Hoofdstuk 1 · 10 minuten lezen
Een stoel te veel
De stapel klapstoelen stond voor de achteruitgang. Hester legde haar tas op de onderste trede van het podium, pakte de bovenste stoel en zette hem tegen de wand. Nog voordat ze haar jas had uitgedaan, had ze er zes verplaatst.
'Die hoeven pas zondag weg,' zei Fleur achter haar.
'Dan doen we alsof het alvast zondag is.'
Fleur lachte, een korte heldere lach waarmee ze vroeger ook een mislukte subsidieaanvraag had kunnen laten klinken als een nuttig leermoment. Ze droeg een donkergroene broek en witte sportschoenen zonder een spoor van de modder die buiten voor de deur lag. Hester had haar vijf jaar niet gezien. Op de foto's bij haar berichten over de stichting keek Fleur altijd iets schuin langs de camera, naar een toekomst die kennelijk net buiten beeld stond.
'Welkom terug,' zei ze.
Hester zette de laatste stoel neer. 'Laat eerst maar even zien waar de meterkast zit.'
Dat bleek een prettig begin. Een meterkast kon ongeordend zijn zonder dat iemand er een opvatting over haar jeugd aan verbond. Fleur liet een kast in de foyer zien, waar een oude zak met feestverlichting achter een brandblusser was gepropt. Hester fotografeerde de groepenlijst en noteerde dat een bevoegd iemand de losse kabels bij de koffiehoek moest bekijken. Ze zou zelf geen stekker ergens insteken om te zien wat er gebeurde. Na twintig jaar evenementen had ze voldoende kleine rampen meegemaakt om geen nieuwsgierigheid te verwarren met een veiligheidscontrole.
De foyer was smaller dan ze zich herinnerde. Dat kwam door de nieuwe balie, zei ze tegen zichzelf. Alles waar vroeger ruimte omheen had gezeten, had inmiddels een bestemming gekregen. Het prikbord was vervangen door een glazen paneel met een zilveren logo: DE WERF. Waar jongeren hun fietshelm en jas op een hoop hadden gegooid, stond een kapstok met genummerde haken. Achter de deur naar de zaal rook het naar geverfd hout en de schoonmaakzeep van gebouwen die maar een paar dagen per week werden gebruikt.
Fleur liep voor haar uit en vertelde over de voorgenomen verkoop. Er was belangstelling van een onderneming die trainingsdagen organiseerde. Geen getekende overeenkomst, wel gesprekken. De stichting mocht op zondag een open dag met een terugkommiddag houden. Een laatste gelegenheid om de geschiedenis van de werkplaats zichtbaar te maken voordat iemand er flip-overs en koffiemachines met bonenreservoirs neerzette.
'Het is geen afscheid van het pand,' voegde Fleur toe. 'Daar zijn we zorgvuldig in. Het is een markering.'
'Hoeveel mensen?'
'We mikken op tachtig, verspreid over de middag. Voormalige deelnemers, buurtbewoners, mensen van de gemeente. Maar geen politici op een podium. Dat heb ik al gezegd.'
'Tachtig tegelijk of tachtig in totaal?'
Fleur keek naar het notitieboek. 'In totaal. Denk ik.'
Hester schreef het vraagteken op. Boven de zaal hing een rij nieuwe lampen. De houten trap stond nog rechts van het podium, met bovenaan de kleine overloop en daarnaast de kantoordeur. Het hekwerk zag er steviger uit dan in haar herinnering. Ze bekeek het niet langer dan nodig was.
'Boven blijft dicht voor publiek,' zei ze.
'Natuurlijk. Jasper gebruikt het kantoor voor de verbouwing. Er staat van alles.'
'Dan wil ik dat ook in het draaiboek. En tijdens de opening iemand die voorkomt dat bezoekers er alsnog een rondje gaan maken.'
Fleur knikte zonder bezwaar. Dat beviel Hester. Ze had deze opdracht niet aangenomen voor oude tijden. Fleur had haar benaderd op haar zakelijke adres, ze hadden een offerte besproken en de aanbetaling was vrijdag binnengekomen. Vier dagen voorbereiding en een zondag aanwezigheid; meerwerk alleen na overleg. Het was een kleine opdracht, maar geen vriendendienst. Haar opdrachtgever in Rotterdam had juist een congres een maand verschoven. Op haar rekening zag een gat er hetzelfde uit, hoe vriendelijk de reden ook was.
Fleur wilde nog weten of ze voor Marjan een moment in het programma moest vrijhouden. Haar moeder had bij eerdere gelegenheden de opening gedaan. Hester vroeg hoe lang zo'n opening gewoonlijk duurde. Fleur keek naar haar schoenen en zei dat vijf minuten een goed streven was.
'Dan is het nu nog geen afspraak,' zei Hester. 'Eerst vaststellen wat voor middag het wordt.'
'Ze heeft wel veel voor deze plek gedaan.'
'Dat ontken ik niet. Maar als jij haar iets toezegt, moet ik het ook kunnen uitvoeren.'
Fleur haalde haar telefoon uit haar zak en veranderde iets in een notitie. Hester wachtte tot ze hem weer had weggestopt. Het was een klein uitstel, maar ze wilde niet al op het eerste uur een deel van het programma erven dat niemand hardop had vastgesteld.
Ze gingen door de zijgang. De keuken lag nog op dezelfde plaats, met een groter fornuis en een afwasmachine waar vroeger een afwasteil had gestaan. Verderop kwam de gang langs de berging bij de achterdeur uit. In de tuin lagen twee houten plantenbakken en een rol bouwfolie. Achter de bakken stond het lage hek naar het jaagpad. Het water was vanaf hier niet te zien, alleen de toppen van een rij wilgen. Hester controleerde of de achterdeur van binnen zonder sleutel openging en trok hem vervolgens weer dicht.
'Hoe vaak gebruiken jullie dat hek?' vroeg ze.
'Nauwelijks. Het klemt een beetje.'
'Dan wordt het geen bezoekersroute. De tuin kunnen we wel gebruiken, als dit materiaal weg is.' Ze wees op de folie. 'Wie doet dat?'
'Jasper. Hij komt zo.'
Op haar telefoon stond een bericht van een leverancier uit Rotterdam over een verkeerd aantal tafelrokken. Hester beantwoordde het terwijl Fleur de deur openhield. Zestien, geen zes. Ze kende de man goed genoeg om het probleem met één zin en een foto van de bestelling te verhelpen. Toen ze haar telefoon terugstopte, keek Fleur haar aan alsof ze op iets wachtte.
'Wat?'
'Je bent gewoon meteen aan het werk.'
'Je hebt me toch daarvoor gebeld?'
'Ja. Zeker.' Fleur trok haar vest recht. 'Ik vind het alleen fijn dat jij het doet.'
Dat was het moment waarop Hester normaal een grapje had gemaakt. Iets over haar tarief of over het verschil tussen een fijn gevoel en een betaalde factuur. Nu bleef ze bij de vraag waar de cateraar zijn kratten kon afleveren. Ze had zich onderweg voorgenomen niet meteen mee te bewegen wanneer iemand over vroeger begon.
In de zaal stond een rechthoekige tafel met zeven mappen. Op de kaften zat een sticker van de stichting. Zeven witte bekers waren ondersteboven op een dienblad gezet. Fleur had de planning van vanavond al klaargelegd: om halfacht met de oude groep bespreken wie wat kon bijdragen. De anderen wisten dat Hester de productie deed. Ze hadden allemaal ja gezegd, zelfs Ruben, hoewel Fleur dat laatste met een onnadrukkelijke stem zei die juist haar opluchting verried.
'Ik kom bij die bespreking als coördinator,' zei Hester. 'Als jullie iets anders nodig hebben, moeten we daar apart over praten.'
'Het is vooral praktisch. Foto's, oude affiches, wie er zondag is. Geen kringgesprek.'
'Mooi.'
Naast de mappen lag een dikke crèmekleurige envelop. Haar naam stond erop, met haar zakelijke postadres in Rotterdam, maar zonder postzegel. De flap was niet dichtgeplakt.
'Die werd vanmorgen afgegeven,' zei Fleur. 'Voor jou, dacht ik. Er zitten uitnodigingen in.'
'Van wie?'
'Er stond niemand meer toen ik kwam. Misschien een van de vrijwilligers. Ik dacht dat het bij jouw drukwerk hoorde.'
Hester keek naar het tafelblad. Voor de opdracht had ze alleen digitaal drukwerk besteld, en dat moest nog worden goedgekeurd. Ze schoof haar duim onder de flap. Het papier was zwaar genoeg om duur aan te voelen zonder het te zijn: het soort dat je per tien vellen bij een kantoorwinkel kocht. Acht kleinere enveloppen, elk met een naam. Geen adressen. Hester Koster. Merel Koster. Ruben Smit. Jasper de Vries. Tessa van Loon. Daan Vos. Fleur Ruiter.
Ze legde de zevende neer. Onderop lag Brecht Boon.
Fleur stopte met het verschuiven van een map. Hester keek nogmaals, nu naar de tweede regel, alsof een ander iemand met dezelfde naam zich kon hebben aangemeld voor een tentoonstelling. Er stond alleen Brecht Boon, in hetzelfde zwarte lettertype als de rest.
'Is dit van jou?' vroeg ze.
'Nee.'
'Ook niet via iemand van de stichting?'
'Niet dat ik weet.'
Hester opende de envelop die voor haarzelf bestemd was. Binnenin zat een uitnodiging voor zondag zevenentwintig september, twee uur, De Werf in Vlietdam. Geen logo. De tekst beloofde geen programma, alleen een bijeenkomst van de zeven voormalige vrijwilligers. Onderaan stond: Ook wie ontbreekt, heeft een plaats. Los daarvan lag een smalle kaart met één vraag.
Wie houdt haar plaats vrij?
Ze liet de kaart aan Fleur zien. Fleur trok haar hand terug zonder het papier aan te raken.
'Wat een rotstreek.'
'Wacht even.' Hester draaide de uitnodiging om. Geen naam van een drukker, geen handgeschreven toevoeging. 'Misschien moet iemand ons iets vertellen.'
'Op deze manier?'
Dat was een goede vraag. Hester legde de kaart met de bedrukte kant naar beneden. In haar hoofd kwam de oude zaal terug, maar ze stuurde haar aandacht naar de tafel: zeven mappen, acht enveloppen, haar telefoon naast het notitieboek. Ze hoefde niet midden op een maandagochtend te beslissen wat deze afzender van haar mocht krijgen.
'Heb jij die achtste ook opengemaakt?' vroeg Fleur.
'Nog niet.'
'Dat kan toch niet serieus bedoeld zijn.'
Hester tilde de flap op. De uitnodiging voor Brecht was gelijk aan de hare. Dezelfde datum, dezelfde aanvangstijd. Het verschil zat alleen in de naam op de envelop. Ze schoof het vel terug en merkte dat ze haar vingers zo plat mogelijk hield om het niet te kreuken.
Tweeëntwintig jaar geleden hadden ze ook papieren uitgedeeld in deze zaal. Affiches voor een benefietavond, bij de kopieerwinkel geleend papier, in de keuken een fles wijn die niemand had mogen openmaken. Het was geen herinnering waar ze hier voor het eerst mee werd overvallen. Ze had er thuis aan gedacht toen de offerte binnenkwam. Onderweg had ze uitgerekend dat Brecht nu vierenveertig zou zijn geweest. Dat die gedachte zich liet uitrekenen, had haar geholpen tot ze hier de envelop zag.
'Ik bel de andere bestuursleden,' zei Fleur.
'Vraag eerst of iemand dit geregeld heeft. Stuur niet meteen die foto rond.'
'Ik weet heus hoe ik discreet moet zijn.'
Hester keek op. Fleur kreeg een kleur. Ze stonden tegenover elkaar met het ongemak van mensen die gewend waren dat hun oude taakverdeling vanzelf terugkwam. Fleur regelde de onderlinge verhoudingen; Hester zorgde dat de tafels klaarstonden. Dat was in het heden een redelijke verdeling, tot iemand aannam dat het ook voor de rest gold.
'Doe maar,' zei Hester. 'Ik heb alleen liever eerst een antwoord dan twintig mensen die ernaar gaan raden.'
Fleur liep met haar telefoon naar de foyer. Hester pakte haar eigen envelop en de achtste, stopte de overige zes terug en noteerde het tijdstip waarop ze het pakket had geopend. Vervolgens noteerde ze dat het geen onderdeel van haar productie was. Het zag er kinderachtig zakelijk uit. Toch liet ze de zin staan.
Door de open deur zag ze Fleur met één hand over haar oor bellen. Buiten remde een bestelwagen. Ze hoorde de laadklep omlaagklappen en de stem van een man die iets vroeg over een sleutel. Het gebouw werd weer een plek waar werk moest worden gedaan.
Hester nam een stoel van de stapel die ze bij de achteruitgang had weggehaald en zette hem bij de tafel. Hij paste niet bij de zeven andere: een blauwe zitting, een scheef rubber dopje onder een poot. Toen ze besefte wat ze deed, liet ze de rugleuning los. Ze had geen zin om voor een onbekende afzender een symbool op te voeren.
Ze zette de stoel aan de wand, naast de andere. De envelop voor Brecht legde ze boven op haar notitieboek en schoof de map met het programma eroverheen. Niet weg. Even uit de loop.
Daarna liep ze naar de foyer om de man met de bestelwagen binnen te laten. Ze had nog altijd een betaalde opdracht, een aflevering die niet in haar draaiboek stond en een vraag waarop Fleur zo meteen misschien een heel gewoon antwoord had. Aan de voordeur stak ze haar hand uit naar Jasper. Hij keek langs haar schouder de zaal in en zei dat er iets verkeerds met de uitnodigingen was gegaan.
'Dat was snel,' zei Hester. 'Wie heeft het je verteld?'