Hoofdstuk 23 · 10 minuten lezen
Merels eigen deur
De deur van de kookruimte stond open, precies zoals Merel had geschreven. Hester ging niet meteen naar binnen. Aan de binnenkant hing een vel met de menu's van komende week. De woensdag was doorgestreept; op donderdag stond er iets bij over peulvruchten. Onder aan het papier was een hoekje afgescheurd, niet netjes genoeg om het als een afscheurstrook te zien. Iemand had waarschijnlijk een telefoonnummer nodig gehad.
In de ruimte stonden vier mensen rond een tafel met bakken eten. Merel droeg een schort met een grote natte plek aan de voorkant. Ze hield een deksel in haar ene hand en een stift in de andere. Toen ze Hester zag, wees ze naar een stoel bij de deur.
'Vijf minuten,' zei ze. 'Liefst zeven.'
Hester ging zitten en stopte haar telefoon weg. Ze had haar tas mee willen nemen naar de keuken, zoals ze altijd deed wanneer ze ergens aankwam. Nu bleef de tas op haar schoot. Er was geen opdracht voor haar. Er was zelfs geen jas die nog een haak nodig had; ze kon hem gewoon aanhouden.
Een man aan tafel wilde de overgebleven porties meenemen naar zijn buurvrouw. Merel vroeg hoeveel mensen daar aten. Hij zei twee en hield drie vingers op. Merel pakte een vierde bak.
'Dan hebben ze morgen ook wat. Maar niet drie dagen in de koelkast laten staan en dan bij mij klagen dat het zuur is.'
De man grinnikte en maakte plaats voor een vrouw die over de planning van volgende week begon. Zij kon niet nog een keer als enige de afwas doen. Een ander zou er maar een halfuur zijn, en dat halve uur telde blijkbaar als helpen. Hester herkende de toon waarin een klein praktisch bezwaar net genoeg geschiedenis kreeg om een groot conflict te worden.
Merel legde het deksel neer. 'Je hebt gelijk dat de afwas niet vanzelf van jou is. Dat stond verkeerd op het schema. Maar we gaan nu niet iemand bespreken die al naar huis is.'
'Ik bespreek haar niet. Ik zeg wat er staat.'
'Dan veranderen we wat er staat. Ik bel haar morgen over haar uren.'
Ze trok het schema naar zich toe en vroeg de vrouw welke dagen ze wel kon blijven. De vrouw noemde er twee. Merel streepte één vak weg, zette een ander terug en vroeg of ze voor die wijziging toestemming had. Het klonk grappig, bijna overdreven formeel. De vrouw lachte en zei dat ze daar vandaag heel graag officieel ja op wilde zeggen.
Hester had willen bijspringen met een netter vel of een schema op haar laptop. Ze zag hoe snel de groep het zelf oploste en schaamde zich voor dat verlangen. Haar zus hoefde niet beter georganiseerd te worden omdat Hester keek.
Toen de laatste porties waren verdeeld, controleerde Merel de koelkast en pakte een krat lege potten. Ze vroeg de man die nog bij de deur stond of hij die naar de glasbak kon brengen. Hij zei dat zijn rug niet goed was. Merel zette de krat terug en pakte een lege kartonnen doos van onder de tafel. Die gaf ze hem om op te vouwen.
'Dat kan ik wel,' zei hij verontwaardigd, alsof ze hem anders iets te kostbaars afnam.
'Daarom vraag ik het.'
Ze spraken af dat de sleutel vrijdag op dezelfde plek bleef. Toen iedereen weg was, stond er nog een pan op het fornuis en lagen drie lepels in de spoelbak.
Merel deed de deur dicht en draaide het slot om. Ze hing de sleutel aan de haak. 'Je hebt dus niets meegebracht.'
'Dat stond in je bericht.'
'Je kunt het wel.'
Hester trok haar jas uit. 'Ik heb onderweg drie winkels overgeslagen. Dat telt als inspanning.'
Merel glimlachte. Ze wees naar een kapstok en schepte twee kommen op. Het eten was nog warm. Ze had zelf nog niet gegeten, zei ze, en ze wilde niet nog langer wachten omdat dit een moeilijk gesprek zou worden. Ze zetten de kommen aan een tafel die aan één kant met afwasbaar zeil was bedekt.
Hester at linzen met tomaat en een stukje brood dat Merel boven een vlam roosterde totdat de randen donker werden. Ze had thuis in de studio iets kunnen eten, maar ze had het niet gedaan. Het leek haar nu een zeldzaam verstandig besluit.
'Het is goed,' zei ze.
'Dat weet ik. Er zit genoeg zout in. De eerste pan was voor mensen die dat niet mogen, deze voor mensen die het anders ergens zelf bij gooien.'
'Ik bedoelde niet alleen het eten.'
'Dat vermoedde ik. Eet toch maar eerst.'
De buurtruimte lag aan een straat met gewone huizen. Door de hoge ramen zag Hester alleen de bovenkant van een tegenoverliggend raam en het licht dat daar aanging. Er was geen uitzicht op water, geen trap waar ze in gedachten andere mensen op moest plaatsen. Het gebouw had niets met De Werf te maken. Ze begreep waarom Merel hier wilde praten.
Op een vensterbank stonden twee door deelnemers beschilderde potten met kruiden erin. De basilicum zag er slecht uit. Hester vroeg of die nog leefde. Merel zei dat een plant hier pas dood mocht heten wanneer drie vrijwilligers het erover eens waren, en dat ze daarvoor meestal een maand langer moesten gieten.
Ze aten een paar minuten zonder over Brecht te beginnen. Hester wilde weten hoe lang Merel al in deze ruimte zat. Het antwoord wist ze ongeveer, en dat ongeveer was gênant. Vijf jaar, zei Merel. Eerst één middag, nu twee middagen en een avond, met een kleine vergoeding die zij kon combineren met ander werk. Bram hielp soms sjouwen, niet bij de inhoud.
'Dat kun jij beter,' zei Hester.
'Dat is niet de reden. Ik wil hier iets wat niet van ons samen is. Hij snapt dat meestal.'
'Meestal?'
'Hij kan heel handig zijn op een manier die een halve middag duurt.'
Hester lachte. Ze dacht aan Ruben die was teruggelopen voor de steekwagen en zei het niet. Haar zus had het niet over een algemeen soort man; ze had het over iemand met wie ze een dagelijks leven had waar Hester bijna alleen de uitslagen van kende.
Merels telefoon ging op het aanrecht. Ze keek op het scherm, liet hem even liggen en nam toen toch op. Hester hoorde Marjans stem niet, maar herkende haar aan Merels eerste antwoord.
'Nee, ik kom morgen niet helpen.'
Een korte pauze.
'Dat heb ik gezegd. Het is niet veranderd omdat Hester hier is.'
Hester brak het laatste stukje brood in tweeën en at één helft.
'Je mag haar zelf bellen als je haar iets wilt vragen,' zei Merel. 'Nee. Niet via mij.'
Ze luisterde weer. Haar schort lag nog om haar middel, de natte plek was inmiddels dof opgedroogd.
'Het vervoer van die spullen moet je zelf regelen. Ik heb ze niet aangeboden. Ik heb ze ook niet beloofd namens jou.'
Toen ze ophing, legde ze de telefoon in een lade en deed die dicht. 'Ze wil dat ik haar dozen breng. Dat ze niet de indruk wil wekken dat ze iets achterhoudt. Dus ik moet ze vervoeren.'
'Je hoeft niet—' begon Hester.
Merel keek haar aan.
'Je hebt al nee gezegd,' verbeterde ze.
'Ja.'
Merel pakte de kommen en zette ze in de spoelbak. Toen Hester opstond om te helpen, zei ze dat twee lepels ook morgen in de machine konden. Ze wilde nu zitten. Ze schoof haar stoel naar het schone deel van de tafel en ging er met haar rug naar de keuken zitten.
Hester ging tegenover haar zitten. Ze vroeg niet of Bram wist dat zij hier was. Dat zou ze vroeger hebben gedaan als een beleefdheid die meteen uitzocht wie al welke informatie had. Merel begon zelf over hem.
'Ik heb hem verteld dat ik vanavond met jou zou praten. Ik heb hem niet alles gezegd. Dat vond hij vervelend. Dat mag.'
Hester hield haar handen om het glas water dat nog op tafel stond. 'Wil je dat ik je daarna naar huis breng?'
'Nee. Ik heb mijn fiets hier. Ik wil zelf weg kunnen.'
'Goed.'
'En ik wil dat je straks niet meteen naar mam gaat.'
Hester keek op. Daar zat iets achter wat niet meer onder werkplanning viel. 'Waarom denk je dat ik dat zou doen?'
'Omdat jij van moeilijke dingen altijd een volgende handeling maakt. Dan kun je tenminste bewegen. Je kunt heel goed woedend dingen regelen.'
Ze had willen zeggen dat Merel haar verkeerd inschatte. In plaats daarvan dacht ze aan het bericht dat ze woensdag had verstuurd zonder haar eerst te bellen. Aan hoe ze Ruben had gewaarschuwd voor Daans telefoontje, alsof zijn reactie ook een onderdeel van haar werk was.
'Ik zal niet naar haar gaan,' zei ze.
'En niet bellen.'
'Ook niet bellen.'
Merel trok aan de knoop van haar schort. Het koord zat vast omdat het nat was geweest. Hester bleef van de knoop af, zelfs toen haar zus de verkeerde lus aantrok. Merel kreeg hem los, vouwde het schort over de stoel en ging weer zitten.
'Ik weet niet of ik het in de goede volgorde vertel,' zei ze.
'Dat hoeft niet.'
'Bij de politie moet het wel ergens op lijken.'
'Dan vragen ze wat ze moeten weten. Ik weet niet hoe dat voor jou gaat.'
Merel streek met haar vingertop langs een kras in het zeil. 'Dat is het eerste verstandige wat je over de politie tegen mij zegt.'
'Ik ben er pas kort mee bezig.'
'Ik langer. Niet met naar de politie gaan. Met denken aan wat er gebeurt als ik dat doe.'
Hester voelde hoe graag ze de komst wilde versnellen van wat Merel nu in woorden omcirkelde. Ze wilde weten of haar zus iets zou toegeven, of iets over een ander ging vertellen, of haar eigen grote angst nog een grond had. Ze mocht die angst niet als vraag op Merel leggen.
'Ik kan luisteren,' zei ze. Het klonk te fraai. 'Ik kan proberen mijn mond te houden, bedoel ik.'
Merel keek naar haar, en deze keer lachte ze niet. Ze haalde een papieren servet van de tafel en rolde het op. Daarna legde ze het plat, ongebruikt.
'Jij zei altijd dat wij samen in die keuken waren. Ook tegen mij. Niet de hele zin, maar dat wij daar zaten en mam boven was en dat het vreselijk was. Je maakte er een plek van waar ik in terug moest stappen.'
'Ik weet het.'
'Nee. Dat wist je gisteren niet. Gisteren was jouw leugen van jou. Dat was het ook. Maar je legde hem jarenlang bij mij neer om hem samen te dragen.'
Hester keek naar de kruiden op de vensterbank. De dode of nog niet dode basilicum stond in een pot met gele stippen. Ze kon haar zus nu een precieze uitleg geven van hoe ze ertoe was gekomen. Dat was wat ze altijd had gedaan wanneer de gevolgen niet meer bij de bedoeling pasten.
'Dat heb ik gedaan,' zei ze.
'Ik heb er ook gebruik van gemaakt. Ik liet jou antwoorden als mensen vroegen waar ik was. Dat was makkelijker. Later werd het iets wat wij zogenaamd voor elkaar deden.'
'Je hoeft het niet gelijk te verdelen.'
'Dat bepaal jij dus weer.'
Hester sloot haar mond. Ze knikte niet meteen, omdat zelfs dat een soort toestemming kon lijken. Merel was niet bezig haar vrij te spreken. Ze zocht naar een plaats in haar eigen verhaal die Hester niet alvast had bezet.
Van buiten klonk iemand die de straat overstak en een fietsbel gebruikte als groet. Merel wachtte tot het geluid weg was. Ze keek naar de deur en naar de sleutel aan de haak. Toen trok ze haar stoel iets dichter bij de tafel.
'Ik wil dat je me eerst helemaal laat vertellen,' zei ze. 'Ook als je denkt dat je weet wat ik bedoel.'
'Ja.'
'En als ik iets niet weet, vraag je me niet wat ik waarschijnlijk denk.'
'Dat doe ik niet.'
Merel liet haar blik zakken naar haar handen en keek toen weer op. Hester schoof haar glas opzij, zodat er niets stond waar zij achter kon verdwijnen. Ze dacht nog één keer aan haar telefoon in de tas, aan alle mensen die nu niets van deze tafel wisten. Toen liet ze de tas staan waar hij stond en wachtte op haar zus.