandag?' vroeg ze.
'Wat is er maandag?'
'De steekwagen.'
Hij lachte. Ze was blij dat hij het toeliet. Hij zei dat hij maandagmiddag thuis kon zijn, maar er niet speciaal tijd voor zou vrijhouden. Ze kon de steekwagen in de schuur zetten; over de sleutel zouden ze nog appen.
'Dan stuur ik zondag een bericht,' zei ze.
'Goed.'
Zijn telefoon ging. Zijn moeder wilde weten of hij aardappels kon meenemen. Hester hoorde haar stem uit het toestel. Ruben zei dat hij onderweg langs de winkel kwam. Daarna vroeg hij of ze niet zelf al een zak had staan, want vorige week hadden ze het er ook over gehad. Ze had aardappels, zei hij na het ophangen, maar de verkeerde.
'Bestaan die?'
'Vandaag blijkbaar wel.'
Ze liepen terug naar De Werf. Bij de ingang keek Hester eerst naar de nieuwe flyer, voordat ze de sleutel in het slot stak. Er hing niets overheen. Ze merkte hoe snel de papieren afgelasting haar gewone kijken had veranderd. Ruben stond naast haar en wachtte zonder te vragen wat ze zocht.
Binnen legde ze de kaarten en stift in een bak. Ruben liep nog een keer naar de hal om te controleren of de geleende steekwagen buiten de looproute stond. Hij vond een clipje in de bak van de wagen en bracht het naar de tafel. 'Eindelijk alles op één plek,' zei hij.
Bij de deur draaide hij zich naar haar toe. 'Wat ga je doen als je moeder blijft ontkennen dat er iets niet klopte?'
Hester keek naar de rand van het nieuwe papier op de balie. 'Dan kan ik haar niet dwingen. Ik kan wel stoppen mijn eigen verklaring aan te passen om het bij de hare te laten passen.'
'Dat vroeg ik niet helemaal.'
'Nee. De rest weet ik nog niet.'
Hij knikte. Ze dacht even dat hij haar zou aanraken. Misschien bewoog ze zelf een stukje naar voren, misschien stond ze slechts in de doorgang. Hij pakte de deurklink en hield die voor hen beiden open. Er was geen gemist moment dat zij alsnog moest redden.
Buiten wenste hij haar een goede avond bij Merel. Ze had niet verteld wat zij daarvan verwachtte, dus hij voegde er geen succes aan toe. Hij liep naar zijn auto. Hester bleef kijken tot hij de straat uit reed en ging toen terug naar binnen.
Er lag een bericht van Merel op haar telefoon. Niet eerder komen, er is nog een nabespreking met de vrijwilligers. De deur aan de straat is straks open; niet omlopen naar achteren. Hester antwoordde dat ze om half acht kwam en niets meenam. Ze schrapte de vraag of Merel haar wilde vertellen waarover ze wilde praten.
Ze maakte voor zaterdag twee garderobekaarten en schreef met grote letters de gewone rolverdeling op de achterzijde. Geen enkele kaart was bestemd voor Marjan. Toen stopte ze de stift weg en legde haar eigen jas alvast op de stoel bij de voordeur. Er was nog tijd om te eten voordat ze naar haar zus ging, en voor het eerst die dag zou niemand haar bellen met de vraag of de aardappels de goede waren.