Hoofdstuk 4 · 6 minuten lezen
Kit: Drieënveertig treden
Nell verscheen voor de havenwandeling met een klembord.
Ik had een notitieboek verwacht, misschien twee notitieboeken, maar zo'n klembord was iets nieuws. Ze zag eruit alsof ze van plan was de zee te inspecteren en een schriftelijke waarschuwing uit te vaardigen als die niet meewerkte.
“Niet doen,” zei ze toen ze mijn gezicht zag.
“Ik heb niets gezegd.”
“Je wenkbrauwen wel.”
Ik hing de camerariem over mijn schouder. “Wat zeggen ze?”
“Iets onaardigs over professionele uitrusting.”
“Dan hebben ze het mis. Ik respecteer het klembord.”
Ze kneep haar ogen samen. Ik glimlachte. Het was makkelijker als we grapjes maakten. Daar waren we altijd goed in geweest, zelfs in de jaren waarin de grapjes het enige deel van de vriendschap waren dat we lieten voortbestaan.
De havenroute begon naast het oude reddingboothuis en volgde de muur naar de trappen. We controleerden de aangeplakte informatie, het wegdek, de bankjes en de plekken waar je kon omkeren zonder de hele route opnieuw te hoeven afleggen. Nell schreef dingen op. Ik maakte foto's en probeerde de smalle stukken eerlijk te laten zien in plaats van de camera net zolang te verplaatsen tot ze verdwenen.
Een man die een hek stond te schilderen, vroeg of we van de gemeente waren.
“Nee,” zei Nell.
“Mooi. Ze zeiden dat ze die afvoer zouden repareren.”
“We kunnen het in de gids vermelden.”
“Daarmee is hij nog niet gerepareerd.”
“Nee,” gaf ze toe. “Dat klopt.”
Ik vond haar leuker omdat ze niet met een slim antwoord kwam.
Bij de trappen telden we afzonderlijk. Ik kwam op drieënveertig. Nell kwam op eenenveertig en stond vervolgens op de twee bovenste zonder me aan te kijken.
“Zijn dat geen treden?” vroeg ik.
“Het is meer een overgang.”
“Waarbij je je voeten gebruikt.”
“Ja, Kit. Drieënveertig.”
Ik maakte een foto van haar terwijl ze met de ene hand vier vingers opstak en met de andere drie. Ze protesteerde dat je het als vierendertig kon lezen, afhankelijk van welke hand je eerst bekeek. Ik zei dat de gids niet bedoeld was als hulpmiddel om te leren rekenen.
Bovenaan strekte de stad zich in lagen achter ons uit: daken, het lichte vierkant van de bibliotheek, de weg die naar het station boog, de rij huizen verder landinwaarts. Aan de waterkant ving het late middaglicht de boten en liet de gewone haven er even duur uitzien.
Nell legde het klembord neer.
“Dit stuk is goed,” zei ze.
“Ja.”
“Ook al moet je met de treden onderhandelen.”
“We hebben een alternatief uitzicht nodig.”
“Dat weet ik. Maar dit stuk is nog steeds goed.”
Ze keek uit over het water. Zonder het klembord in haar handen leek ze jonger en minder bepantserd. Een haarlok was ontsnapt uit de klem achter op haar hoofd. De wind blies hem steeds tegen haar wang en ze duwde hem met toenemende ergernis weg.
Ik bood haar bijna het extra haarelastiekje om mijn pols aan. Het was heel gewoon om dat aan te bieden. Doordat ik er zo lang over nadacht, hield het op gewoon te zijn.
We aten boterhammen op een bankje. Nell had een thermoskan thee en twee bekers meegenomen. Ze gaf me er zonder omhaal één, alsof thee delen niet een van de kleine gewoontes was geweest die we waren kwijtgeraakt.
“Heb je nog steeds een hekel aan komkommer?” vroeg ze.
“Ja.”
“Mooi. Dat wist ik nog.”
Er zat geen komkommer op de boterham. Ik keek er langer naar dan het beleg vereiste.
“Wat?” vroeg ze.
“Niets.”
Ze gaf me een blik die zei dat ze het woord herkende en wantrouwde. Terecht.
We praatten over de toon van de gids. Nell wilde korte, concrete beschrijvingen in plaats van te doen alsof elke plek geweldig was. Ik wilde ruimte voor beelden die meer deden dan bewijzen dat we ergens waren geweest. We spraken af bij elk uitstapje een klein kader op te nemen: wat het kost, wat in de weg kan zitten, bij wat voor dag het past.
“En wie je mee moet nemen,” zei Nell.
“Of dat je alleen kunt komen.”
“Ja.”
Ze schreef op het klembord. Een poosje vulden alleen de wind en het geluid van haar pen de ruimte tussen ons.
Toen zei ze: “Ik heb je aantekeningen over de schoolkaart gelezen.”
Ik verstijfde.
“Welke aantekeningen?”
“Die zin over overleggen voordat je iets bijsnijdt. Ik weet waarom je die schreef.”
De boterham was opeens moeilijk door te slikken.
“Weet je dat?”
“De nieuwsbrief liet jouw naamsvermelding weg.”
“Ja.”
“Ik heb niet gevraagd of ze dat wilden doen.”
“Ik weet dat jij niet hebt gevraagd om die weg te halen.”
Nell keek me aan. “Maar dan…”
“Je hebt ook niet gevraagd of ze mijn naam wilden terugzetten.”
De wind blies een losse hoek van het papieren zakje tegen mijn knie. Ik drukte hem met één hand neer. Het was handig om iets kleins te hebben dat aandacht nodig had.
“Ik dacht dat we het later konden regelen,” zei ze.
“Dat hebben we niet gedaan.”
“Ik heb geprobeerd met je te praten.”
“Na de schoolbijeenkomst. Na de nieuwsbrief. Nadat je de oorkonde naar je grootouders had gestuurd.”
Haar gezicht veranderde. Ik was niet van plan geweest de details op te sommen. Nu ik eenmaal was begonnen, kwamen ze pijnlijk helder naar boven: dingen die ik al veel te lang in mijn hoofd had herhaald.
“Ik was veertien,” zei ze.
“Ik ook.”
We zaten zwijgend naast elkaar. Het uitzicht bleef mooi, wat tactloos voelde.
“Ik had iets moeten zeggen tijdens de schoolbijeenkomst,” zei Nell uiteindelijk.
“Ja.”
“Dat weet ik nu.”
Ik keek haar aan. Die zin was niet alles wat ik drie jaar eerder had gewild. Hij was meer dan de verklaringen die ze me destijds gaf.
“Goed,” zei ik.
“Betekent dat…”
“Het betekent dat ik je heb gehoord. Het betekent niet dat ik al weet wat ik ermee moet.”
Ze knikte langzaam. Ik waardeerde dat ze niet deed alsof alles met die verontschuldiging meteen was afgehandeld.
We maakten de route af via het langere, vlakkere pad achter de haven. Dat had zijn eigen problemen: een ongelijk stuk, een smal hek, een bankje dat bruikbaar leek totdat je er was en ontdekte dat er een lat ontbrak. We schreven het op. Tegen het einde vroeg Nell of ik het laatste beetje thee wilde.
“Ja,” zei ik.
Ze schonk voorzichtig in en hield de beker tegen de wind vast zodat hij niet zou omvallen. Ik maakte een foto van haar handen en de thermoskan en liet toen de camera zakken.
“Mag ik die gebruiken?” vroeg ik.
Ze keek naar het scherm. Alleen haar handen waren zichtbaar.
“Ja.”
“Bijschrift?”
Ze dacht even na.
“Neem iets warms mee. Het uitzicht regelt dat niet voor je.”
Ik schreef het precies zo op.