Hoofdstuk 7 van 22
Niet door mijn wilgen
Vrijdagochtend stond er een geit op het pad naar de Buitenweide.
Hij stond precies waar Ties langs wilde en keek alsof hij het pad zelf had aangelegd. Zijn hoorns pasten tussen twee draadjes van het hek. Aan de andere kant lag een hoop bietenblad. Ties begreep niet waarom hij dan aan deze kant stond.
‘Is dat die van Nelle?’ vroeg hij.
Fara schudde haar hoofd. ‘Die van de buurman. Hij komt hier vaker op bezoek.’
Renske probeerde de geit met haar knie een stukje opzij te sturen. De geit zette zijn poten steviger neer. Jet, die achter hen liep met een meetstok onder haar arm, bleef op een afstandje staan.
‘Ik vaar liever,’ zei ze.
Uit de weide klonk een fluitje. De geit trok zijn kop terug, draaide zich om en liep naar het hek. Nelle stond er met een lege emmer. Ze hield hem schuin zodat hij goed kon zien dat er niets in zat. Toch kwam hij meteen.
‘Hij gelooft niet dat ik een emmer voor iets anders kan gebruiken,’ zei ze.
Ze zette de geit achter het hek en deed de haak weer dicht. Ze had kort grijs haar en een bril met een touwtje eraan. Haar rode laarzen zaten tot halverwege onder de modder. Ze keek van Jet naar Renske en toen naar de kinderen.
‘Jullie hebben de eigenaar ook meegenomen?’
‘Bewoner,’ zei Renske. ‘Ties. En dit is Fara.’
Nelle knikte naar het huis dat boven de lage havenloods uitstak. Alleen Ties’ kamertje was van hieruit te zien.
‘Ik snap dat je dat niet graag kwijt wilt.’
Dat had niemand die ochtend nog gezegd. Ties kwam een stap dichterbij.
‘Het is niet heel zwaar,’ zei hij.
Nelle keek naar hem. ‘Dat weet ik niet. Maar je wilt er wel door mijn wilgen mee.’
Ze liep het pad af. Aan de linkerkant stonden dikke, oude struiken waarvan de takken kort waren afgezaagd. Rechts stonden jonge wilgen in rechte rijen. Bij sommige zat nog een licht kokertje om de stam. Het natte transportvak lag ertussen en de lage dijkjes eromheen. Verderop zag Ties het hout van de bovenpoort.
Hij kende het landschap vanaf het pad. Van dichtbij zag hij ineens veel meer kleine dingen die kapot konden. Dunne takken. Een draad waar je met je schoen aan kon haken. Korte stompjes die net boven de grond uitstaken. Het huis zou daar niet voorzichtig een voet overheen kunnen zetten.
Nelle hurkte bij een jong boompje en trok een tak uit een andere tak. ‘Deze heb ik in maart gezet. Als je er met een heel huis langs schuurt, plant ik ze daarna opnieuw. Alleen zijn ze dan niet ineens weer zo groot.’
Renske ging naast haar staan. ‘Daarom wilden we eerst met jou kijken.’
‘En daarom heb ik de poort nog dicht.’
Jet rolde haar kaart uit op het deksel van een houten kist. Nelle hield twee hoeken vast. Renske legde haar telefoon op de derde. Ties pakte een losse steen voor de vierde hoek. De kaart wilde steeds onder zijn hand vandaan glijden.
‘Dit lage deel gebruik je nog?’ vroeg Jet.
‘Voor de tenen. Maar geen hele ladingen meer. Vorig jaar één vlot.’
Jet wees de twee poorten aan. ‘Als het vak vol is, kunnen we op gelijk peil naar de kom. Het water is geregeld. Bram heeft vanochtend al gevraagd of de gewone aanvoer kan doorlopen terwijl wij vullen.’
Nelle keek naar de rij jonge wilgen. ‘En als je moet draaien?’
‘Dan wil ik daar nu ruimte voor zien. Niet pas als ik met de muur voor de eerste boom lig.’
Ties haalde zijn hand van de kaart om de steen neer te leggen. Het hoekje waaide op. Hij legde er snel zijn hand weer op.
‘Ik kan wel tussen de bomen gaan staan,’ zei hij. ‘Dan kun je zien wanneer je te dicht komt.’
‘Ik wil geen kind tussen mijn bomen en een huis,’ zei Nelle.
Het klonk niet boos. Ze keek alweer naar de kaart. Jet wees de plek aan waar de sleepboot kon blijven en waar Bram vanaf de vaste rand met de lijnen kon werken.
Fara schoof haar handen in haar zakken. ‘Er zijn van die lange stokken met een gekleurd lapje. Bij de loods.’
Nelle keek op. ‘Die heb ik zelf ook. Die kan ik er wel tussen zetten.’
Ze glimlachte even naar Fara en trok de kaart wat dichterbij. Ties deed zijn steen eindelijk op de goede hoek.

Ze spraken af waar iedereen wel en niet kon lopen. Als het vak nat werd, bleven de kinderen op het buitenpad of op een aangewezen vaste plek. Nelle zou het laatste lage paadje zelf vrijmaken. Renske zou zorgen dat er achteraf iemand hielp de ondergrond weer netjes te maken. Het moest niet tussen het andere werk van Nelle door verdwijnen.
‘En niet alleen als het jullie lukt,’ zei Nelle. ‘Ook als je halverwege bedenkt dat je toch liever door de brug gaat.’
‘Ook dan,’ zei Renske.
Ties keek naar de omtrek op de kaart. Ze hadden nog geen huis verplaatst. Hij had nauwelijks iets gedaan behalve een steen vasthouden. Toch stond hij met modder op beide schoenen en het gevoel dat er iets begonnen was.
Nelle pakte de emmer en hing hem aan een haak bij de kist. ‘We gaan eerst lopen. Als je die geit tegenkomt, geloof hem niet.’
‘Wat zegt hij dan?’ vroeg Fara.
‘Dat hij hier werkt.’
Ze liepen achter haar aan. Bij het eerste jonge boompje bleef Ties even staan. Het kokertje zat scheef. Hij wilde het rechtduwen en keek toen naar de modder rond de stam. Hij haalde zijn hand terug en versnelde zijn pas om de anderen in te halen.