Hoofdstuk 9 · 5 minuten lezen
Stil District Negen
Het archief van de onderbladen had geen ramen.
Achter schermen van dun hoorn brandden lampen. Ze gaven een gelijkmatig licht dat niet rechtstreeks op de oudste bladen viel. De lucht was zo droog dat Ada’s lippen barstten. Op elke tafel stond een kom water, niet voor de bladen maar voor de mensen die eraan werkten.
Neris gaf haar een stapel afstemmingsstukken voor noordelijke routes.
“Schrijf de beschrijvingen precies over. Markeer verschillen tussen het openbare blad en de bindingsregistratie. Beslis niet wat klopt zolang je geen bewijs hebt.”
“Wat telt als bewijs?”
“Meer dan een voorkeur.”
Ada pakte het eerste blad.
Twee dagen lang was het werk zo gewoon dat het bijna rustgevend werd. Een ontbrekende datum. Een verwisseld getal. Een brug die naar een plaatselijke ambtenaar was vernoemd zonder dat de nieuwe naam in de centrale index stond. Ze schreef zorgvuldig over, controleerde twee keer en leerde de indeling van het archief kennen door er rond te lopen zodra ze een geldige reden had om op te staan.
De ontvangende routes waren ingedeeld naar doel: graan, leger, post, markt. De draagroutes naar districtsnummer. Om één overdracht te volgen moest ze de kamer oversteken, een ander register aanvragen en een klerk overtuigen dat het tweede blad met het eerste te maken had.
Het systeem verbood je niet te begrijpen hoe het zat. Het zorgde alleen dat begrijpen meer tijd kostte dan de meeste opdrachten toelieten.
Op de derde ochtend vond ze Stil District Negen.
De beschrijving noemde moerasgrond, seizoensarbeid en weinig vaste bewoning. De belangrijkste ankers waren een mijlpaal bij een kerk, een niet meer gebruikte damwegsteen en de westelijke molenpoort.
Ada kende ze alle drie. Als kind had ze op de molenpoort gezeten en met haar voeten gezwaaid terwijl Hobb met haar vader kibbelde over meelgewichten. De damwegsteen had een scheur in de vorm van een vis. In een spleet van de kerkmijlpaal, waar geen regen bij was gekomen, zat nog Ysra’s bloed.
Ze las het bevolkingscijfer.
Eenendertig.
In haar hoofd telde ze de huizen. Thuis waren ze met vijf. Dema woonde nu alleen. Bij Hobb woonden er zes. Voordat ze het eerste straatje uit was, klopte het officiële getal al niet meer.
De draagcapaciteit was berekend op basis van het aantal geregistreerde reizen, niet op basis van het aantal levens dat ervan afhing. Reizen zonder betaalde penningen stonden nauwelijks geregistreerd. Kinderen die naar de les liepen, vrouwen die wasgoed droegen, buren die eten brachten: de boekhouding van de kaart behandelde een groot deel van het dorpsverkeer alsof het nergens plaatsvond.
Ada noteerde de bladverwijzing op een stukje papier dat voor vragen was bestemd.
Toen volgde ze de overdracht van twaalf mijl.
De ontvangende route was een toegangsweg voor konvooien ten noorden van Orison. Een tijdelijke versnelling voor graan uit North Rill. Op de goedkeuring stond het zegel van gouverneur Oren Arden, naast de bevestiging van de Hal.
Cals vader.
Ada bleef naar de naam kijken tot de inkt dikker leek te worden.
“Ada.”
Neris stond aan het uiteinde van de tafel.
“Je bent al een hele tijd met dat blad bezig.”
“Het bevolkingscijfer klopt niet.”
“Welk district?”
“Negen.”
Neris keek naar het blad en toen naar de deur.
“Schrijf het verschil op. Geen beschuldiging die je nog niet kunt onderbouwen.”
“Ik ken drieëntachtig namen.”
“Kun je aantonen waarom er eenendertig in het register staat?”
Ada schudde haar hoofd.
“Dan is dat de volgende vraag.”
Rond het middaguur vroeg ze Cal haar te ontmoeten in de openbare kaartengalerij. Hij kwam met een kaartenkoker en een broodje dat hij nog niet op had.
Ze legde het papiertje met haar vraag in zijn hand.
“Wist je ervan?”
Hij las het. Bij de verwijzing naar het zegel veranderde zijn gezicht.
“Van deze overdracht? Nee.”
“Je vader heeft erom gevraagd.”
“Mijn vader vroeg om een graanroute. Dat betekent niet dat hij het draaggebied koos.”
“Weet hij dat iemand dat moet doen?”
Cal keek scherp op. “Ja.”
“Wat had hij dan gedacht?”
Even dacht ze dat hij zou weglopen. In plaats daarvan legde hij het broodje op de rand van een vitrine en las de cijfers nog eens.
“Ik weet het niet,” zei hij.
Het was niet genoeg. Het was meer dan Hask had geboden.
“Mijn dorp staat geregistreerd met eenendertig inwoners.”
“Hoeveel zijn het er?”
“Drieëntachtig, zonder de seizoenarbeiders.”
“Heb je het plaatselijke register?”
“Hask heeft de kopieën meegenomen.”
Cal sloot even zijn ogen.
“Ik kan vragen waar ze zijn opgeborgen.”
“Vertellen ze je dat?”
“Misschien.”
“Vanwege je naam.”
“Ja.”
Ada keek naar het broodje dat naast een model van een volmaakte brug lag. Ze had honger en was boos; samen maakten die gevoelens van elk antwoord een belediging.
Cal merkte haar blik op. Hij brak het broodje en bood haar de helft aan.
Bijna weigerde ze. Toen pakte ze het aan.
“Ik heb ook niet gekozen waar ik geboren ben,” zei hij.
“Nee.”
“Maar ik vond het wel gemakkelijk om sommige van die vragen niet te stellen.”
Ada at het brood. Vanbinnen was het nog warm.
“Wat ga je nu doen?”
Hij vouwde het papiertje zorgvuldig op.
“Vragen.”
Die avond lag er een nieuwe opdracht naast haar bed. Een aantal beginnende medewerkers moest de openbare presentatie van de winterse Herbinding bijwonen. Haar naam stond op de lijst.
Die van Cal ook.
Onderaan had een officiële datum de oude kalendernaam vervangen. Er waren nog vijfendertig dagen.
Ada telde ze op haar vingers en daarna nog eens, zonder haar handen te bewegen.