Hoofdstuk 17 · 5 minuten lezen
Nell: Een kans om iets verstandigs te zeggen
Toen ik thuiskwam, zat Ollie op de tuinmuur te wachten. Hij had een zak chips bij de buren losgekregen, dus ik maakte me minder zorgen over zijn overleving.
“Heb je gerend?” vroeg hij.
“Alleen waar het omhoogging, want ik hou van lijden.”
“Je ziet er raar uit.”
“Dank je. Jouw crisis onderbrak een belangrijke bespreking.”
“Met Kit?”
“Ja.”
“Dus je ziet er raar uit door Kit.”
Ik deed de achterdeur open en liet hem binnen. Hij liep meteen naar de koelkast, alsof vijfendertig minuten buitensluiting gevolgen hadden gehad voor de nationale yoghurtvoorraad.
Die avond belde ik Kit vanuit mijn slaapkamer. De eerste minuut hadden we het over de vork. Daarna over Ollie. Daarna over de gids, die in onze gesprekken kennelijk een groot meubelstuk was geworden waar we achter konden schuilen.
Uiteindelijk zei ik: “Ik wilde niet weg.”
“Dat weet ik.”
“Hoe?”
“Je gezicht toen je zag wie er belde.”
“O. Niet erg meelevend.”
“Een beetje.”
Ik ging op de vloer zitten, met mijn rug tegen het bed. “Ik wil graag iets doen waarbij we geen route testen.”
“Met mij?”
“Nee, met een parapludeskundige. Ja, met jou.”
Er viel een stilte, maar geen enge.
“Dat zou ik fijn vinden.”
We spraken af voor zaterdagavond. Kit ging vrijdag naar Manchester en ik had vrijdagochtend een bespreking in de bibliotheek. Zaterdag werd een felgekleurd vakje in mijn hoofd, zo opvallend dat al het andere eromheen moest bewegen.
Maandag nodigde de Beacon me uit voor een sollicitatiegesprek.
Ik las de mail in de keuken terwijl pap een kastscharnier probeerde te maken. Zijn schroevendraaier verdween steeds onder de post van gisteren. Hij werkte op de verzendafdeling van het regionale distributiecentrum, meestal in late diensten. Daardoor kon hij opgewekt zijn op tijden waarop andere mensen volgens de wet sliepen.
“Wat?” vroeg hij.
“Niets.”
“Je hebt de kleur van de mooie borden gekregen.”
Ik gaf hem mijn telefoon.
Hij las de mail twee keer. Toen deed hij de lade open met afhaalmenu’s, batterijen en dingen die te belangrijk waren om op een ordelijke manier kwijt te raken. Hij pakte er chocoladekoekjes uit.
“Sollicitatiekoekjes,” zei hij.
“Die liggen daar al sinds kerst.”
“Sollicitatiekoekjes met ervaring.”
Ik lachte. Hij legde er twee op een bord en las verder.
“Je gaat het goed doen.”
“Dat weet je niet.”
“Nee. Maar ik weet dat je daar met genoeg vooronderzoek aankomt om ze zenuwachtig te maken.”
Dat was het fijne aan pap. Mijn ambities hoefden niet verstandig te zijn om ze serieus te nemen. Toen ik negen was en de burgemeester wilde interviewen over het verdwenen klimrek in de speeltuin, hielp hij me een mail schrijven. De burgemeester antwoordde niet. Een vrouw op kantoor stuurde een folder over geplande verbeteringen. Ik was woedend dat ik geen vervolgvragen kon stellen. Pap had de folder bewaard.
“Wat moet ik aan?” vroeg ik.
“Iets waarin je kunt zitten.”
“Een opmerkelijk ruime opdracht.”
Hij vond de schroevendraaier onder een elektriciteitsrekening. “Ze hebben je sollicitatie gelezen. Ze willen jóú ontmoeten, geen verzonnen iemand met een colbert.”
Vrijdag probeerde ik dat te onthouden toen ik tegenover Celia in de bibliotheek zat, in een colbert dat ik van mam had geleend.
Celia had een groot proefvel van de drukker meegenomen. Onze pagina’s op ware grootte zien ontroerde me onverwacht. Kits foto van een thermoskan tegen de havenmuur zag er op papier beter uit dan op mijn scherm. Mijn alinea over het museum stond eronder in een keurig blok. Onze namen stonden allebei op de inhoudspagina.
“Dit is goed,” zei ik, en ik hoorde hoe verbaasd ik klonk.
“Dat is het,” zei Jo.
Celia glimlachte. “Nu moeten we zorgen dat het gezien wordt.”
Ze vertelde dat Bright Marden een presentatie met plaatselijke ondernemers wilde, foto’s voor het festivalprogramma en een kort artikel in de nieuwsbrief. Misschien zou de Beacon het verhaal oppikken. In het kunstencentrum was ook een presentatie van creatief werk van jongeren, al had niemand ons een plek beloofd.
“Wie schrijft dat artikel?” vroeg ik.
“Dat zouden we jou graag laten doen. Zeshonderd woorden. Hoe jij de stad opnieuw hebt ontdekt.”
“Wij allebei?”
“Vooral jouw stem. En natuurlijk Kits foto’s.”
Ik keek even naar Jo. Ze las een aantekening op het proefvel.
“Kit heeft ook de routes en de opmaak ontworpen,” zei ik.
“Natuurlijk. Dat kunnen we bij de naamsvermelding zetten.”
Het antwoord was niet verkeerd. Daardoor was het makkelijk om te blijven luisteren.
Celia wilde een helder verhaal: een jongere ziet een probleem, schrijft een opbouwende klacht en vindt een manier om iets te veranderen. Voordat ze was uitgesproken, zag ik de openingsalinea al voor me. De vorm was helder. Het zou goed staan in een sollicitatiemap. Iemand die niets gaf om alle gesprekken achter een gids met twaalf uitstapjes zou het begrijpen.
“Neem volgende week een concept mee,” zei ze. “Dan kunnen we er samen aan werken.”
“Ik bespreek het met Kit.”
Jo keek op. “Doe dat. En houd de redactionele keuzes voor de gids los van de publiciteit. We moeten nog dingen afmaken.”
“Dat weet ik.”
Ik meende het toen ik het zei.
Na de bespreking nam ik het proefvel mee naar het raam en maakte er een foto van voor Kit. Zij zat inmiddels in de trein terug uit Manchester en zou die middag thuis zijn.
Nell: We zijn echte papieren mensen.
Kit: Zie ik er duur uit?
Nell: Uitstekende prijs-kwaliteitverhouding.
Kit: Romantisch.
Ik las dat woord drie keer voordat ik antwoord gaf.
Nell: Ik bewaar het goede materiaal voor zaterdag.
Ze antwoordde met een foto van het uitzicht uit de trein: pakhuizen, een bleke strook lucht, haar eigen spiegelbeeld vaag in het glas.
Kit: Ik heb er zin in.
Ik borg mijn telefoon op. Op het proefvel zat een kleine tikfout onder mijn beste alinea. Ik omcirkelde hem met potlood en dacht heel even dat alles wat lastig was zo eenvoudig te verbeteren viel.