Hoofdstuk 20 · 10 minuten lezen
De lat die loszat
Jasper legde zijn jas niet over een stoel. Hij vouwde hem op zijn schoot toen hij ging zitten. De manchetten staken uit als twee handen die nog iets wilden doen. Hester zette haar telefoon naast haar, met het scherm omlaag.
'Ik neem niets op,' zei ze, omdat hij ernaar keek.
'Dat vroeg ik niet.'
'Je keek.'
'Dat doe jij ook de hele tijd.'
Hij had gelijk. Ze ging anders zitten zodat ze hem niet vanaf de korte kant van de tafel aankeek. Uit de foyer kwam het geluid van Fleur die een stoel over de vloer trok. De gewone deur stond open. Jasper keek nogmaals naar die opening en vroeg of Fleur hier iets van moest horen.
'Dat beslis je zelf. Maar als je iets over toen wilt vertellen, moet je dat rechtstreeks bij de politie doen.'
'Ik moet eerst weten of jij gelooft dat ik het niet heb gedaan.'
'Ik kan je vooraf geen uitkomst geven.'
Hij trok de jas van zijn schoot en legde hem alsnog op de stoel naast zich. Zijn telefoon ging. Hij keek niet, maar zette het geluid uit. Hester dacht aan zijn facturen, aan het diploma van zijn dochter, aan de gewone aandacht die iemand zelfs op een rampzalige dag van hem zou vragen. Ze moest oppassen dat die gedachten niet vanzelf een verzachtende uitleg werden.
'Ik stond onderaan toen ik je moeder zag,' zei hij. 'Niet helemaal beneden, bedoel ik. Ik was bij de trap. Zij was boven, op de overloop. Brecht lag al beneden.'
Hester keek niet naar de trap. Als ze nu de ruimte ging gebruiken als plaatje, zou ze hem misschien helpen met een volgorde die hij zelf moest geven.
'Je hebt de val niet gezien,' zei ze.
'Nee. Dat heb ik gisteren ook gezegd.'
'Dan houd ik dat zo.'
Hij nam adem door zijn neus. 'Er lag een decorstuk waar de mensen langs moesten. Een laag ding. Geen hele wand. Je moeder zei dat het weg moest, dat de mensen van de ambulance er anders niet bij konden. Ik heb het naar de kant gezet.'
'Was er toen al gebeld?'
Hij sloeg zijn blik neer. 'Dat dacht ik. Of dat wilde ik denken. Ik weet dat ze daarna nog vroeg wie er belde. Het ging niet meteen.'
Hester keek naar haar telefoon. Niet naar de klok, maar naar de mogelijkheid om iemand te laten luisteren die hier beter mee om kon gaan. Ze liet het toestel liggen. Jasper was nog aan het spreken.
'Ze kwam naar beneden,' zei hij. 'Ik zag haar naast Brecht staan. Toen wees ze dat decorstuk aan. Ze keek naar mij. Ik dacht dat ik iets moest doen om niet degene te zijn die niets deed.'
'Je moeder zei dat Brecht gestruikeld was. Dat ding moest weg. Ze zei dat ik niet als een paal moest blijven staan, want iedereen keek naar mij. Ik had die balustrade losgemaakt. Ik was bang dat ze gelijk had dat het allemaal door mij kwam.'
'Zag je dat Brecht over dat stuk was gevallen?'
'Nee. Ze lag er niet half onder of zo. Ik weet niet meer precies hoe ver het van haar af lag. Ik heb het verplaatst. Dat is het punt.'
Ze dacht aan de hal met mensen die opzij moesten. Een voorwerp was verplaatst voordat hulp arriveerde. Dat kon zinvol zijn geweest of bedoeld om iets uit het zicht te nemen. Zij kon van die twee mogelijkheden niet kiezen doordat Jasper zijn jas steeds opnieuw gladstreek.
'Heb je het aan iemand verteld?'
'Niet zo. Ik heb gezegd dat ik ruimte had gemaakt. Dat klonk goed. Dat klonk alsof ik had geholpen.'
Hester hoorde haar eigen formuleringen terug, maar wilde het gesprek niet door haar schaamte laten kapen. Ze vroeg wat hij wist van het bellen. Hij nam een slok water uit de fles die hij uit zijn jas had gehaald en draaide de dop meteen terug.
'Er was tijd voor gedoe,' zei hij. 'Voor we iemand belden. Je moeder gaf opdrachten. Mensen uit de hal, deur open, dat ding naar de kant. Ik heb niet gezegd: ik bel nu. Ik vroeg het aan haar. Dat weet ik nog. Ik vroeg of er al gebeld was.'
'En?'
'Ze zei dat ik eerst moest helpen. Zoiets. De precieze woorden krijg ik niet terug.'
Hester hield haar handen onder de tafel. Ze had gevraagd of hij precies wist wat er was gebeurd en hij gaf haar voor het eerst iets dat niet comfortabel was om te vertellen. Het verklaarde niet waarom Brecht was gevallen. Het was wel een reden om te stoppen met doen alsof het oude verhaal uit zeven afzonderlijke waarnemingen had bestaan.
'Hoe lang duurde dat?' vroeg ze.
'Dat weet ik niet.'
'Geen minuten?'
'Nee. Het duurde te lang, dat weet ik. Maar ik kan je geen aantal minuten geven. Dan zou ik het nu moeten bedenken.'
Ze knikte. Hij keek naar de trap. 'Had het verschil gemaakt?'
'Dat weet ik niet.'
'Maar jij denkt het.'
'Ik denk dat iemand die gewond is meteen hulp moet krijgen. Ik kan niet zeggen wat er anders was gebeurd.'
Hij drukte zijn duim onder de rand van de flesdop. Een kort, hard klikje. 'Ik heb heel vaak gedacht dat ik beter helemaal niets meer kon zeggen. Omdat ze toch dood was. Omdat wat ik vertel alleen nog maar anderen kapotmaakt.'
'Jij bent hier nu.'
'Ja. En dat klinkt in jouw mond meteen alsof ik er een punt voor krijg.'
'Dat bedoel ik niet. Ik zeg waar we zijn.'
Fleur kwam tot de deur en bleef daar staan. Ze had een vraag op het puntje van haar tong, zag de fles op tafel en zei dat ze in de foyer zou wachten. Jasper wenkte haar niet. Hester vond het goed dat Fleur zichzelf die beperking oplegde; ze kon er later om vragen, niet nu voor iedereen bepalen dat zij opdrachtgever van alle gesprekken was.
'Wat heb je Ruben gezegd?' vroeg Hester.
Jasper trok zijn mond scheef. 'Dat hij moest ophouden. Dat er meer mensen waren die wisten hoe hij tegen Brecht deed. Dat mensen dat ook nu nog zouden kunnen horen.'
'Dat was een dreigement.'
'Ja.'
Ze had zijn ontkenning verwacht en stond daardoor even zonder volgende vraag. Hij zette de fles neer. Het etiket was losgeweekt door de warmte van zijn hand.
'Ik dacht dat hij alles los zou trekken en daarna weer weg zou gaan. Hij kon altijd weg. Zo voelde dat.'
'Dat hij weg kon, gaf jou geen recht hem dat af te pakken.'
'Ik zei al ja.'
'Dan stop ik.'
Hij keek haar verbaasd aan. Blijkbaar had ook hij gerekend op een reeks zinnen waarin zij hem eindelijk zou uitleggen hoe fout hij was. Ze was er moe van, van dat gelijk dat de ander ondertussen weer een gelegenheid gaf te praten over haar toon.
Jasper pakte zijn telefoon. 'Ik bel die vrouw. Ellen.'
'Je hebt haar nummer?'
'Ik kreeg een verzoek om contact.'
Hester schoof haar stoel terug. 'Dan laat ik je even.'
'Blijf. Niet als getuige van alles. Gewoon omdat ik anders straks weer besluit dat ik eerst naar huis moet.'
Dat was een verzoek dat ze kon inwilligen zonder hem iets te beloven. Ze ging bij het raam staan, ver genoeg weg om niet elk woord te horen. Hij noemde zijn naam, zei dat hij eerder contact had moeten opnemen en dat hij iets wilde verklaren over de avond in 2004. Daarna luisterde hij. Ze zag zijn wijsvinger over de tafel bewegen alsof hij een lijn volgde.
Hij herhaalde een adres, vroeg of hij vandaag al iets moest opschrijven en zei dat hij het begreep. Toen hij ophing, bleef hij naar zijn scherm kijken.
'Ik heb vanmiddag een afspraak,' zei hij.
'Goed.'
'Ik ga mijn mede-eigenaar bellen dat ik later ben. Ik ga niet vertellen dat jij me vasthoudt.'
'Dat doe ik ook niet.'
Deze keer lachte hij kort. Het was een geluid dat ze nauwelijks bij hem had gehoord sinds maandag, zonder een grap die iemand kleiner moest maken.
Hij vroeg of Hester de losse balustrade in de tentoonstelling ging noemen. Ze zei dat de tentoonstelling geen vervanging voor een onderzoek was. Er was vooralsnog geen tekst over oorzaken. Wel kwamen er juiste namen onder het werk. Hij knikte en keek naar de panelen.
'Dat blauwe water,' zei hij. 'Ik heb die verf nog van mijn handen moeten schuren. Het zat overal.'
'Brecht had die kleur gemengd.'
'Weet ik. Ze liet niemand anders bij die emmer. Ze dacht dat wij er meteen wit bij zouden doen.'
Hester herinnerde zich dat niet. Ze vroeg niet door naar de mooie herinnering alsof die een vergoeding was voor de rest. Jasper stond op en hing zijn jas over zijn arm. Hij pakte zijn fles en zijn telefoon in één hand.
Bij de deur bleef hij staan. 'Ik wil niet dat jij denkt dat ik je moeder zag en toen al begreep dat er iets niet klopte. Zij had de leiding. Dat was niet iets wat ik vaststelde. Dat was gewoon hoe het was.'
'Dat begrijp ik.'
'Begrijp je ook dat het geen opdrachtbriefje was? Dat ik nu niet netjes kan zeggen wat zij beval en ik alleen uitvoerde? Ik deed het.'
Hester keek hem aan. 'Zeg dat tegen Ellen.'
Hij vertrok zonder haar een hand te geven. Zijn bus stond opnieuw voor de deur, maar dit keer reed hij meteen weg. Fleur kwam uit de foyer met haar tas al op haar schouder. Ze moest iemand van het bestuur ophalen. Ze vroeg niet meer waarover het was gegaan.
'Zijn er gevolgen voor de open dag?' vroeg ze.
'Nog geen die ik nu kan vaststellen.'
'Dat is een vreselijk antwoord voor een opdrachtgever.'
'Ik heb geen beter.'
Fleur legde een reservesleutel op tafel. 'Dan zorg ik dat de sleutel tenminste niet in mijn tas verdwijnt. Je bent morgen om negen uur hier?'
'Ja.'
Toen ze alleen was, schreef Hester kort op wat Jasper had gezegd, duidelijk als haar eigen herinnering van het gesprek. Geen woordelijke verklaring. Ze noteerde dat hij de val niet had gezien, dat hij zelf contact had opgenomen en dat zij het tijdsverloop niet kende. Het duurde langer dan een bladzijde omdat ze telkens een woord schrapte dat meer zekerheid gaf dan zij had gekregen.
Daarna belde ze Ellen. Ze kreeg haar wel direct aan de lijn en meldde dat Jasper zojuist bij haar was geweest. Ellen wist van zijn afspraak en wilde vooralsnog vooral dat hij zijn eigen verhaal vertelde. Hester mocht haar notities bewaren. Of zij nu bang was voor haar moeder, vroeg Ellen.
Hester keek naar de voordeur. 'Ik denk niet dat ze mij fysiek iets gaat doen.'
'Dat is niet precies hetzelfde als nee.'
'Nee. Maar ik kan nu geen concrete dreiging beschrijven.'
'Als dat verandert, bel je. Ga niet zelf proberen te bewijzen wie het briefje ophing.'
Hester zei dat ze dat niet zou doen. Ze vroeg of zij beschikbaar moest blijven om haar eigen herinnering verder toe te lichten. Ellen zei dat men haar zou benaderen.
Na het gesprek legde Hester haar map niet op de stoel die Marjan gisteren had gebruikt. Ze stopte hem in haar tas. Buiten liepen twee mensen langs die naar binnen keken; de zaal zag er van de straat nog gewoon uit als een plek waar een evenement werd voorbereid. In de hoek lag een rol doek met een verkeerde belofte erop.
Ze deed het licht in de hal uit en liet dat in de foyer branden. Er moest vanmiddag een proefdruk terugkomen. Ze stuurde Ruben dat de deur nog open was en dat hij, als het te laat werd, het vel bij de drukker mocht laten. Toen haalde ze het ontvangstboek tevoorschijn en controleerde wie zaterdag daadwerkelijk sleutels nodig hadden.